Gerrit kende niemand die zo goed tegenslagen kon verwerken als Arthur. Ze hadden bij elkaar in alle klassen van de basisschool gezeten, waren beiden misdienaar geweest, speelden jaren in de jeugdelftallen van de plaatselijke amateurvoetbalclub. Rond hun twintigste stonden ze schouder aan schouder in de populaire cafés, dus Gerrit wist wat er in Arthurs leven misging en hoe hij daarop reageerde.
Zo kon Gerrit zich Arthurs opgewekte gezicht herinneren toen hij kwam melden dat zijn vriendinnetje Mandy zwanger was. Beiden waren negentien, studeerden nog, maar Arthur straalde bij de gedachte vader te zullen worden. "Ik hoop op een jongen", nam hij Gerrit in vertrouwen terwijl ze zijn armzalige flat bezichtigden. "Gezellig, hè? " vroeg hij glimlachend, en Gerrit wist dat hij het meende.
Die tevredenheid met alles wat het leven hem schonk, bleef Arthur altijd behouden. Toen hij ten onrechte ontslagen werd, verheugde hij zich op de sollicitatiegesprekken, die volgens hem altijd gunstig verliepen. Zijn vrouw kreeg borstkanker en hij was de enige die zeker wist dat de behandeling zou aanslaan, zodat niemand zich zorgen hoefde te maken. Als weduwnaar speelde hij met welbehagen moeder en vader, en dankzij zijn enthousiasme was de jonge Emilie bereid zijn tweede vrouw te worden.
Nadat zij enkele jaren later van hem scheidde, had hij het echt zwaar. Vrienden, de biljartclub en de carnavalsvereniging steunden hem, zijn jongste zoon bleek een begaafde voetballer te zijn, dus het leven werd weer leuk. Hij drukte overal handen, klopte op schouders en bezocht oudere eenzamen, want verdriet kon hij niet verdragen.
Toen hij met een ongeneeslijke ziekte werd opgenomen in het ziekenhuis, berustte hij snel. " Het leven was goed voor mij", placht hij tegen het bezoek te zeggen. Zat daar iemand bij die het zichtbaar moeilijk had, dan troostte hij hem of haar. Met een glimlach om de lippen sliep Arthur uiteindelijk in. Als er een hemel bestaat, dan zal hij de engelen vertellen dat het bij hen onmogelijk net zo leuk kan zijn als daar beneden.
24-08-2019
10-08-2019
DE BROERS KARAMAZOV
Sommige vaders zijn een ramp. Neem nu Fjódor Pávlovitsj Karamazov. Hij heeft drie zoons en mogelijk nog een bastaardzoon. Zijn kinderen liet hij op het achtererf opgroeien en hij keek verder niet naar ze om. Geboren als edelman, begon hij zijn carrière als straatarme uitvreter, wist zich dankzij een toevallig kapitaaltje op te werken van kleine schurk tot een woekeraar van enige importantie. Nu, als oude man, een vrouwenjager, een drinkebroer, een onverbeterlijke egoïst. Wat hebben zijn zoons, de broers Karamazov, van hem meegekregen?
Dmitri is de oudste. Opgeleid tot officier in het leger wordt hij vanwege zijn onstuimige gedrag een tijdlang naar een grensstadje verbannen, waar hij zijn geld verbrast, zodat hij zijn vader om geld smeekt. Als hun moeder sterft, betaalt pa hem te weinig van de erfenis uit, vindt Dmitri. Eenmaal terug in hun dorp Skotoprigonjevesk (niet opzoeken, bestaat niet) spreekt hij zijn vader daar nadrukkelijk op aan. We leven in Rusland, 1866, eind augustus tot begin november. In die periode heeft de hitsige, driftige, hartstochtelijke Dmitri nog een ander appeltje met zijn vader te schillen. Beiden zijn uitzinnig verliefd op Gróesjenka, 22 jaar, een blozende, mollige, Russische schoonheid, ongenaakbaar als het moet, een femme fatale als ze daar zin in heeft.
