Op 24 augustus 1561 trad hertogin Anna van Saksen te Leipzig in het huwelijk met Willem van Oranje. Zij was zestien, hij 28 jaar. Beiden zagen deze verbintenis als een uiterst gelukkige keuze. Anna was weliswaar luthers en Willem katholiek, maar Willem had beloofd dat zijn vrouw vanzelfsprekend haar geloof mocht blijven belijden. Het belangrijkste was dat nu drie dynastieën met elkaar verbonden werden: Hessen, Saksen en Nassau. Willem verheugde zich bovendien op een geweldige bruidsschat, terwijl Anna een knappe man tot haar echtgenoot kon rekenen, die bovendien als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht onder de machtige koning Filips II van Spanje een prachtige carrière tegemoet kon zien. Het paar vestigde zich in oktober 1561 in Breda.
Al spoedig doken er geruchten op over wrijvingen binnen het huwelijk. Willem ging met enige regelmaat vreemd; Anna trad wel heel arrogant op tegen Willems kinderen uit diens eerste huwelijk en tegen het personeel. Al van jongs af aan had zij de reputatie over een sterk eigen willetje te beschikken en zich door niemand, ik herhaal: niemand, iets te laten zeggen. Ze was een hertogin! Haar man maar een graaf! En wat stelden die lage landen nu eigenlijk voor? Haar woedeaanvallen werden met enige verbijstering gadegeslagen, haar depressies met religieuze teksten bestreden.
Ondertussen werd het conflict dat Willem en zijn broers hadden met Filips II steeds heftiger. Het ging om vrijheid van godsdienst en onafhankelijkheid van Spanje, later de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) genoemd. Maar dat hield wel in dat Filips II in 1567 Alva met een leger naar de Nederlanden stuurde, zodat Willem, met achterlating van al zijn bezittingen, Breda moest het verlaten en introk bij zijn broer Jan van Nassau op het slot Dillenburg. Voor het huwelijk tussen Anna en Willem betekende dit het begin van het einde.
Omdat er geen inkomsten waren, moesten ze namelijk leven op kosten van Jan. Dus geen eigen kasteel, weinig personeel, geen bezittingen.Voor de trotse Anna was deze afhankelijke situatie onhoudbaar. Haar humeur verslechterde alleen maar, ze begon te drinken en vervolgens te tieren. In de herfst van 1568 vertrok Anna naar Keulen, samen met haar hof en haar kinderen, onder wie Maurits.
Tot aan haar dood in 1577 zal Anna van woonplaats wisselen en constant strijden voor een financiële regeling waarop ze recht meende te hebben. Willem bleef achter op Dillenburg en eiste dat ze terugkwam. Een vrouw hoorde gehoorzaam bij haar man te blijven. Anna, op haar beurt, wees telkens op haar hoge geboorte, verlangde trouw en onderdanigheid. De algemene opvatting dat ook een vrouw van hoge geboorte ondergeschikt was aan haar man, werd door haar resoluut afgewezen.
Anna zocht juridische en mentale steun bij Jan Rubens, de vader van de schilder, met wie ze in mei 1570 naar Kassel reisde om haar financiële eisen kracht bij te zetten. Aan het eind van dat jaar hoorde Willem dat zijn vrouw zwanger was. Rubens bleek de vader, ook al ontkende Anna dat later. Overspel was strafbaar; Jan kwam in de gevangenis, Anna's reputatie lag in gruzelementen. Niemand van enig aanzien wilde iets met haar te maken hebben. De eerste tekenen van pure waanzin werden bij haar zichtbaar.
Eind 1576 is ze zo onhandelbaar en zelfs gevaarlijk voor het personeel, dat ze wordt overgebracht naar een kasteel in Dresden. Ze krijgt drie kamers, wordt voortdurend bewaakt, kan zonder toestemming haar vertrekken niet verlaten. In de zomer van 1577 gaat haar gezondheid sterk achteruit, op 18 december sterft ze.
Wat opvalt: de kille, calculerende houding van Willem van Oranje. Hij wilde van haar af, dus haar overspel kwam hem goed uit. Zijn buitenechtelijke escapades wuifde hij weg: haar misstap schond zijn eer. Wat er verder met haar gebeurde, interesseerde hem kennelijk niets.
Femke Deen, Anna van Saksen. Verstoten bruid van Willem van Oranje. Amsterdam - Antwerpen, 2018. 416 blz.
13-01-2020
31-12-2019
DE DOOD VAN IVAN ILJITSJ
Over het lot van Ivan Iljitsj hoef je je als lezer geen zorgen te maken: in de allereerste regels krijg je al te horen dat hij overleden is, en wel op 4 februari 1882. Zijn collega's op het gerechtshof, waar hij als officier van justitie werkzaam was, tonen zich geschokt en bedroefd, want ze mochten hem graag. Toch bekruipt hen al snel de triomfantelijke gedachte: beter hij dan ik. Sommigen gaan snel na of er nu een promotie in het verschiet ligt. Ivans oude vriend Peter Ivanowitsj bezoekt de vrouw van Ivan, condoleert haar, en merkt, tot zijn ontsteltenis, dat ze het vooral over geld heeft, en uitstekend op de hoogte is van eventuele toelagen van de staat. Wat was Ivan Iljitsj eigenlijk voor man?
Volstrekt normaal, heel gewoon.Verstandig, levendig, prettig in de omgang. Al op de rechtsschool drong hij zich bij niemand op, maar hij had wel een neusje voor mensen die op belangrijke posities zaten. Het talent om hun vriendschap te winnen, benutte hij ook toen hij na zijn afstuderen een betrekking zocht en vond in de provincie. Hij deed zijn werk keurig, gedroeg zich altijd waardig, trad onder alle omstandigheden beschaafd op. Twee jaar na zijn benoeming aan het gerechtshof ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote; Praskovja Fjodorovna was het aantrekkelijkste en intelligentste meisje in zijn omgeving. Zij raakte verliefd, en hij trouwde omdat hij het aangenaam vond een vrouw zoals zij te verwerven. Bovendien behoorde een man in zijn positie gehuwd te zijn. Kortom: Ivan handelde en dacht zoals iedereen. Zo moet het leven verlopen: luchtig, prettig en keurig.
