01-05-2026

GLOED

 Stap voor stap word je naar de ontknoping geleid. Je leest over het kasteel waar Henrik, die voortdurend 'de generaal' wordt genoemd, geboren is. De weelderige inrichting, de bossen eromheen, de dieren die daar leven. Je ontmoet zijn ouders: de vader een beroepsmilitair, de moeder een Franse barones. Al jong gaat Henrik naar de militaire academie, waar hij Konrad leert kennen: zijn boezemvriend, nee, zijn vriend voor altijd.

Omdat de verteller een absolute vakman is, zorgt hij ervoor dat elke stap wordt vergezeld door een waarschuwende toon, door onheilspellend geroffel dat, naarmate het verhaal vordert, aan kracht wint. Henrik en Konrad worden opgeleid tot officier, trekken steeds samen op, zijn onafscheidelijk. Natuurlijk verschillen ze van elkaar. Konrad houdt van muziek, trekt zich graag terug, is geen echte vechtersbaas. Henrik is dat wel, hoort vooral graag Weense walsen omdat je daar zo lekker op kunt dansen, want hij is ook nog een uitgaanstype. Maar het doorslaggevende verschil heeft een dreigende ondertoon, en u hoort nu de trommels roffelen: Konrad is van eenvoudige afkomst, zijn ouders liggen krom om zijn studie te kunnen betalen. Henrik is in luxe opgegroeid, financieel zal hij altijd onafhankelijk zijn. Natuurlijk weigert Konrad elke steun te aanvaarden.

De verteller keert terug naar het heden. Vandaag is het eindelijk zover, vertelt de generaal aan zijn 91 - jarige huishoudster die alles van haar heer weet. "Hier heb ik 41 jaar en 43 dagen op gewacht. " Ze begrijpt meteen wat haar te doen staat. Het tromgeroffel is stil gevallen, het kasteel dient in orde te worden gebracht, want de gast op wie al die jaren is gewacht, heeft zijn komst aangekondigd. Het is Konrad. Er hebben zich namelijk in het verleden dramatische gebeurtenissen voorgedaan in de levens van beiden, waar bovendien een derde bij is gekomen: Kristina, de jonge en mooie vrouw van Henrik. Zijn boezemvriend is altijd vrijgezel gebleven. Lang woonden ze bij elkaar in de buurt: het echtpaar op het kasteel, Konrad in de stad, maar vrijwel elke avond dineerde de laatste bij zijn vriend en diens vrouw. En opeens hield dat op. U hoort in de verte de trommels weer? Konrad stapte uit het leger, vertrok naar de tropen, later naar Londen. Hendrik bleef het leger trouw.

Wat is er gebeurd, 41 jaar en 43 dagen geleden? Welke vragen wil de generaal stellen? Onheilspellende muziek op de achtergrond is niet meer nodig. Antwoorden wil de generaal hebben, en de lezer met hem.

Terwijl hij in lange monologen, de specialiteit van auteur Sándor Márai, het verleden oprakelt, snijdt de generaal ook zo iets onvermijdelijks als de zin van het bestaan aan. "Denk jij ook dat het leven geen andere zin heeft dan de passie, die op een dag ons hart, onze ziel en ons lichaam doordringt, en dan eeuwig blijft branden tot de dood?" En dan begrijpt u, beste lezer, waarom deze geweldige psychologische roman, die leest als een thriller, Gloed heet. Zelden zo'n treffende titel gezien.

Sándor Márai, Gloed. Vertaling Mari Alfóldi. Eerste uitgave 1942. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2000; 155 blz.








DE GRAVIN VAN PARMA

 Over Sándor Márai heb ik het tot dusver nog niet met u gehad, maar daar komt verandering in, want die man verdient aandacht. Geboren in 1900 in het Hongaarse plaatsje Kassa, opgegroeid in een welgesteld burgerlijk milieu, belandt hij na enkele universitaire studies in de wereld van het woord. Hij vertaalt (Kafka!), werkt voor de Frankfurter Zeitung en publiceert vanaf  1929 romans, verhalen, essays. In 1948 ontvlucht Márai Hongarije, woont in verschillende landen, om zich uiteindelijk in 1979 blijvend in de Verenigde Staten te vestigen.