Ivan is de middelste en de intelligentste. Hij is nu 23 jaar, en net zo'n ruziezoeker als zijn oudste broer en zijn vader. Toch een ontwikkeld man, een op het westen gerichte vrijdenker, die niet in God gelooft, maar de overtuiging huldigt: als God niet bestaat, is alles geoorloofd en valt dus het onderscheid tussen goed en kwaad weg. Een mening die grote droefheid veroorzaakt bij de enige beminnelijke, beheerste, haast engelachtige Karamazov: Aljosja. Hij is negentien, heeft enige tijd in een Russisch - orthodox klooster gezeten, maar op verzoek van een oudere monnik en biechtvader uitgetreden 'om het leven te leren kennen'. Hoofdschuddend, geregeld voor hen biddend, zegt hij over zijn familieleden: " Mijn broers richten zichzelf te gronde, en mijn vader ook. En zij richten behalve zichzelf ook anderen te gronde."
Blijft over de vermoedelijke bastaardzoon: Smerdjakóv. Hij heeft tot taak allerlei simpele, huishoudelijke karweitjes bij pa Karamazov op te knappen. Hij blijkt een goed mensenkenner te zijn, voelt zich broer met de broers, maar dat is niet wederzijds en daarom wordt hij kwaadaardig, wraakzuchtig en jaloers. Smerdjakóv lokt Ivan in een val, uitroepend: "U heeft mij toch al uw hele leven als niet meer dan een vlieg beschouwd, niet als een mens."
Dat er in dit explosieve milieu een moord gepleegd wordt, zal geen verbazing wekken. Alleen: wie heeft het gedaan? Er zijn geen getuigen, wel mensen die iets gehoord en gezien hebben. Op basis daarvan gaan de officier van justitie en een advocaat uitvoerig met elkaar in debat, waarbij ze uitgebreid psychologiseren en fantaseren. Dostojevski weet overtuigend twee diametraal tegenover elkaar staande pleidooien weer te geven, waarbij hij het juridische taaleigen van de advocaat en de officier van justitie knap nabootst. En je vraagt je af: wie heeft er gelijk? En later: is er sprake van een gerechtelijke dwaling? Ook Dostojevski kan actueel zijn.
Dostojevski is trouwens sterk bezig in De broers Karamazov. Compositorisch fraai is het zoals hij de luidruchtige hoofdintrige (de Karamazovs) afwisselt met verstilde gedeeltes over het kloosterleven, en de tragiek van het jongetje Iljoesja (hier laat hij zien dat hij van Dickens houdt) afzet tegen de spanning over de rechtszaak van Dmitri.
Dostojevski zou Dostojevski niet zijn als hij zijn geloofsovertuiging zou verzwijgen. Bij hem is de liefde een kracht die uit God voortkomt. In de Russisch - orthodoxe Kerk betekent dit dat de liefde een middel is om van jezelf los te komen, zodat je je kunt verenigen met de mensheid en met God. Zo zou een zondeloos bestaan al tijdens je leven, als monnik bijvoorbeeld, mogelijk kunnen worden. Ook daarover laat de auteur de broers debatteren.
En ja, natuurlijk is dit een roman vol extatische taferelen. Dat is het verwijt dat Dostojevski altijd gemaakt wordt. Zijn personages brullen, schelden, wentelen zich vol woede of verdriet over het tapijt, delen kaakslagen uit, haten of beminnen elkaar met de grootst mogelijke hartstocht. Zulke types ontmoet je uiterst zelden in het alledaagse leven; dus goed dat we Fjodor hebben.
Fjodor Dostojevski, De broers Karamazov. Vertaling Arthur Langeveld. Van Oorschot, Amsterdam, 2014. 966 blz.
Dmitri is de oudste. Opgeleid tot officier in het leger wordt hij vanwege zijn onstuimige gedrag een tijdlang naar een grensstadje verbannen, waar hij zijn geld verbrast, zodat hij zijn vader om geld smeekt. Als hun moeder sterft, betaalt pa hem te weinig van de erfenis uit, vindt Dmitri. Eenmaal terug in hun dorp Skotoprigonjevesk (niet opzoeken, bestaat niet) spreekt hij zijn vader daar nadrukkelijk op aan. We leven in Rusland, 1866, eind augustus tot begin november. In die periode heeft de hitsige, driftige, hartstochtelijke Dmitri nog een ander appeltje met zijn vader te schillen. Beiden zijn uitzinnig verliefd op Gróesjenka, 22 jaar, een blozende, mollige, Russische schoonheid, ongenaakbaar als het moet, een femme fatale als ze daar zin in heeft.