Een ernstige ziekte hoort daar dus niet bij, maar het lot besliste anders. Na een lichte botsing in zijn zij voelt hij korte tijd later een stekende, constante pijn, terwijl hij een onaangename smaak in zijn mond proeft. Blindedarm? Een wandelende of beschadigde nier? Dokters komen en gaan, doen gewichtig, gedragen zich arrogant. Men zegt hem dat hij alleen maar ziek is, slechts rust moet houden en zijn medicijnen op tijd innemen. Over doodgaan spreekt niemand en hij mag er zelf niet over beginnen. Maar hij denkt er vaak aan, later zelfs voortdurend. In drie maanden tijd wordt hij een eenzaam mens, liggend op de divan, te midden van een drukke stad en talrijke kennissen. Zijn geestelijk lijden is nog erger dan zijn lichamelijk lijden, want Ivan blikt terug. Hoe heeft hij eigenlijk geleefd? Een altijd klagende vrouw, een vlucht in dossiers en wetboeken, elke dag dezelfde tredmolen, onbenullige pleziertjes. Hoe hol! Hoe onbetekenend! Aan God, een hiernamaals wijdt Ivan geen enkele gedachte. Hem rest slechts het zoeken naar een manier om de dood te accepteren.
Tolstoj laat een mens zien zoals wij eigenlijk allemaal zijn. Men heeft Ivan daarom wel met Elckerlyc (Middelnederlands voor "iedereen") vergeleken. De auteur kruipt in de huid van zijn hoofdpersoon, met camera en microfoon bekijkt hij zijn gedrag en beluistert hij Ivans gedachten. Zijn angst, hoop, vertwijfeling, zijn vragen over de zin van zijn leven maken tegelijkertijd van Iwan ook een bijzonder mens. Uiteindelijk legt ieder van ons zijn levensweg af op zijn eigen, unieke wijze.
Lev Tolstoj, De dood van Ivan Iljitsj. Vertaald door Arthur Langeveld. Amsterdam, 2007. 109 blz.
Volstrekt normaal, heel gewoon.Verstandig, levendig, prettig in de omgang. Al op de rechtsschool drong hij zich bij niemand op, maar hij had wel een neusje voor mensen die op belangrijke posities zaten. Het talent om hun vriendschap te winnen, benutte hij ook toen hij na zijn afstuderen een betrekking zocht en vond in de provincie. Hij deed zijn werk keurig, gedroeg zich altijd waardig, trad onder alle omstandigheden beschaafd op. Twee jaar na zijn benoeming aan het gerechtshof ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote; Praskovja Fjodorovna was het aantrekkelijkste en intelligentste meisje in zijn omgeving. Zij raakte verliefd, en hij trouwde omdat hij het aangenaam vond een vrouw zoals zij te verwerven. Bovendien behoorde een man in zijn positie gehuwd te zijn. Kortom: Ivan handelde en dacht zoals iedereen. Zo moet het leven verlopen: luchtig, prettig en keurig.
Een ernstige ziekte hoort daar dus niet bij, maar het lot besliste anders. Na een lichte botsing in zijn zij voelt hij korte tijd later een stekende, constante pijn, terwijl hij een onaangename smaak in zijn mond proeft. Blindedarm? Een wandelende of beschadigde nier? Dokters komen en gaan, doen gewichtig, gedragen zich arrogant. Men zegt hem dat hij alleen maar ziek is, slechts rust moet houden en zijn medicijnen op tijd innemen. Over doodgaan spreekt niemand en hij mag er zelf niet over beginnen. Maar hij denkt er vaak aan, later zelfs voortdurend. In drie maanden tijd wordt hij een eenzaam mens, liggend op de divan, te midden van een drukke stad en talrijke kennissen. Zijn geestelijk lijden is nog erger dan zijn lichamelijk lijden, want Ivan blikt terug. Hoe heeft hij eigenlijk geleefd? Een altijd klagende vrouw, een vlucht in dossiers en wetboeken, elke dag dezelfde tredmolen, onbenullige pleziertjes. Hoe hol! Hoe onbetekenend! Aan God, een hiernamaals wijdt Ivan geen enkele gedachte. Hem rest slechts het zoeken naar een manier om de dood te accepteren.
Tolstoj laat een mens zien zoals wij eigenlijk allemaal zijn. Men heeft Ivan daarom wel met Elckerlyc (Middelnederlands voor "iedereen") vergeleken. De auteur kruipt in de huid van zijn hoofdpersoon, met camera en microfoon bekijkt hij zijn gedrag en beluistert hij Ivans gedachten. Zijn angst, hoop, vertwijfeling, zijn vragen over de zin van zijn leven maken tegelijkertijd van Iwan ook een bijzonder mens. Uiteindelijk legt ieder van ons zijn levensweg af op zijn eigen, unieke wijze.
Lev Tolstoj, De dood van Ivan Iljitsj. Vertaald door Arthur Langeveld. Amsterdam, 2007. 109 blz.
07-12-2019
MIJN EERSTE MOORD
"Het terugkerende thema is de manier waarop mensen zich gedragen als ze geconfronteerd worden met het noodlot of iets waarvan ze alleen al denken dat het onontkoombaar is. Vaak is dat noodlot de dood, die me erg bezighoudt." Dat zei Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 1954) in 1918 over zijn pas verschenen verhalenbundel Mijn eerste moord en andere verhalen. Wat zijn dat voor verhalen, en wat doen die mensen dan?
