16-03-2026

EEN VROUW EN HAAR MINNAARS

 Denise heeft veel van de mannen gehouden, en daarmee begon ze al vroeg. Als meisje werd ze een 'jongensgek' genoemd; als jonge vrouw wisselde ze zeer geregeld van vriend; als echtgenote vond ze het heerlijk om door een hitsige man in een hoek gedrukt te worden. Inderdaad, monogamie was niet aan haar besteed. Haar echtgenoot legde haar geen strobreed in de weg. Hem kon ze alles wijsmaken. Dat ze een klassieke film wilde zien in het filmhuis, een lezing wenste bij te wonen in de bibliotheek, naar een concert ging in de schouwburg. Omdat haar man cultureel buitengewoon onontwikkeld was en dus nauwelijks wist waar al die cultuurtempels lagen, knikte hij haar afwezig toe en sloeg zijn krant open. Nooit zei ze dat ze van plan was een vriendin op te zoeken. Hij wist dat ze die niet had.

Op haar vijfenveertigste had Denise haar droom verwezenlijkt. Ze beschikte over drie minnaars, die elk hun eigen dag toegewezen kregen: Sjaak de zondag, Gerard de woensdag, John de zaterdag. Ik zal ze alle drie voor u tegen het licht houden.

Sjaak was zestien jaar jonger, en dat straalde hij ook uit: zwarte krullen, borsthaar, gebruind, gespierd, helaas een kop kleiner dan Denise. Praten deden ze niet zoveel, maar ze zaten wel voortdurend aan elkaars lichaam. Gerard was natuurlijk heel anders, want Denise streefde nadrukkelijk naar afwisseling. Met Gerard had ze een intellectueel in huis. Hij las de kwaliteitskranten, volgde de nationale en internationale literatuur, kon haar de politieke toestand in de wereld uitleggen, die ze ook begreep, want dom was ze niet. Ze kon dus met hem pronken in voornaam gezelschap; ook uiterlijk, want hij stak qua lengte boven iedereen uit, en bleef slank. De seks? Meer dan u denkt.

Maar het hoogtepunt - in alle opzichten - van de week was en bleef de zaterdag. John! Ongeveer vijftien jaar ouder, en uiterlijk eigenlijk een onaantrekkelijke man. Kalend, gezet, onderkin, kromme benen, want hij had vroeger gevoetbald. Cricket was beter geweest, maar je kunt niet alles hebben. En toch, hij had wat voor vrouwen. Ze begonnen altijd wat te giechelen als hij binnenkwam, aan hun haar te frutselen, voorzichtig omkijkend waar hij nou bleef. Maar hij kwam voor Denise en die liet hem niet aan een ander over, want ze was gek op hem.  Zijn zachte stem, zijn humor, zijn talent om juist die vragen te stellen waar een vrouw graag een antwoord op wil geven...het zal allemaal een rol gespeeld hebben. In haar gedachten bleef ze voor en na de zaterdag met hem bezig. 

U denkt nu aan een happy end, zoals Hollywood dat zo goed kan: ze krijgt van elke man een kind, ze kopen gezamenlijk een groot huis, de minnaars sluiten vriendschap, en met zijn zevenen leefden ze nog lang en gelukkig. Nee, dus. Denise heeft het me allemaal verteld, want we hebben geen geheimen voor elkaar. Zij was mijn vrolijke buurmeisje, ik die jongen die altijd las. De man die de neergang inzette, was haar echtgenoot.

Hij had al die jaren wel degelijk wat doorgehad, maar door een cocktail van verliefdheid, gemakzucht en hoop op haar terugkeer niets willen doen. Hij wenste een snelle scheiding, Denise raakte humeurig en verward door die plotse ontwikkeling, met als gevolg dat Sjaak met de noorderzon vertrok. Nooit heeft ze meer iets van hem gehoord.