Ivan is de middelste en de intelligentste. Hij is nu 23 jaar, en net zo'n ruziezoeker als zijn oudste broer en zijn vader. Toch een ontwikkeld man, een op het westen gerichte vrijdenker, die niet in God gelooft, maar de overtuiging huldigt: als God niet bestaat, is alles geoorloofd en valt dus het onderscheid tussen goed en kwaad weg. Een mening die grote droefheid veroorzaakt bij de enige beminnelijke, beheerste, haast engelachtige Karamazov: Aljosja. Hij is negentien, heeft enige tijd in een Russisch - orthodox klooster gezeten, maar op verzoek van een oudere monnik en biechtvader uitgetreden 'om het leven te leren kennen'. Hoofdschuddend, geregeld voor hen biddend, zegt hij over zijn familieleden: " Mijn broers richten zichzelf te gronde, en mijn vader ook. En zij richten behalve zichzelf ook anderen te gronde."
Blijft over de vermoedelijke bastaardzoon: Smerdjakóv. Hij heeft tot taak allerlei simpele, huishoudelijke karweitjes bij pa Karamazov op te knappen. Hij blijkt een goed mensenkenner te zijn, voelt zich broer met de broers, maar dat is niet wederzijds en daarom wordt hij kwaadaardig, wraakzuchtig en jaloers. Smerdjakóv lokt Ivan in een val, uitroepend: "U heeft mij toch al uw hele leven als niet meer dan een vlieg beschouwd, niet als een mens."
Dat er in dit explosieve milieu een moord gepleegd wordt, zal geen verbazing wekken. Alleen: wie heeft het gedaan? Er zijn geen getuigen, wel mensen die iets gehoord en gezien hebben. Op basis daarvan gaan de officier van justitie en een advocaat uitvoerig met elkaar in debat, waarbij ze uitgebreid psychologiseren en fantaseren. Dostojevski weet overtuigend twee diametraal tegenover elkaar staande pleidooien weer te geven, waarbij hij het juridische taaleigen van de advocaat en de officier van justitie knap nabootst. En je vraagt je af: wie heeft er gelijk? En later: is er sprake van een gerechtelijke dwaling? Ook Dostojevski kan actueel zijn.
Dostojevski is trouwens sterk bezig in De broers Karamazov. Compositorisch fraai is het zoals hij de luidruchtige hoofdintrige (de Karamazovs) afwisselt met verstilde gedeeltes over het kloosterleven, en de tragiek van het jongetje Iljoesja (hier laat hij zien dat hij van Dickens houdt) afzet tegen de spanning over de rechtszaak van Dmitri.
Dostojevski zou Dostojevski niet zijn als hij zijn geloofsovertuiging zou verzwijgen. Bij hem is de liefde een kracht die uit God voortkomt. In de Russisch - orthodoxe Kerk betekent dit dat de liefde een middel is om van jezelf los te komen, zodat je je kunt verenigen met de mensheid en met God. Zo zou een zondeloos bestaan al tijdens je leven, als monnik bijvoorbeeld, mogelijk kunnen worden. Ook daarover laat de auteur de broers debatteren.
En ja, natuurlijk is dit een roman vol extatische taferelen. Dat is het verwijt dat Dostojevski altijd gemaakt wordt. Zijn personages brullen, schelden, wentelen zich vol woede of verdriet over het tapijt, delen kaakslagen uit, haten of beminnen elkaar met de grootst mogelijke hartstocht. Zulke types ontmoet je uiterst zelden in het alledaagse leven; dus goed dat we Fjodor hebben.
Fjodor Dostojevski, De broers Karamazov. Vertaling Arthur Langeveld. Van Oorschot, Amsterdam, 2014. 966 blz.