Het zijn er in totaal elf, variërend in lengte van enkele bladzijden tot een vertaling uit het Duits van Aquis submersus, een novelle uit 1876 van Theodor Storm, die 85 bladzijden omvat. Ik zal er enkele verhalen uitlichten die mij in hoge mate bevielen.
In Orpheus speelt de auteur een geraffineerd spel met leven en dood (zie titel!), heden en verleden. Lydia beseft dat dit de laatste dag is in het leven van haar minnaar Menno. Hij blinkt in alles uit, maar wil geen kinderen en ook geen vaste relatie, deelt hij haar nu mee. Haar houding bij het afscheid (hij weet van niets) is die van een koel calculerende vrouw; ze rekent erop dat het leven haar nog genoeg kansen zal bieden. Slim, origineel, dit verhaal.
Van Een ware held zijn sinds 2013 al enkele drukken verschenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vechten de broers Luigi en Beppo nabij de rivier de Isonzo, aan het Oostenrijks - Hongaarse front. Daar maken ze mee hoe een generaal een manier bedenkt om de vechtlust van de troepen te verhogen: elke tiende man wordt doodgeschoten. Zij ontsnappen deze keer, maar als hun compagnie een bergpas niet heeft verdedigd, dreigt wederom een executie: elke vierde man wordt gedood. Een officier gaat langs, de aangewezen mannen moeten een stukje verderop bij elkaar gaan staan, wachtend op het vuurpeloton. Luigi kan de spanning niet verdragen, Beppo is beheerst, standvastig, moedig. Wie is de ware held? Het slot zal u verrassen.
De hulpeloosheid van de mens zit in het ironische verhaaltje De zon. Willem trotseert de dwangarbeid in Japan; de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft hij; als het vliegtuig dat hem naar huis brengt neerstort, verdrink iedereen, behalve hij. Veel later zal een onbenullige fout hem het leven kosten. We blijven nietige wezentjes.
Vanaf 1992 vertaalde Driessen (ook acteur en regisseur) toneelstukken in het Duits, waaronder Lucifer van Vondel. De laatste jaren neemt hij ook werk van Theodor Fontane en Theodor Storm onder handen. De laatste leefde in Noord - Duitsland en situeerde zijn novelles ook aldaar. Dus woeste winden, polderlandschappen, heidevelden, kleine stadjes en verre uitzichten in Aquis submersus (= in het water verzonken) dat Driessen vooral aangesproken zal hebben om de dreiging, onuitgesproken maar altijd aanwezig, dat eens het onheil zal toeslaan. Een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde, kunstenaarschap, noodlot, schuld en boete. Driessen schrijft niet autobiografisch, mijdt gezeur over de middelbare school en strenge ouders, maar zoekt zijn onderwerpen ver weg, zowel qua afstand als qua tijd. On - Nederlands dus, en ook daarom heel lezenswaardig. Wordt vervolgd!
Martin Michael Driessen, Mijn eerste moord en andere verhalen. Amsterdam, 2018. 251 blz.
Het zijn er in totaal elf, variërend in lengte van enkele bladzijden tot een vertaling uit het Duits van Aquis submersus, een novelle uit 1876 van Theodor Storm, die 85 bladzijden omvat. Ik zal er enkele verhalen uitlichten die mij in hoge mate bevielen.
In Orpheus speelt de auteur een geraffineerd spel met leven en dood (zie titel!), heden en verleden. Lydia beseft dat dit de laatste dag is in het leven van haar minnaar Menno. Hij blinkt in alles uit, maar wil geen kinderen en ook geen vaste relatie, deelt hij haar nu mee. Haar houding bij het afscheid (hij weet van niets) is die van een koel calculerende vrouw; ze rekent erop dat het leven haar nog genoeg kansen zal bieden. Slim, origineel, dit verhaal.
Van Een ware held zijn sinds 2013 al enkele drukken verschenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vechten de broers Luigi en Beppo nabij de rivier de Isonzo, aan het Oostenrijks - Hongaarse front. Daar maken ze mee hoe een generaal een manier bedenkt om de vechtlust van de troepen te verhogen: elke tiende man wordt doodgeschoten. Zij ontsnappen deze keer, maar als hun compagnie een bergpas niet heeft verdedigd, dreigt wederom een executie: elke vierde man wordt gedood. Een officier gaat langs, de aangewezen mannen moeten een stukje verderop bij elkaar gaan staan, wachtend op het vuurpeloton. Luigi kan de spanning niet verdragen, Beppo is beheerst, standvastig, moedig. Wie is de ware held? Het slot zal u verrassen.
De hulpeloosheid van de mens zit in het ironische verhaaltje De zon. Willem trotseert de dwangarbeid in Japan; de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft hij; als het vliegtuig dat hem naar huis brengt neerstort, verdrink iedereen, behalve hij. Veel later zal een onbenullige fout hem het leven kosten. We blijven nietige wezentjes.
Vanaf 1992 vertaalde Driessen (ook acteur en regisseur) toneelstukken in het Duits, waaronder Lucifer van Vondel. De laatste jaren neemt hij ook werk van Theodor Fontane en Theodor Storm onder handen. De laatste leefde in Noord - Duitsland en situeerde zijn novelles ook aldaar. Dus woeste winden, polderlandschappen, heidevelden, kleine stadjes en verre uitzichten in Aquis submersus (= in het water verzonken) dat Driessen vooral aangesproken zal hebben om de dreiging, onuitgesproken maar altijd aanwezig, dat eens het onheil zal toeslaan. Een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde, kunstenaarschap, noodlot, schuld en boete. Driessen schrijft niet autobiografisch, mijdt gezeur over de middelbare school en strenge ouders, maar zoekt zijn onderwerpen ver weg, zowel qua afstand als qua tijd. On - Nederlands dus, en ook daarom heel lezenswaardig. Wordt vervolgd!