Toen ze op dit punt in haar verhaal aanbeland was, viel me iets op. Ze kleedde zich nog steeds voortreffelijk, haar kapsel was volgens de laatste mode en zichzelf opmaken lukte ook. Ze was nu echter wat smaller in het gezicht, de rimpels konden niet helemaal weggewerkt worden, en had ze vroeger niet wat dikker haar? Ouder worden? Hoe staat Denise daar tegenover? Terwijl ik het haar vroeg, viel het me op dat haar ogen nog even flitsend en levendig waren als vroeger.

"Ach, weet je wat het was? Gerard en John bleven over, maar dat was ook zo spannend niet meer. Ze kwamen wat later, gingen eerder naar huis, en weet je wat zo gek was? Het kon me niet schelen. Die twee hebben me wel veel kennis bijgebracht, schrijvers genoemd, filmtitels doorgegeven. Ik lees veel, bezoek tentoonstellingen, ga naar concerten. Ik heb die kerels niet meer nodig. Ach, alles in het leven is tenslotte eindig."

02-03-2026

JEKYLLE EN HYDE

Auteur  Robert Louis Stevenson (Edinburgh; 1850 - 1894) leidt je als lezer rond door het Londen zoals hij dat zelf gekend heeft: mistig, kil en Victoriaans streng. Zijn hoofdpersoon, advocaat Utterson, past goed in die tijd. Wat stuurs, altijd in de plooi, afgemeten pratend, terughoudend van aard. Zijn goede vriend Enfield, een zakenman, is al even beheerst en ingetogen. Betrouwbare, maar saaie mannen dus, tevreden met de wereld waarin ze leven. Vrouwen spelen geen rol.

Daarom weten ze totaal geen raad met de vreemde gedragingen van een andere gemeenschappelijk vriend: Henry Jekylle. Deze is arts, maar ook geïnteresseerd in allerlei vormen van wetenschap. Tot Uttersons ontsteltenis heeft hij een testament opgesteld ten behoeve van ene meneer Edward Hyde, en dat gedeponeerd bij Utterson. En wie is Hyde?

Een kleine, angstaanjagende, uiterst onaangename man, die zeer agressief kan optreden en kennelijk op vriendschappelijke voet staat met Jekyll, want deze heeft zijn bedienden de opdracht gegeven Hyde te allen tijde toegang te verlenen tot zijn huis. Daar komt voorlopig een einde aan als Hyde een jaar later sir Danvers Carew vermoordt, een vooraanstaand parlementslid. Hyde is spoorloos. Utterson bezoekt Jekylle. die nadrukkelijk bevestigt dat hij definitief met Hyde heeft gebroken. Voor het vinden van de moordenaar wordt een beloning van enige duizenden ponden uitgeschreven.

Maar het blijft geheimzinnig rond Jekylle. Hij trekt zich vaak terug, wenst geen bezoek. Een oude, gemeenschappelijke vriend, Lanyon, stuurt Utterson een brief die hij pas mag openen als Lanyon gestorven is: het vermoeden bij Utterson en de lezer rijst dat dit alles met Jekylle te maken heeft. Veel wordt duidelijk als een bediende van Jekylle vraagt of Utterson langs wil komen. Bij een inspectie in diens werkkamer treffen ze een afscheidsbrief aan, samen met een document waarin hij alles uitlegt. Twee brieven, één van Lanyon en de ander van Henry Jekylle ronden deze spannende en wijze novelle af.

 Waar gaat The Strange Case of Dr Jekylle and Mr Hyde nu eigenlijk over? Wat is er zo wijs aan? Al jong raakt Jekylle geobsedeerd door de gedachte dat de mens een gespleten persoonlijkheid heeft: het goede én het kwade heersen in hem. Hij kende zichzelf goed genoeg om de ene keer vol overtuiging iets schandelijks te doen, om kort daarna een weldaad te verrichten. Zou er misschien een middel te vinden zijn om één van die twee op te roepen? Na jarenlang in zijn laboratorium proeven genomen te hebben, waagt hij het erop. Hij fabriceert een drankje en drinkt. Als de heftige pijnen langzaam verdwijnen, stijgt een gevoel van gelukzaligheid bij hem op; tegelijkertijd komt er een drang tot roekeloos gedrag naar boven, en ongewoon sensuele fantasieën.