27-07-2019
EEN BIJZONDERE VRIENDSCHAP
"Zullen we bij Piet gaan zitten?" Gerrit vroeg het zijn vrouw toen ze die warme zondagmiddag een plaatsje op het terras zochten. Piet zat al vanuit de verte naar hen te zwaaien. Ze kenden hem oppervlakkig van het buurtcafé. Af en toe bezocht Gerrit, soms begeleid door zijn Ineke, de kroeg om wat te kaarten of over voetbal te praten. Piet was een wat oudere man, een weduwnaar met veel tijd die graag mensen om zich heen had en over een opgewekt humeur beschikte. Ze schoven aan, bestelden wat en begonnen, zoals dat hoort in Nederland, over het weer te klagen.
Ze praatten, lachten, discussieerden en de gesprekken werden nog geanimeerder toen de eerste pilsjes op tafel kwamen. Na enige tijd viel Gerrit iets op. Ineke lachte zo hard! Dat kwam door het bier, zeker, maar er was nog wat. Ze keek Piet zo indringend aan. Ze vond zijn grapjes zo leuk. Tot Gerrits lichte verbijstering kreeg ze zelfs kleine blosjes toen Piet haar onverwacht aansprak. En zag hij het goed? Knipoogde Piet naar haar? Gerrit kon het niet geloven. Begon het bier nu te veel te werken? Werd hij jaloers? Natuurlijk, Ineke wàs aantrekkelijk; genoeg mannelijke kennissen hadden hem in de loop der jaren gecomplimenteerd. Maar Ineke bleef onder vleiende opmerkingen en bewonderende blikken van vrienden en bekenden heel nuchter, terwijl gefluit op straat en getongklikklak van vreemden haar slechts amuseerden. Gerrit was haar man; daar hoefde niemand aan te twijfelen. En nu: blosjes, overdreven stralende lachjes? Wat moest dat? Piet was zeker vijftien jaar ouder, aan de dikke kant en al flink grijs. Gerrit begon zich op te winden.
Toen Ineke zich excuseerde en op weg naar het toilet een kennis begroette, kon Gerrit zich niet meer inhouden. Hij boog zich voorover en voegde Piet op zachte toon toe: " Zie ik dat goed? Ineke valt op jou! Hoe kan dat?"
Piet reageerde anders dan Gerrit verwachtte. Hij keek niet verbaasd, schoot niet in een daverend gelach, vroeg niet ongelovig: "Waar heb je het over?" Nee, hij keek een beetje schuw op; er lag iets van schrik in zijn ogen, terwijl hij mompelde: " Hoezo?" Kreeg hij een kleur, of verbeeldde Gerrit zich dat maar? Er viel een ongemakkelijke stilte tussen beide mannen.
Ineke schoof aan. Ze keek in het rond en vroeg verwonderd: "Wat zijn jullie zwijgzaam? Gaat het weer over voetbal? Het is toch niet zo erg dat Ajax kampioen geworden is?"
Gerrit heeft iets in de gaten", bromde Piet.
"Wat heeft hij in de gaten?"
"Van ons."
Geschrokken keek ze beurtelings haar mannen aan.
"Hoezo?"
"Dus er ìs wat tussen jullie", stelde Gerrit, kalmer dan hijzelf gedacht had, vast.
"Het is niet wat je denkt, schat."
"Dat zeggen ze allemaal, liefje. Leg het me maar eens uit."
Ineke haalde diep adem. Gerrit had het idee dat ze eigenlijk wel blij was dat ze eindelijk haar verhaal kon vertellen. "Het begon allemaal toen ik mijn eerste baan kreeg als secretaresse op een makelaarskantoor, dus lang voordat ik jou leerde kennen. Ik vond alles spannend, deed met veel plezier wat me werd opgedragen en kon van mijn salaris allerlei leuke kleren kopen. En ik werd al gauw verliefd op mijn chef. En dat was Piet."
" Ineke was een verademing", vulde Piet aan. "Ze was jong, altijd vrolijk, zong veel en liep al dansend over de afdelingen rond. En: ze zag er goed uit."
" Maar wat zag jij in godsnaam in Piet?"