Omdat hij gedurende zijn omzwervingen toch in het Hongaars bleef publiceren, bereikt hij slechts een klein publiek, ook al omdat zijn werk lang niet in zijn vaderland uitgegeven mocht worden. Dat veranderde kort na zijn dood in 1989. Toen verscheen zijn roman Gloed weer in het  Hongaars, waarna er in 1998 een Italiaanse vertaling verscheen, die door de critici alom geprezen werd. In 1999 was er de Frankfurter Buchmesse, waar de Duitse literatuurpaus Marcel Reich - Ranicki deze roman op tv nadrukkelijk prees. Sindsdien zien de kenners Márai als een belangrijk Europees schrijver.

En nu De gravin van Parma. Márai laat zich voor zijn hoofdpersoon inspireren door Casanova, die op 31 oktober 1756 op spectaculaire wijze uit de Piombi- gevangenis van Venetíë wist te ontsnappen. Hij geeft hem dan ook de voornaam Giacomo, gebruikt de ontsnapping, maar fantaseert er vervolgens lustig op los.

Zijn Giacomo heeft  een ruw, weinig aantrekkelijk gezicht: grote neus, smalle lippen, spitse kin, hoekige kaak. Hij is betrekkelijk klein, gedrongen, met brede, potige handen. Inderdaad, wat zien de vrouwen eigenlijk in hem? Een onbetrouwbare kaartspeler is hij, een rokkenjager, een avonturier. Er is echter één verlangen dat hem drijft: de ware te vinden, die ene vrouw die hem gelukkig maakt. De liefde en het lot dat de mens voortjaagt, dat is het leven. Nu hij veertig is, begint hij te begrijpen.

Nog steeds op de vlucht, verschuilt hij zich in Bolzano. Daar krijgt hij te horen dat zijn aartsvijand, de machtige graaf van Parma, hem wil spreken. Eens hebben ze een duel uitgevochten om Francesca, toen vijftien jaar, een gravinnetje uit Toscane. Hij werd kansloos door de veel oudere graaf verslagen; zwaargewond lag hij geruime tijd in een hospitaal. Drie jaar later trouwde ze met de graaf. En nu wil die met een voortvluchtige gevangene in gesprek?

De nu al boeiende roman bereikt zijn hoogtepunt. Er volgen drie uitgebreide, literair hoogstaande, monologen. De eerste is van de graaf, die uitgebreid vertelt dat hij Giacomo minacht, maar toch ook wel weer waardeert; vervolgens legt hij uit dat hij Francesca hartstochtelijk liefheeft. Aan het slot verzoekt, nee beveelt hij Giacomo bijna, iets waar deze verbijsterd op reageert, en de lezer kan zijn ogen ook nauwelijks geloven. Meent de graaf dat nu echt?

De tweede monoloog is van Francesca, die inderdaad haar vroegere minnaar komt opzoeken. Ze verklaart dat ze al die jaren hartstochtelijk van hem heeft gehouden en dat zal blijven doen. Ook zij heeft een dringend verzoek voor hem. Giacomo en de lezer staren vol verwarring voor zich uit.

Tot slot is Giacomo aan het woord. Hij wilde toch eens schrijver worden? In een brief aan de graaf, waarin ook ingegaan wordt op het verzoek van Francesca, laat hij beiden weten of hij hun voorstellen zal inwilligen. 

Intrigerend, nietwaar? Meeslepend, spannend, boeiende hoofdfiguren, leuke schildering ook van de tweede helft van de achttiende eeuw. Zullen we dus een volgende keer Gloed maar doen?

Sándor Márai, De gravin van Parma. Uit het Hongaars vertaald door Margreeth Schopenhauer. Oorspronkelijk uitgave in 1940. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2005. 254 blz.