Als hij daarna zichzelf in een spiegel bekijkt, ziet hij een gedrocht met een woeste uitstraling. Edward Hyde is geboren. Aanvankelijk kan hij zelf regelen wanneer hij Jekylle is, en wanneer Hyde. Maar als hij 's ochtends wakker wordt in de gedaante van de slechterik en hij de grootste moeite heeft om zijn goede zelf op te roepen, begrijpt hij dat het kwade in hem zal overwinnen. Na veel strijd rest hem slechts één uitweg.

U en ik beseffen dat mensen uit één stuk niet bestaan. Dat oorlogen, hongersnood, levensgevaar iemand totaal kan veranderen, zowel positief als negatief. En wie heeft er geen duister plekje in zijn ziel? Wie voelt zich heimelijk niet af en toe aangetrokken tot opwindende daden, waarvan de buren niks mogen weten? De mens zit gecompliceerd in elkaar.

In zijn eigen tijd was Stevenson een beroemdheid, in de loop van de twintigste eeuw nam zijn aanzien sterk af, maar momenteel wordt hij weer gezien als een belangrijk en invloedrijk schrijver. Befaamde auteurs als Marcel Proust, Arthur Conan Doyle, Ernest Hemingway, Vladimir Nabokov en Jorge Luis Borges prijzen hem de hemel in. Zijn grootste kracht? Je blijft je steeds afvragen hoe het afloopt.
Robert Louis Stevenson, Het vreemde verhaal van Dr. Jekylle en Mr. Hyde. Vertaald uit het Engels (maar door wie?). Rainbow, Amsterdam, 2025. 112 blz. Oorspronkelijke titel: The Strange Case of Dr. Jekylle and Mr. Hyde. (1886). 






01-02-2026

EMMA

Ik neem u mee naar het stadje Highbury, gelegen in Surrey, niet zover verwijderd van Londen. We bevinden ons in het begin van de negentiende eeuw en onze hoofdpersoon heet Emma, 21 jaar oud, knap en intelligent. Wat nog veel belangrijker is: ze stamt uit de voornaamste familie van het plaatsje, woont op een landgoed, terwijl ingewijden u kunnen vertellen dat ze, als haar vader sterft, de beschikking heeft over een vermogen van 30.000 pond. Kortom: rijk is ze ook al. 

Ze begeeft zich natuurlijk vrijwel uitsluitend onder de hooggeplaatsten in de omgeving. Die wonen allemaal op een landgoed, hebben personeel in dienst, laten zich in hun eigen rijtuig met koetsier rondrijden. Wat doen die mensen vervolgens zo'n hele dag? Men maakt uitstapjes, houdt diners thuis, gaat 's avonds kaarten, geeft elkaar taalpuzzels op. En men bestudeert elkaar, houdt ieders doen en laten goed in de gaten. Dat Emma niet getrouwd is, zelfs niet verloofd, erger nog: geen echte vriend heeft, kan altijd wel als onderwerp van gesprek dienen.

Zelf is ze daar niet zo mee bezig, want ze heeft besloten pas eventueel over een huwelijk na te denken als haar vader overleden is. Nu is hij vooral een gezellige zeurpiet, die het liefst thuisblijft en vreest dat anderen snel verkouden zullen worden. Emma tracht haar verveling te verdrijven door mensen in gedachten, maar ook daadwerkelijk, aan elkaar te koppelen. Ondanks haar intelligentie blijkt ze daar niet zo goed in te zijn. Uiteraard houdt ze het standsverschil nauwlettend in de gaten, zoals iedereen in die tijd. Afkomst en vermogen gaan voor alles. In één van haar mijmeringen heeft ze het over tweede - en derderangsburgers. 