Ineke keek nadenkend voor zich uit. "Hij was zo anders. Hij flirtte niet met mij, maakte geen flauwe grappen over mijn jurken, mijn kapsel, mijn make - up. Hij was serieus, zwijgzaam, veel ouder dan ik, had al wat grijze haren. Ja, wat zag ik in hem? Juist omdat hij zo verschilde van die jonge knulletjes, werd ik smoorverliefd, denk ik. Een echte vent, hè, een volwassen kerel."
Weer viel er een stilte. Iedereen was bezig met zijn eigen gedachten. Gerrit had hier nooit wat van geweten, maar waardeerde hun eerlijkheid. Het luchtte hun ook wel op, vermoedde hij.
"Jij was toen nog getrouwd?" vroeg hij aan Piet.
"Ja, en daar is onze verhouding ook eigenlijk op afgeknapt. Ik moest thuis liegen en bedriegen, en dat viel me steeds zwaarder. Ik heb mijn vrouw nooit iets verteld, ze heeft ook nooit wat vermoed. Ineke en ik besloten te stoppen."
" Ik heb ontslag genomen en ben ergens anders gaan werken. En toen kwam ik jou tegen. Jij was mijn tweede grote liefde."
Gerrit kende zijn vrouw door en door. Als ze zo iets zei, meende ze dat ook. Hij begon nu nieuwsgierig te worden. "Hoe heftig was jullie relatie?"
Piet en Ineke keken elkaar vragend aan. Zullen ze het zeggen?
"Je hebt er recht op het antwoord te weten. Ja, heel hartstochtelijk. Een echte, volwassen, seksuele relatie".
Opnieuw zwijgen ze met zijn drieën. Gerrit zit toch wel even na te duizelen. Zijn Ineke! "En nu? Wat is de stand van zaken?"
Beiden aarzelen. Dan neemt Piet het woord: " Zo'n jaar geleden kwamen we elkaar weer tegen in ons buurtcafé. We keken elkaar in de ogen, en wisten: we moeten praten. Dat hebben we gedaan. Ik geloof dat ik ook namens Ineke mag zeggen dat we niet echt verliefd meer zijn, maar we mogen elkaar nog altijd erg, erg graag." Ineke knikt instemmend.
" De afgelopen maanden hebben we een paar keer afgesproken, gewoon, ergens in een restaurant. We praten, we lachen, we zijn ook vaak serieus ", neemt ze het woord over. "Er is sympathie over en weer, vriendschap die ik niet zou willen missen." Piet knikt. "Dat geldt ook voor mij. Vrouwen praten anders dan mannen. Ze hebben meer zelfspot, willen zich niet telkens bewijzen, zijn meer in andere mensen geïnteresseerd dan mannen. Ik zou het vreselijk vinden als mijn vriendschap met Ineke verloren ging. Maar ze is jouw vrouw, Gerrit."
"Echte, eerlijke, oprechte vriendschap is heel veel waard in het leven", besluit Gerit opgelucht. Hij wendt zich om: "Ober, drie bier. Misschien hebben we wat te vieren."
Ze praatten, lachten, discussieerden en de gesprekken werden nog geanimeerder toen de eerste pilsjes op tafel kwamen. Na enige tijd viel Gerrit iets op. Ineke lachte zo hard! Dat kwam door het bier, zeker, maar er was nog wat. Ze keek Piet zo indringend aan. Ze vond zijn grapjes zo leuk. Tot Gerrits lichte verbijstering kreeg ze zelfs kleine blosjes toen Piet haar onverwacht aansprak. En zag hij het goed? Knipoogde Piet naar haar? Gerrit kon het niet geloven. Begon het bier nu te veel te werken? Werd hij jaloers? Natuurlijk, Ineke wàs aantrekkelijk; genoeg mannelijke kennissen hadden hem in de loop der jaren gecomplimenteerd. Maar Ineke bleef onder vleiende opmerkingen en bewonderende blikken van vrienden en bekenden heel nuchter, terwijl gefluit op straat en getongklikklak van vreemden haar slechts amuseerden. Gerrit was haar man; daar hoefde niemand aan te twijfelen. En nu: blosjes, overdreven stralende lachjes? Wat moest dat? Piet was zeker vijftien jaar ouder, aan de dikke kant en al flink grijs. Gerrit begon zich op te winden.