Martin Michael Driessen, Mijn eerste moord en andere verhalen. Amsterdam, 2018. 251 blz.
23-11-2019
EEN FILMKLASSIEKER: THE STING
Toen scenarioschrijver David S. Ward aan het onderzoeken was hoe zakkenrollers eigenlijk werkten, stuitte hij op het boek The Big Con (Het grote bedrog) van David W. Maurer, uitgekomen in 1940. Maurer beschrijft daarin de trucs en oplichterijen van bedriegers als Fred en Charley Gondorff, JJ Singleton en Eddie Niles. Deze bron gebruikte Ward bij het schrijven van het script van The Sting. Nadat regisseur George Roy Hill dat gelezen had, bood hij meteen aan om de film te regisseren. Robert Redford, die voor de rol van Hooker gevraagd werd, weigerde aanvankelijk, kwam daar later op terug, maar geloofde niet dat de film een succes zou worden. Paul Newman wilde meteen. Van hem zeiden critici dat hij alleen dramatische rollen kon spelen, en dit was de kans om te bewijzen dat komische films hem ook lagen. Beiden ontvingen 500.000 dollar voor hun rol, een topgage voor 1974.
Waar gaat The Sting ook alweer over? Het is september 1936. De jeugdige Hooker (Robert Redford) werkt samen met de veel oudere Luther. Samen bedriegen en beroven ze zó geraffineerd mensen, dat die dat pas merken als de daders gevlucht zijn. Het loopt fout als ze een geldloper van een bende, geleid door de machtige Doyle Lonnegan (Robert Shaw) in de val laten lopen. Kleine crimineeltjes die de grote boss bestelen? Luther wordt het raam uitgeworpen, en vervolgens jaagt iedereen op Hooker. Die krijgt steun van de slimste con man (bedrieger) die er bestaat: Henry Gondorff. Omdat Luther geliefd is in het milieu en men in de onderwereld genoeg heeft van de tirannieke Lonnegan, zijn velen bereid hem een loer te draaien. Onder leiding van Gondorff worden alle registers opengetrokken. Lonnegan moet de steek (sting) van een bij voelen, telkens als hij beseft dat hij belazerd is.
Hill wilde de sfeer van de jaren dertig in Chicago oproepen, en een hommage geven aan de Hollywoodse gangsterfilms uit die tijd. Hij filmde in kleurentinten die daarbij passen, gebruikte kaarten met tussentitels, en Edith Head (veel geprezen, vaak gelauwerd) ontwierp stijlvolle, soms uitzinnige, kostuums, japonnen, hoeden. Voor de muziek koos hij de ragtime van Scott Joplin: licht van karakter, tegelijk een eerbetoon aan de gangsterfilms van toen.
The Sting kun je gerust vaker bekijken: ook al ken je de plot, toch blijft het vermakelijk om te zien hoe ingenieus mensen erin geluisd worden. Dankzij het hoge tempo, de verschillende verhaallijnen en het aanstekelijke spel van de acteurs, blijft de film boeien. Bovendien zit er ook veel herkenbaars in. Het gaat telkens om bedriegers en bedrogenen. Niets is wat het lijkt, iedereen speelt een rol, strooit de ander zand in de ogen om er zelf beter van te worden. Zelfs de kijker wordt op het verkeerde been gezet. En acteurs kom je overal tegen: in het alledaagse leven, in de zakenwereld, in de politiek. Maar echt amusant zijn ze in The Sting.
The Sting. Regisseur: George Roy Hill. Acteurs: Paul Newman, Robert Redford, Robert Shaw. Uitgebracht: 1974.
Waar gaat The Sting ook alweer over? Het is september 1936. De jeugdige Hooker (Robert Redford) werkt samen met de veel oudere Luther. Samen bedriegen en beroven ze zó geraffineerd mensen, dat die dat pas merken als de daders gevlucht zijn. Het loopt fout als ze een geldloper van een bende, geleid door de machtige Doyle Lonnegan (Robert Shaw) in de val laten lopen. Kleine crimineeltjes die de grote boss bestelen? Luther wordt het raam uitgeworpen, en vervolgens jaagt iedereen op Hooker. Die krijgt steun van de slimste con man (bedrieger) die er bestaat: Henry Gondorff. Omdat Luther geliefd is in het milieu en men in de onderwereld genoeg heeft van de tirannieke Lonnegan, zijn velen bereid hem een loer te draaien. Onder leiding van Gondorff worden alle registers opengetrokken. Lonnegan moet de steek (sting) van een bij voelen, telkens als hij beseft dat hij belazerd is.
Hill wilde de sfeer van de jaren dertig in Chicago oproepen, en een hommage geven aan de Hollywoodse gangsterfilms uit die tijd. Hij filmde in kleurentinten die daarbij passen, gebruikte kaarten met tussentitels, en Edith Head (veel geprezen, vaak gelauwerd) ontwierp stijlvolle, soms uitzinnige, kostuums, japonnen, hoeden. Voor de muziek koos hij de ragtime van Scott Joplin: licht van karakter, tegelijk een eerbetoon aan de gangsterfilms van toen.
The Sting kun je gerust vaker bekijken: ook al ken je de plot, toch blijft het vermakelijk om te zien hoe ingenieus mensen erin geluisd worden. Dankzij het hoge tempo, de verschillende verhaallijnen en het aanstekelijke spel van de acteurs, blijft de film boeien. Bovendien zit er ook veel herkenbaars in. Het gaat telkens om bedriegers en bedrogenen. Niets is wat het lijkt, iedereen speelt een rol, strooit de ander zand in de ogen om er zelf beter van te worden. Zelfs de kijker wordt op het verkeerde been gezet. En acteurs kom je overal tegen: in het alledaagse leven, in de zakenwereld, in de politiek. Maar echt amusant zijn ze in The Sting.