Zijn er dan geen leuke, vermogende jongemannen in de buurt? Zeker wel. Philip Elton, de dominee, die een huwelijksaanzoek doet; George Knightley, 37 jaar, de buurman, één van de weinigen die het met haar oneens durven te zijn, want Emma heeft een scherp tongetje; Frank Churchill, een wat lichtzinnige jongeman, goede danser, muziekliefhebber, die jacht op Emma schijnt te maken. Er is trouwens ook sprake van een concurrente: Jane Fairfax. Zij heeft weliswaar geen geld, maar is intelligent, knap en charmant. George en Frank houden haar nauwlettend in het oog, wat de jaloezie bij Emma alleen maar aanwakkert, want ook zij heeft allerminst een hart van steen.

Waar gaat deze beroemde Engels roman nu eigenlijk vooral over? Zelfkennis: het duurt een hele tijd voordat je doorhebt dat je anderen verkeerd hebt ingeschat en je jezelf met je gevoelens voor de gek hebt gehouden. Mensenkennis: mensen zijn vaak alleen aardig als ze van je kunnen profiteren. Bovendien willen ze maar al te vaak jou overheersen. Houd ze maar een hele tijd op afstand!

U merkt het aan mijn toon: ik vind dit niet zo'n geweldige roman. Ondanks de scherpe waarnemingen, vakkundige karaktertekening en vloeiende stijl, staat het boek toch vol met alledaagse, wat saaie gesprekken en belevenissen en weinig boeiende hoofdpersonen. Ja, een tikkeltje vervelend eigenlijk. Oh ja, natuurlijk trouwt Emma. 
Jane Austen, Emma. Vertaling: Akkie de Jong. Oorspronkelijke druk: 1816. In Nederland: Rainbow, 2019. 541 blz. 

02-01-2026

CLAUDINE IN PARIJS

 Kort geleden zag ik de Engelse film Colette uit 2018, geregisseerd door Wash Westmoreland, met in de hoofdrol Keira Knightley. Ik had weleens van de Franse schrijfster Colette (1873 - 1954) gehoord, maar nog nooit iets van haar gelezen. De film vertelt ons het verhaal van haar eerste huwelijk en de geschiedenis rond haar Claudine - romans. Ik raakte dusdanig geboeid door haar opwindende leven en vooral de onverschrokkenheid waarmee zij de mannenwereld tegemoet trad, dat ik op zoek ging naar moderne vertalingen van haar werk. Die zijn er! De kleine uitgeverij Van Maaskant Haun heeft in Gerda Baardman een vertaalster gevonden die de vier romans met Claudine in de hoofdrol in zeer leesbaar, levendig Nederlands heeft weten om te zetten. Ze zijn alle voor een belangrijk deel autobiografisch.

Op haar zeventiende verhuist Claudine met haar vader en hun poes van het lieflijke dorpje Montigny naar het reusachtige Parijs. Pa is wetenschapper, en schrijft dikke boeken over slakken; voor het drukken en uitgeven van zijn werk is het ook eind negentiende eeuw aanzienlijk handiger om dicht in de buurt van geleerden en uitgevers te wonen. Claudine kent bij wijze van spreken slechts hun grote huis, de dierbare tuin en de dorpsschool; vader is slechts in zichzelf en zijn werk geïnteresseerd.

Hoe ziet de jeugdige Claudine eruit? Zoals elk meisje van die leeftijd mag ze zichzelf vaak  in de spiegel bestuderen, en mede dankzij de opmerkingen van oudere heren in de Parijse straten wordt het haar duidelijk dat ze er goed uitziet. Matte huid, haar met een bronzen glans, donkere, diepe ogen. Haar karakter? Ze mag zich graag met andermans zaken bemoeien, toont met voorliefde hoe slim ze is, kennis van zaken heeft op veel gebieden, snel van begrip. Een bijdehandje dus. Volwassenen op stang jagen, hun rust verstoren, ze mag het graag doen. Ze wéét dit alles, want zelfkennis bezit ze ook.