Toen Ineke zich excuseerde en op weg naar het toilet een kennis begroette, kon Gerrit zich niet meer inhouden. Hij boog zich voorover en voegde Piet op zachte toon toe: " Zie ik dat goed? Ineke valt op jou! Hoe kan dat?"
Piet reageerde anders dan Gerrit verwachtte. Hij keek niet verbaasd, schoot niet in een daverend gelach, vroeg niet ongelovig: "Waar heb je het over?" Nee, hij keek een beetje schuw op; er lag iets van schrik in zijn ogen, terwijl hij mompelde: " Hoezo?" Kreeg hij een kleur, of verbeeldde Gerrit zich dat maar? Er viel een ongemakkelijke stilte tussen beide mannen.
Ineke schoof aan. Ze keek in het rond en vroeg verwonderd: "Wat zijn jullie zwijgzaam? Gaat het weer over voetbal? Het is toch niet zo erg dat Ajax kampioen geworden is?"
Gerrit heeft iets in de gaten", bromde Piet.
"Wat heeft hij in de gaten?"
"Van ons."
Geschrokken keek ze beurtelings haar mannen aan.
"Hoezo?"
"Dus er ìs wat tussen jullie", stelde Gerrit, kalmer dan hijzelf gedacht had, vast.
"Het is niet wat je denkt, schat."
"Dat zeggen ze allemaal, liefje. Leg het me maar eens uit."
Ineke haalde diep adem. Gerrit had het idee dat ze eigenlijk wel blij was dat ze eindelijk haar verhaal kon vertellen. "Het begon allemaal toen ik mijn eerste baan kreeg als secretaresse op een makelaarskantoor, dus lang voordat ik jou leerde kennen. Ik vond alles spannend, deed met veel plezier wat me werd opgedragen en kon van mijn salaris allerlei leuke kleren kopen. En ik werd al gauw verliefd op mijn chef. En dat was Piet."
" Ineke was een verademing", vulde Piet aan. "Ze was jong, altijd vrolijk, zong veel en liep al dansend over de afdelingen rond. En: ze zag er goed uit."
" Maar wat zag jij in godsnaam in Piet?"
Ineke keek nadenkend voor zich uit. "Hij was zo anders. Hij flirtte niet met mij, maakte geen flauwe grappen over mijn jurken, mijn kapsel, mijn make - up. Hij was serieus, zwijgzaam, veel ouder dan ik, had al wat grijze haren. Ja, wat zag ik in hem? Juist omdat hij zo verschilde van die jonge knulletjes, werd ik smoorverliefd, denk ik. Een echte vent, hè, een volwassen kerel."
Weer viel er een stilte. Iedereen was bezig met zijn eigen gedachten. Gerrit had hier nooit wat van geweten, maar waardeerde hun eerlijkheid. Het luchtte hun ook wel op, vermoedde hij.
"Jij was toen nog getrouwd?" vroeg hij aan Piet.
"Ja, en daar is onze verhouding ook eigenlijk op afgeknapt. Ik moest thuis liegen en bedriegen, en dat viel me steeds zwaarder. Ik heb mijn vrouw nooit iets verteld, ze heeft ook nooit wat vermoed. Ineke en ik besloten te stoppen."
" Ik heb ontslag genomen en ben ergens anders gaan werken. En toen kwam ik jou tegen. Jij was mijn tweede grote liefde."
Gerrit kende zijn vrouw door en door. Als ze zo iets zei, meende ze dat ook. Hij begon nu nieuwsgierig te worden. "Hoe heftig was jullie relatie?"
Piet en Ineke keken elkaar vragend aan. Zullen ze het zeggen?
"Je hebt er recht op het antwoord te weten. Ja, heel hartstochtelijk. Een echte, volwassen, seksuele relatie".
Opnieuw zwijgen ze met zijn drieën. Gerrit zit toch wel even na te duizelen. Zijn Ineke! "En nu? Wat is de stand van zaken?"