The Sting. Regisseur: George Roy Hill. Acteurs: Paul Newman, Robert Redford, Robert Shaw. Uitgebracht: 1974.
09-11-2019
HET BESTE VAN POESJKIN
Aleksandr Sergejewitsj Poesjkin (Moskou; 1799 - 1837) kwam uit een oude adellijke familie, die over weinig kapitaal beschikte. Zijn overgrootvader was een adoptiefzoon van tsaar Peter de Grote en afkomstig uit wat wij nu Kameroen noemen. Zijn merkwaardige levensloop heeft Poesjkin later verwerkt in het verhaal De Russische Afrikaan. Maar aanvankelijk schreef hij vooral poëzie, en dat deed hij al toen hij nog op het lyceum in Sint - Petersburg zat. De vertelling in verzen Roeslan en Ljoedmila maakte hem meteen beroemd. De lichte toon, geladen met milde spot, de vloeiende versregels, de muzikaliteit, het zijn de kenmerken, toen al, van zijn meesterschap. Lees maar eens de laatste strofe van Aan Natasja:
Wintertij is aangebroken
Rijm bedekt het naakte land,
En de boerenhutten roken
Nu de kachel er weer brandt.
Tevergeefs zit ik te smachten,
Thuis, alleen met mijn gedachten,
Als een sijsje in zijn kooi -
Ach, wat was Natasja mooi!
Poesjkin was graag en vaak verliefd, maar hij deed ook aan politiek en durfde voor zijn mening uit te komen. Daarom werd hij in 1820 verbannen naar het zuiden, waar hij tot 1826 moest blijven. Toen mocht hij van tsaar Alexander I, onder strenge voorwaarden, terugkeren naar Sint - Petersburg.
Waar hij zich ook bevond, het schrijven lukte altijd wel. Vooral dichten ging hem gemakkelijk af. Hij publiceerde naast talloze losse gedichten, ook novellen in verzen (zoals De krijgsgevangene in de Kaukasus) en zelfs een complete roman in verzen: Jevgeni Onegin (zie 12-07-2019), waar Tsjajkovski in 1878 een opera van maakte. Dat gebeurde trouwens wel vaker met werk van Poesjkin. Zijn toneelstuk Boris Godoenov is door Moessorgski in 1874 gebruikt voor een opera, terwijl zijn stuk Mozart en Salieri door diverse handen ging. Ga maar na: in 1897 wordt het de stof van alweer een opera, dankzij Rimski - Korsakov; in 1979 gebruikt Peter Shaffer het gegeven voor een toneelstuk, getiteld Amadeus. In 1984 wordt de gelijknamige, uiterst succesvolle film uitgebracht, gebaseerd op Shaffers stuk, geregisseerd door Milos Forman. Het grote publiek, de vakmensen: allen omarmden en omarmen Poesjkin.
Privé bleef hij uitgebreid liefhebben, ook nadat hij in februari 1831 trouwde met zijn jonge, mooie en lichtzinnige Natalja. Hij gokte, maakte schulden, en schreef tussendoor ook proza. Korte verhalen als Schoppenvrouw (een geestverschijning vertelt Herman welke drie kaarten hij moet gebruiken om een fortuin te winnen) en De stationsopzichter (een vader maakt van dichtbij mee hoe zijn mooie, naïeve dochter verleid wordt door een knappe huzaar). Een echte, korte roman is De kapiteinsdochter, vol met onbeantwoorde, onbereikbare, eeuwige liefdes, belegeringen, moed en lafheid en een gelukkig huwelijk. Zijn proza is wat soberder dan zijn poëzie, glashelder, beeldend, met personages zó levensecht zijn dat je ze op straat zou herkennen. Daarom staat Poesjkin terecht in het rijtje van de grote oude Russen, samen dus met Tsjechov, Tolstoj, Dostojevski.
Hoe liep het eigenlijk met hem af? Waarom is hij zo jong gestorven? Op 27 januari 1837 duelleerde hij met Georges d'Anthès, zijn zwager, die een verhouding zou hebben met Natalja. Georges schiet eerder dan geoorloofd, de schrijver wordt getroffen in zijn buik en sterft op 29 januari 1837 aan zijn verwondingen. Inderdaad, bij een man met zo'n leven past geen gewone dood.
A.S. Poesjkin, Werken. Gekozen en vertaald door Hans Boland. De Russische Bibliotheek, Van Oorschot, Amsterdam, 2018. 899 blz.
Wintertij is aangebroken
Rijm bedekt het naakte land,
En de boerenhutten roken
Nu de kachel er weer brandt.
Tevergeefs zit ik te smachten,
Thuis, alleen met mijn gedachten,
Als een sijsje in zijn kooi -
Ach, wat was Natasja mooi!
Poesjkin was graag en vaak verliefd, maar hij deed ook aan politiek en durfde voor zijn mening uit te komen. Daarom werd hij in 1820 verbannen naar het zuiden, waar hij tot 1826 moest blijven. Toen mocht hij van tsaar Alexander I, onder strenge voorwaarden, terugkeren naar Sint - Petersburg.
Waar hij zich ook bevond, het schrijven lukte altijd wel. Vooral dichten ging hem gemakkelijk af. Hij publiceerde naast talloze losse gedichten, ook novellen in verzen (zoals De krijgsgevangene in de Kaukasus) en zelfs een complete roman in verzen: Jevgeni Onegin (zie 12-07-2019), waar Tsjajkovski in 1878 een opera van maakte. Dat gebeurde trouwens wel vaker met werk van Poesjkin. Zijn toneelstuk Boris Godoenov is door Moessorgski in 1874 gebruikt voor een opera, terwijl zijn stuk Mozart en Salieri door diverse handen ging. Ga maar na: in 1897 wordt het de stof van alweer een opera, dankzij Rimski - Korsakov; in 1979 gebruikt Peter Shaffer het gegeven voor een toneelstuk, getiteld Amadeus. In 1984 wordt de gelijknamige, uiterst succesvolle film uitgebracht, gebaseerd op Shaffers stuk, geregisseerd door Milos Forman. Het grote publiek, de vakmensen: allen omarmden en omarmen Poesjkin.