Drie personen beïnvloeden zeer nadrukkelijk haar eerste Parijse jaar. Ze ontmoet toevallig haar vroegere vriendinnetje Luce, die door haar moeder en zus verjaagd is uit het dorp en vervolgens in Parijs contact zocht met haar zestigjarige oom. Deze was bereid haar te helpen. Wat heet: ze wordt zijn maintenee, woont gerieflijk, kleedt zich opzichtig, maar  moet wel al zijn wensen inwilligen. Claudine voelt plotseling walging opkomen, als Luce trots haar verhaal vertelt. Ik ben toch een gewoon burgerlijk meisje, vindt ze zelf.

Maar de andere twee zijn mannen die je bepaald niet burgerlijk kunt noemen. De een is haar neef Marcel, van haar leeftijd, die eruit ziet als een mooi meisje en zich ook als zodanig kleedt. De term homoseksueel valt niet, maar zijn liefde voor zijn vriend wijst nadrukkelijk in die richting. Claudine en Marcel gaan al gauw vertrouwelijk met elkaar om.

De vader van Marcel, oom Renaud, is zo'n weduwnaar tot wie vrouwen van uiteenlopende leeftijd zich snel aangetrokken voelen. Lang, slank, gedistingeerd, een gebronsde huid en  donkerblond haar met grijze strepen. Veertig jaar, oud dus, maar zijn zoon fluistert haar toe dat hij telkens met andere vriendinnen op stap gaat. Tot haar aangename verrassing toont hij veel belangstelling voor haar. Hij neemt haar zelfs mee naar de schouwburg en dure restaurants...

Waarom is het zo aangenaam, zelfs vermakelijk om deze roman uit 1903 te lezen? Colette hanteert een heel natuurlijke, modern aandoende stijl, zonder uitvoerige bespiegelingen of intellectuele poespas. De roman behoort dan ook een dagboek van een zeventienjarige te zijn, en dat is uitstekend gelukt. Veel rake observaties, kenmerkende details, zintuiglijke ervaringen ook: hoe het ergens ruikt, wat de overheersende kleuren zijn in kleding of tapijt, hoe schel of warm geluiden klinken. Claudine beschikt over goedmoedige maar ook felle spot, gevoel voor humor, en staat haar mannetje als die kerels weer eens willen heersen. 

Deze roman is het tweede deel uit de Claudine - reeks. Het eerste heet Claudine op school, deel drie en vier Claudine getrouwd en Claudine vertrekt.

Colette, Claudine in Parijs. Oorspronkelijke titel: Claudine à Paris (1903). Nederlandse vertaling Gerda Baardman. Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2023. 186 blz.


CLAUDINE GETROUWD

Ik heb u al verteld hoe Claudine met haar vader in Parijs terechtkwam, daar veel heimwee had naar haar geboortedorp Montigny, vriendschap sloot met de fattige Marcel, en zo diens vader Renaud ontmoette, een charmante man van veertig. Tot haar aangename verbijstering toont hij veel belangstelling voor haar. Zeventien is ze dan.

So far, so good. Maar iets in mij zei dat u toch graag zou willen weten hoe deze affaire afliep. En eerlijk gezegd wilde ik dat ook. Ik zette Claudine in Parijs op mijn blog en begon aan Claudine getrouwd.

Een verloving van drie weken, vervolgens het burgerlijk en kerkelijk huwelijk: op haar negentiende is Claudine getrouwd met een veel oudere man op wie ze stapelgek is. Hij heeft dan ook veel mee: lang, gebronsde huid, haar met grijze strepen. Hij doet alles wat zij wil, maar hij zal zich nooit uitleveren, en een vorm van tederheid gebruiken om zijn diepste gevoelens niet prijs te hoeven geven. Ja, Claudine heeft mensenkennis.

Na een lange huwelijksreis verblijven ze enige tijd in de provincie, in haar dorp Montigny. De velden, de bossen, de oude school: de herinneringen stromen bij haar naar binnen; het platteland zal ze altijd prevaleren boven Parijs. Bovendien kan ze hier met haar vaderlijke minnaar showen. Claudine mag zich overigens graag laten kussen door aantrekkelijke schoolmeisjes. Een lesbische aanleg, waar we het nog over zullen hebben.