Privé bleef hij uitgebreid liefhebben, ook nadat hij in februari 1831 trouwde met zijn jonge, mooie en lichtzinnige Natalja. Hij gokte, maakte schulden, en schreef tussendoor ook proza. Korte verhalen als Schoppenvrouw (een geestverschijning vertelt Herman welke drie kaarten hij moet gebruiken om een fortuin te winnen) en De stationsopzichter (een vader maakt van dichtbij mee hoe zijn mooie, naïeve dochter verleid wordt door een knappe huzaar). Een echte, korte roman is De kapiteinsdochter, vol met onbeantwoorde, onbereikbare, eeuwige liefdes, belegeringen, moed en lafheid en een gelukkig huwelijk. Zijn proza is wat soberder dan zijn poëzie, glashelder, beeldend, met personages zó levensecht zijn dat je ze op straat zou herkennen. Daarom staat Poesjkin terecht in het rijtje van de grote oude Russen, samen dus met Tsjechov, Tolstoj, Dostojevski.
Hoe liep het eigenlijk met hem af? Waarom is hij zo jong gestorven? Op 27 januari 1837 duelleerde hij met Georges d'Anthès, zijn zwager, die een verhouding zou hebben met Natalja. Georges schiet eerder dan geoorloofd, de schrijver wordt getroffen in zijn buik en sterft op 29 januari 1837 aan zijn verwondingen. Inderdaad, bij een man met zo'n leven past geen gewone dood.
A.S. Poesjkin, Werken. Gekozen en vertaald door Hans Boland. De Russische Bibliotheek, Van Oorschot, Amsterdam, 2018. 899 blz.
26-10-2019
DE KUNST VAN HET SNIJDEN
In het begin van de negentiende eeuw stonden in Engeland artsen uit de hogere klassen bovenaan in de pikorde. Op eerbiedige afstand volgden de chirurgen. Zij werden beschouwd als handwerkslieden, die buiten de universiteit in de praktijk het vak hadden geleerd. Na 1815 kreeg chirurgie wat meer aanzien. Een student moest college volgen, assisteren in het ziekenhuis en tenminste zes jaar in opleiding zijn geweest. En in die tijd gold: een goede chirurg is een snelle chirurg. Een van de beroemdste chirurgen was Robert Liston: in dertig seconden amputeerde hij je been.
Waarom moest dat zo snel? Voor 1842 kon men niet echt goed verdoven. In speelfilms over die tijd zie je dat mensen een fles jenever of whisky overhandigd kregen, maar helpen deed dat nauwelijks. Om de patiënt zo kort mogelijk te laten lijden, was een snelle behandeling gewenst. In 1842 werd in de V.S. voor het eerst verdoofd met ether, in Europa in 1846. In een operatiezaal die gevuld was met honderden toeschouwers liet Liston als een ware acteur zijn kunsten zien, met in dit geval een jongeman die een bacteriële infectie aan zijn knie had opgelopen, zodat zijn been eraf moest. Onder de talloze belangstellenden bevond zich ook de held van deze biografie: de jonge student Joseph Lister (Upton; 1827 - 1912). Hij zal de beroemdste chirurg van zijn tijd worden, en een oplossing weten te vinden voor twee levensbedreigende medische problemen: waarom ontstaan vooral na een operatie infecties, en hoe lossen we deze kwestie op?
Voor chirurgen was er altijd werk. De industrialisatie zorgde voor ongelukken met tandwielen, kranen en stoommachines. Mannen zagen hun vrouwen als persoonlijk bezit, zodat zij geregeld mishandeld werden. Syfilis en tbc konden niet behandeld worden, en armoede leidde tot scheurbuik, want men at eenzijdig voedsel. En in de ziekenhuizen lette geen mens op hygiëne, want niemand wist hoe besmettelijke ziektes werden overgebracht. Listers vader was altijd in de weer geweest met een microscoop; hijzelf zal er, aanvankelijk tot hoon van velen, optimaal gebruik van maken.
In 1864 wees een collega Lister op een onderzoek van de Franse microbioloog en scheikundige Louis Pasteur. Deze had ontdekt dat gisting geen chemisch, maar een biologisch proces was. Bovendien had hij vastgesteld dat microben, toen ook wel 'ziektekiemen' genoemd, door stofdeeltjes worden verspreid en rotting kunnen veroorzaken. Zouden die microben de oorzaak kunnen zijn van al die ziekenhuisinfecties? Zou het niet handig zijn als artsen hun handen wasten, hun instrumenten voortdurend schoonmaakten en hun kleding, vaak onder het bloed, verversten? Hij stelde dankzij zijn microscoop vast dat deze bacteriën in wonden zaten. Hoe vernietig je ze? Met carbolzuur (fenol) ontdekte hij. In 1867 publiceerde hij zijn onderzoek in het gezaghebbende tijdschrift The Lancet.
Originele geesten met splinternieuwe ideeën, die rotsvaste opvattingen omkegelen, worden verguisd. Zo ook Lister. Maar na jaren van strijd worden zijn inzichten erkend. Hij krijgt de erkenning en de roem die daarbij hoort, al zat hij daar niet op te wachten, want Lister was een bescheiden man. In 1877 benoemt men hem tot hoogleraar klinische heelkunde aan het prestigieuze King's College in Londen. Zijn theorieën en technieken worden overal geaccepteerd en ingevoerd; elke medische student wil bij hem college lopen. Hij wordt geridderd en mag zich baronet (Sir) noemen. In 1897 wordt hij zelfs in de adelstand verheven; hij krijgt de titel Lord Lister of Lyme Regis.