Terug in Parijs kan ze kiezen uit twee appartementen, die allebei in het bezit zijn van Renaud. Aan geld is nooit gebrek; hij schrijft diepgaande artikelen voor serieuze bladen, heeft een uitgebreide kennissenkring, drukt iedereen de hand die er op enigerlei wijze toe doet. En zo ontmoet Claudine Rézi Lambrook en haar man. Zij zal het leven van onze heldin voor anderhalf jaar totaal veranderen.

De voornaamste bron van haar charme zijn haar bewegingen: haar heupen, hals, de arm die ze naar haar kapsel beweegt, haar gewelfde taille: alles cirkels, cirkeltjes, spiralen, en even volmaakt. Ambergrijze ogen, lange wimpers, golvend, goudkleurig haar, en dat alles gegoten rond ronde heupen en een smalle taille. Na twee weken zijn de beide dames de beste vriendinnen. 

Rézi is heel direct. Ze vertelt dat ze mannelijke aanbidders heeft die haar vervelen, en dat geldt ook voor haar echtgenoot. In één adem door deelt ze mee dat ze zich tot Claudine aangetrokken voelt, haar mooi vindt, haar wil kussen en strelen. Wat geschrokken, gaat Claudine daar toch in mee. Een lesbische relatie is geboren. En Renaud? Hij ziet, weet, begrijpt en moedigt zelfs aan. Je zou zijn houding voyeuristisch kunnen noemen, maar ik geloof eerder dat hij zijn vrouw alle genoegens gunt waar zij prijs op stelt. En die worden steeds fysieker. De hartstocht spat ervan af.

De man van Rézi blijft constant op de achtergrond, maar Renaud duikt telkens gedienstig op. Rézi mag hem, want "hij heeft een vrouwenziel, hij begrijpt en beschermt ons samenzijn." Tegenover hem schaamt ze zich totaal niet. Met haar scherpe tong en haar overheersend karakter weet ze haast iedereen om de vinger te winden. Totdat Claudine beseft: ik ben wel jaloers, maar toch hou ik niet van haar.

Wanneer de wereldwijze zoon van Renaud haar voorzichtig waarschuwt, gebeurt er iets wat u verrast, maar eigenlijk ook wel aan zag komen. En dan is er voor Claudine maar één uitweg mogelijk: in haar eentje terug naar het paradijselijke Montigny, waar haar vader zich inmiddels weer gevestigd heeft. Daar begon de roman toch ook mee?

Met behulp van geuren en kleuren weet de schrijfster sfeer op te roepen en personen te karakteriseren. Zo snuift Claudine "de geur van blonde tabak, lelietjes - van -dalen en een vleugje Russisch leer op die altijd in Renauds kleren en in zijn lange snor hangt." En: "...sla ik een arm om dat kleine stille meisje heen, dat naar het cederhout van potloden en sandelhout van waaiers ruikt." Hoe iedereen gekleed is, hoe de woningen ingericht zijn, de manier waarop mensen zich bewegen, de zorgvuldige beschrijvingen van allerlei gevoelens: hier is een zeer getalenteerde schrijfster aan het woord, die vooral door vrouwen zeer gewaardeerd zal worden.

Er rest ons nog één roman uit deze reeks, namelijk Claudine vertrekt. U hoort nog van mij.

Colette, Claudine getrouwd. Vertaald door Gerda Baartman. Oorspronkelijke titel: Claudine en ménage. (1902). Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2024. 198 blz. 


 


01-12-2025

DE DOOD IN VENETIË

Als Katia, de vrouw van Thomas Mann (Lübeck, 1875 - 1955), tijdens een vakantie in Venetië ziet hoe haar man voortdurend gefascineerd naar een Poolse jongen staart, begrijpt ze dat haar huwelijk met de beroemde Duitse schrijver vooral toneelspel zal zijn. Haar man wilde niet uit de kast komen, omdat hij vreesde dat deze bekentenis het einde van zijn schrijverschap zou inhouden. Thomas Mann zal in Der Tod in Venedig (1912) voor het eerst openlijk over homoseksuele liefde schrijven.