Lindsey Fitzharris, De kunst van het snijden. Vertaling Herman Meester. Het Spectrum, Houten, 2018. 302 blz.
Waarom moest dat zo snel? Voor 1842 kon men niet echt goed verdoven. In speelfilms over die tijd zie je dat mensen een fles jenever of whisky overhandigd kregen, maar helpen deed dat nauwelijks. Om de patiënt zo kort mogelijk te laten lijden, was een snelle behandeling gewenst. In 1842 werd in de V.S. voor het eerst verdoofd met ether, in Europa in 1846. In een operatiezaal die gevuld was met honderden toeschouwers liet Liston als een ware acteur zijn kunsten zien, met in dit geval een jongeman die een bacteriële infectie aan zijn knie had opgelopen, zodat zijn been eraf moest. Onder de talloze belangstellenden bevond zich ook de held van deze biografie: de jonge student Joseph Lister (Upton; 1827 - 1912). Hij zal de beroemdste chirurg van zijn tijd worden, en een oplossing weten te vinden voor twee levensbedreigende medische problemen: waarom ontstaan vooral na een operatie infecties, en hoe lossen we deze kwestie op?
Voor chirurgen was er altijd werk. De industrialisatie zorgde voor ongelukken met tandwielen, kranen en stoommachines. Mannen zagen hun vrouwen als persoonlijk bezit, zodat zij geregeld mishandeld werden. Syfilis en tbc konden niet behandeld worden, en armoede leidde tot scheurbuik, want men at eenzijdig voedsel. En in de ziekenhuizen lette geen mens op hygiëne, want niemand wist hoe besmettelijke ziektes werden overgebracht. Listers vader was altijd in de weer geweest met een microscoop; hijzelf zal er, aanvankelijk tot hoon van velen, optimaal gebruik van maken.
In 1864 wees een collega Lister op een onderzoek van de Franse microbioloog en scheikundige Louis Pasteur. Deze had ontdekt dat gisting geen chemisch, maar een biologisch proces was. Bovendien had hij vastgesteld dat microben, toen ook wel 'ziektekiemen' genoemd, door stofdeeltjes worden verspreid en rotting kunnen veroorzaken. Zouden die microben de oorzaak kunnen zijn van al die ziekenhuisinfecties? Zou het niet handig zijn als artsen hun handen wasten, hun instrumenten voortdurend schoonmaakten en hun kleding, vaak onder het bloed, verversten? Hij stelde dankzij zijn microscoop vast dat deze bacteriën in wonden zaten. Hoe vernietig je ze? Met carbolzuur (fenol) ontdekte hij. In 1867 publiceerde hij zijn onderzoek in het gezaghebbende tijdschrift The Lancet.
Originele geesten met splinternieuwe ideeën, die rotsvaste opvattingen omkegelen, worden verguisd. Zo ook Lister. Maar na jaren van strijd worden zijn inzichten erkend. Hij krijgt de erkenning en de roem die daarbij hoort, al zat hij daar niet op te wachten, want Lister was een bescheiden man. In 1877 benoemt men hem tot hoogleraar klinische heelkunde aan het prestigieuze King's College in Londen. Zijn theorieën en technieken worden overal geaccepteerd en ingevoerd; elke medische student wil bij hem college lopen. Hij wordt geridderd en mag zich baronet (Sir) noemen. In 1897 wordt hij zelfs in de adelstand verheven; hij krijgt de titel Lord Lister of Lyme Regis.
Lindsey Fitzharris, De kunst van het snijden. Vertaling Herman Meester. Het Spectrum, Houten, 2018. 302 blz.
12-10-2019
DE AANSLAG
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog waarschuwden voormalige verzetsstrijders elkaar al. "Vertel bij sollicitaties niet dat je in het verzet gezeten hebt. Je wordt dan namelijk niet aangenomen." Veel Nederlanders zagen hen als waaghalzen, onverantwoordelijke types, die landgenoten opofferden om hun doel te bereiken. Die kon je in je bedrijf niet gebruiken. In De aanslag, Mulisch' beroemdste roman, wordt uiteengezet hoe mensen gebukt kunnen gaan onder schuld en verantwoordelijkheid.
Haarlem, januari 1945, 's avonds rond acht uur. Aan een kade liggen vier villa's naast elkaar: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht, Rustenburg. Plotseling klinken zes scherpe knallen. Twee verzetsmensen doden de gevreesde beul en hoofdinspecteur van politie Fake Ploeg. Zijn lichaam ligt voor Nooitgedacht. De bewoners, de heer Korteweg en zijn dochter Karin, slepen het lijk weg van hun huis en deponeren het voor Buitenrust, waar hoofdpersoon Anton (12 jaar) woont, met zijn ouders en broer Peter (17 jaar). Peter is de enige die de situatie doorheeft: de Duitsers zullen represaillemaatregelen nemen die vooral gericht zijn tegen de bewoners van het huis waar het lijk zich bevindt. Hij snelt naar buiten, pakt het pistool van Ploeg en raakt uit het zicht van Anton die zijn oudere broer staat na te kijken. Hun villa wordt in brand gestoken, zijn ouders en broer gedood; op zijn twaalfde is Anton wees. Een oom en tante ontfermen zich over hem. Jarenlang zal Anton zijn frustraties trachten te verwerken door nergens over te praten en niet op onderzoek uit te gaan, maar het toeval (of het noodlot) wil dat hij in een bestek van zo'n dertig jaar te weten komt wat er zich op die avond nu precies afgespeeld heeft.