Hij geeft in deze novelle ook het een en ander over zichzelf prijs, en wel in de hoofdpersoon Aschenbach: een wat oudere, beroemde schrijver, getrouwd, één dochter, die ontevreden is over zichzelf, onrustig rondreist, en uiteindelijk in Venetië terechtkomt. Aftakeling, vergane schoonheid, in de volkswijken een bedompte lucht: eigenlijk wil Aschenbach weer snel weg uit de stad. Hij heeft juist behoefte aan een opbeurende omgeving, want hij is moe, het werk wil maar niet vlotten, hij piekert over schoonheid en kunstenaarschap. Gedisciplineerd aan de slag, elke dag werken volgens een vast tijdschema, zo doet hij dat al jaren. Maar behalve  wilskracht bestaat er toch ook passie, hartstocht, een spontane inval? Waar geef je de voorkeur aan? Valt het een en ander met elkaar te combineren? 

's Morgens zittend aan het strand, peinzend en wachtend op inspiratie, ziet hij hem. Een jongen van onbeschrijflijke schoonheid, "mooier dan zegbaar was", zo'n veertien jaar oud. Alles aan hem klopt. Hij blijkt te behoren tot een Poolse familie, en heet Tadzio.  Aschenbach zal hem dagenlang bekijken, hem en zijn familie volgen, nooit aanspreken, slechts in de verte aangapen. De familie heeft het door, probeert Aschenbach te ontwijken, maar hij blijft desnoods urenlang wachten om de schone jongeling weer terug te zien. Hij fluistert: "Ik houd van je"; de verteller gebruikt termen als 'verliefd' en 'minnaar'. 

Allemaal waar, maar waarschijnlijk is er meer: terugverlangen naar de jeugd. Hij voelt zich oud, de inspiratie druppelt moeizaam naar binnen, grote ideeën en omvangrijke werken lijken onbereikbaar. Bovendien dwaalt de dood door Venetië. Er is sprake van giftige dampen, toeristen die wegtrekken en mensen die plotseling sterven. Cholera! Maar het stadsbestuur bezweert dat er niets aan de hand is. Aschenbach begrijpt dat hij moet vertrekken, maar dan zal hij Tadzio niet meer zien. Beter nog: hij moet de familie, die kennelijk niets in de gaten heeft, waarschuwen. Zijn hartstocht overwint: hij waarschuwt helemaal niemand, en blijft. De dood sluipt naderbij.

Deze beroemde novelle is op allerlei manieren toegelicht en geanalyseerd. Thomas Mann filosofeert, via zijn hoofdpersoon en met hulp van o.a. Plato, over schoonheid en kunstenaarschap, en doet zijn uiterste best juist in deze vertelling alles op zijn allermooist uit te drukken: lange gebeeldhouwde zinnen, perfecte woordkeus, zorgvuldig gekozen beeldspraak. Wat míí echter zal bijblijven, is het beeld van de beroemde oude man, die volledig in de ban is van een blonde jongen met grijze ogen, en hem obsessief achtervolgt. Hij jaagt zijn jeugd achterna, net als de lezer heel goed wetend hoe zinloos dat is. 

Thomas Mann, De dood in Venetië. Vertaling Hans Hom, met een nawoord van Guido Snel. Arbeiderspers, Amsterdam, 2019. 150 blz. Oorspronkelijke titel: Der Tod in Venedig (1912). 

16-11-2025

LEVEN BINNEN DE ITALIAANSE MAFFIA

Op 13 maart 2008 las de advocaat van Francesco Bidgonetti, één van de machtigste criminele bazen van Italië, tijdens het hoger beroep van het Spartacusproces een verklaring voor, waarin auteur Roberto Saviano aangeraden werd op te houden met zijn speurwerk. Hij had namelijk met zijn internationale succes Gomorra in 2007 ondubbelzinnig aangetoond hoe Napels in de loop van de jaren in de handen van de camorra gevallen was. Sindsdien  leeft Saviano in het verborgene. Hij is zijn vrijheid kwijt, maar dat heeft hem niet belet om in 2024 met een tweede boek zijn omvangrijke kennis van de Italiaanse maffia te etaleren.  

Daarvoor sprak hij met betrokkenen, las hij getuigenverklaringen, controleerde hij verhalen die over de onderwereld de ronde deden. Wat mij deugd deed, is dat Saviano ook Joe Pistone interviewde. Pistone is de undercoveragent die onder de naam Donnie Brasco zes jaar lang succesvol infiltreerde in machtige New Yorkse maffiafamilies. Ook hij is ondergedoken; een goed boek en een beroemde film geven u een betrouwbaar beeld van de maffiawereld waarin hij verkeerd had.

In Wij tweeën horen bij elkaar legt Saviano ons uit hoe het gezinsleven functioneert binnen de Italiaanse maffia. Wat zijn de regels, welke codes worden gehanteerd, waar moet je als bendelid op letten? Voor allen geldt: pleeg nooit een aanslag als er een kind in de buurt is. Er zijn ook verschillen.  De Cosa Nostra (Sicilië) vindt een rokkenjager als boss onbetrouwbaar; zo'n man is niet in staat een overeenkomst na te leven en zijn mannen eerlijk te leiden. Hij behoort ook niet te roken en te drinken. Bij de camorra ( rond Napels) moet de baas trouw bewijzen aan zijn familie, maar hij moet ook tonen dat hij het leven kent, ervan kan genieten. Men ziet hem dan als een echte leider. Wanneer hij echter fysiek aftakelt, gaat hij zijn gezag verliezen. Ook de trouwste onderdaan loert op het geschikte moment om de plaats van zijn baas in te nemen. 

In het huwelijk is niet de echtgenote de centrale figuur, maar altijd de man. De vrouw wordt gezien als koopwaar. Vaak wordt ze door de ene boss aan de andere afgestaan om bondgenootschappen te bevestigen en gebiedsuitbreidingen voor te bereiden. Trouwen met een burgermeisje heeft als voordeel dat je bezittingen op haar naam kunt laten zetten. Voor Cosa Nostra is de enige wezenlijke taak van de vrouw: kinderen krijgen. En geen meisjes, jongens. Een zoon biedt de mogelijkheid om de macht te erven en later de vader te vervangen. Een maffioso zonder erfgenaam loopt gevaar, en zijn vrouw ook. Hij kan geen boss blijven, omdat hij zijn macht niet kan behouden. Aan een dochter heb je helemaal niets. 

Vaders, broers, soms ook neven houden de vrouw van een maffioso nauwlettend in de gaten. Als zij niet echt lekker meewerkt, als ze zelfs probeert een ander leven op te bouwen, dan treden ze nadrukkelijk op. De eerbaarheid, dus de zaken, dus de inkomsten  staan op het spel. Een vrouw die meerdere minnaars heeft, schaadt het aanzien van haar man. Hoe onmannelijk is hij wel niet als zijn echtgenote anderen nodig heeft! 

Ongeschreven wetten, erecodes, regels: wanneer je als bendelid in de fout gaat, word je niet alleen opgejaagd en gedood, de vreselijkste martelingen, ook van je familieleden, gaan eraan vooraf. Maffiosi die praten met de politie, zijn mensen die wraak willen nemen. Vanwege de minachting, het bedrog, de vernederingen die ze hebben moeten ondergaan, willen ze zich wreken, om vervolgens na hun vrijlating een andere identiteit aan te nemen.

Aan het slot wendt de auteur zich tot de lezer. Heeft hij ook zoveel afschuw gevoeld tijdens het lezen van zijn boek? Dat heb ik inderdaad. Die gruwelijke moorden, die vreselijke martelingen, dat meedogenloze geweld, ook tegenover vrienden en familieleden, om het geld, de eer, de macht: zo wreed kan een mens blijkbaar zijn. 
Roberto Saviano, Wij tweeën horen bij elkaar. Vertaling Jan van der Haar. Het Spectrum, Amsterdam, 1925. 253 blz.