"Schuld", verklaarde Mulisch in één van zijn vele interviews, "noem je dat wat niet goed is, over schuld gaan we praten als er gestraft moet worden. Schuld en verantwoordelijkheid moet je uit elkaar houden." Want voor verantwoordelijkheid geldt dat je rekenschap moet afleggen van je daden; bij schuld is dat niet het geval. De schuldige moet met zichzelf in het reine zien te komen. Wie in deze roman treft dat lot?
Om te beginnen de Duitsers, die onschuldige burgers executeerden. Vervolgens de mensen van het verzet die dat wisten, maar toch iemand als Ploeg doodden, omdat die door te martelen namen en adressen van andere verzetsstrijders te weten wilde komen. De heer Korteweg voelt zich zó schuldig, dat hij met dochter Karin helemaal naar de andere kant van de wereld, Nieuw - Zeeland, verhuist. Karin zelf was het liefste meteen doodgeschoten, vertelt ze veel later.
Moesten de verzetsmensen na de oorlog niet verantwoording afleggen voor hun daden? Verzetsman Cor Takes doet dat tegenover Anton Steenwijk. Het was oorlog, Ploeg had al zoveel slachtoffers gemaakt, door stom toeval lag hij voor jullie huis, wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. De Duitsers dus. Mulisch spreekt geen oordeel uit; de lezer moet zelf maar beslissen.
Ergens heeft Harry Mulisch eens verzucht: "Hoe meer ik van de Tweede Wereldoorlog af weet, hoe minder ik ervan begrijp." Dat geldt ook voor Anton Steenwijk, en uiteindelijk ook voor de lezer. Aan het slot weet Anton alles, zijn frustraties kan hij loslaten, als een, min of meer, bevrijd man loopt hij in de grote antikernwapenbetoging van 1981. Een van de velen nu, opgelucht. Maar van begrijpen is geen sprake. Waartoe mensen in staat zijn, wat hen drijft, waarom ze het kwaad omarmen: het is raadselachtig, niet te bevatten, volstrekt absurd.
Harry Mulisch, De aanslag. Eerste druk 1982,61ste druk oktober, 1917. 256 blz.
Sander Bax, De Mulisch Mythe. Amsterdam, 2015.
Haarlem, januari 1945, 's avonds rond acht uur. Aan een kade liggen vier villa's naast elkaar: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht, Rustenburg. Plotseling klinken zes scherpe knallen. Twee verzetsmensen doden de gevreesde beul en hoofdinspecteur van politie Fake Ploeg. Zijn lichaam ligt voor Nooitgedacht. De bewoners, de heer Korteweg en zijn dochter Karin, slepen het lijk weg van hun huis en deponeren het voor Buitenrust, waar hoofdpersoon Anton (12 jaar) woont, met zijn ouders en broer Peter (17 jaar). Peter is de enige die de situatie doorheeft: de Duitsers zullen represaillemaatregelen nemen die vooral gericht zijn tegen de bewoners van het huis waar het lijk zich bevindt. Hij snelt naar buiten, pakt het pistool van Ploeg en raakt uit het zicht van Anton die zijn oudere broer staat na te kijken. Hun villa wordt in brand gestoken, zijn ouders en broer gedood; op zijn twaalfde is Anton wees. Een oom en tante ontfermen zich over hem. Jarenlang zal Anton zijn frustraties trachten te verwerken door nergens over te praten en niet op onderzoek uit te gaan, maar het toeval (of het noodlot) wil dat hij in een bestek van zo'n dertig jaar te weten komt wat er zich op die avond nu precies afgespeeld heeft.
"Schuld", verklaarde Mulisch in één van zijn vele interviews, "noem je dat wat niet goed is, over schuld gaan we praten als er gestraft moet worden. Schuld en verantwoordelijkheid moet je uit elkaar houden." Want voor verantwoordelijkheid geldt dat je rekenschap moet afleggen van je daden; bij schuld is dat niet het geval. De schuldige moet met zichzelf in het reine zien te komen. Wie in deze roman treft dat lot?
Om te beginnen de Duitsers, die onschuldige burgers executeerden. Vervolgens de mensen van het verzet die dat wisten, maar toch iemand als Ploeg doodden, omdat die door te martelen namen en adressen van andere verzetsstrijders te weten wilde komen. De heer Korteweg voelt zich zó schuldig, dat hij met dochter Karin helemaal naar de andere kant van de wereld, Nieuw - Zeeland, verhuist. Karin zelf was het liefste meteen doodgeschoten, vertelt ze veel later.
Moesten de verzetsmensen na de oorlog niet verantwoording afleggen voor hun daden? Verzetsman Cor Takes doet dat tegenover Anton Steenwijk. Het was oorlog, Ploeg had al zoveel slachtoffers gemaakt, door stom toeval lag hij voor jullie huis, wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. De Duitsers dus. Mulisch spreekt geen oordeel uit; de lezer moet zelf maar beslissen.
Ergens heeft Harry Mulisch eens verzucht: "Hoe meer ik van de Tweede Wereldoorlog af weet, hoe minder ik ervan begrijp." Dat geldt ook voor Anton Steenwijk, en uiteindelijk ook voor de lezer. Aan het slot weet Anton alles, zijn frustraties kan hij loslaten, als een, min of meer, bevrijd man loopt hij in de grote antikernwapenbetoging van 1981. Een van de velen nu, opgelucht. Maar van begrijpen is geen sprake. Waartoe mensen in staat zijn, wat hen drijft, waarom ze het kwaad omarmen: het is raadselachtig, niet te bevatten, volstrekt absurd.
Harry Mulisch, De aanslag. Eerste druk 1982,61ste druk oktober, 1917. 256 blz.
Sander Bax, De Mulisch Mythe. Amsterdam, 2015.
Abonneren op:
Posts (Atom)