Beiden aarzelen. Dan neemt Piet het woord: " Zo'n jaar geleden kwamen we elkaar weer tegen in ons buurtcafé. We keken elkaar in de ogen, en wisten: we moeten praten. Dat hebben we gedaan. Ik geloof dat ik ook namens Ineke mag zeggen dat we niet echt verliefd meer zijn, maar we mogen elkaar nog altijd erg, erg graag." Ineke knikt instemmend.
" De afgelopen maanden hebben we een paar keer afgesproken, gewoon, ergens in een restaurant. We praten, we lachen, we zijn ook vaak serieus ", neemt ze het woord over. "Er is sympathie over en weer, vriendschap die ik niet zou willen missen." Piet knikt. "Dat geldt ook voor mij. Vrouwen praten anders dan mannen. Ze hebben meer zelfspot, willen zich niet telkens bewijzen, zijn meer in andere mensen geïnteresseerd dan mannen. Ik zou het vreselijk vinden als mijn vriendschap met Ineke verloren ging. Maar ze is jouw vrouw, Gerrit."
"Echte, eerlijke, oprechte vriendschap is heel veel waard in het leven", besluit Gerit opgelucht. Hij wendt zich om: "Ober, drie bier. Misschien hebben we wat te vieren."
12-07-2019
EEN ROMAN IN VERZEN
Alexander Poesjkin (Sint - Petersburg; 1799 - 1837) startte in 1823 met Jevgeni Onegin en voltooide deze roman in verzen in 1831. Pas in 1833 werd het werk voor het eerst in zijn geheel, dat wil zeggen in acht hoofstukken, gepubliceerd. In het begin van de negentiende eeuw waren de Russische schrijvers zoekende: men zocht naar een literaire standaardtaal en naar een vaste vorm. Tot aan 1830 was literatuur in Rusland namelijk vooral poëzie, daarna richt men zich meer op proza. Poesjkin bewandelt een middenweg. Hij wil een verhaal vertellen met verschillende personen, maar kiest daarvoor het vers. Hij creëert zelfs een eigen versvorm, de Onegin - strofe, die bestaat uit veertien regels met een rijmschema waarin gekruist, gepaard en omarmend rijm afwisselend worden gehanteerd. Poesjkin sprak ook niet over 'hoofdstukken', maar over 'zangen'.
Het draait in Jevgeni Onegin om de volgende vier personen: Jevgeni zelf, rijk, verwend, snel verveeld, een man van de wereld. Uit Sint - Peterburg afkomstig, bewoont hij nu het landgoed van zijn oom, dat hij geërfd heeft. Daar, op het platteland, ontmoet hij de mooie freule Tatjana, die haar mensenkennis heeft opgedaan uit de talloze romans die ze gelezen heeft en dus allerlei hooggestemde ideeën over de liefde en de mannen koestert. Ze wordt hopeloos verliefd op Jevgeni. Hij weet dat, maar doet er niets mee. Haar zusje Olga is een stuk oppervlakkiger; de dichter Vladimir Lenski zal haar minnaar worden, en vriendschap sluiten met Jevgeni. Tussendoor duikt telkens de verteller op: hij is bevriend met Jevgeni en levert voortdurend vaak spottend commentaar op personen, gebeurtenissen, toestanden. Naarmate de roman vordert, wordt hij ernstiger. Geen wonder, want Poesjkin maakt zelf het een en ander mee in zijn privé - leven gedurende de jaren dat hij met deze roman bezig is. Dat leidt dan tot nuchtere constateringen als:
Alles vergeten is een gave
Die men slechts met de dood verkrijgt. Of:
Al je geheimen te verklappen,
Verliefdheid, afkeer, treurnis, vreugd,
Dat alles er maar uit te flappen:
Het is een kenmerk van de jeugd.
Voor de toenmalige lezers van Jevgeni Onegin was het aantrekkelijke van de roman hierin gelegen dat ze lazen over hun eigen tijd, hun eigen Moskou en Sint - Petersburg, compleet met de rangen en standen, de tradities en gewoontes van die dagen. Op een aanstekelijke manier, in prettig klinkende verzen, laat Poesjkin over van alles en nog wat zijn licht schijnen.
Het slot is ernstig en weemoedig. Na 26 jaar zien Jevgeni en Tatjana elkaar weer terug, maar de omstandigheden zijn totaal verschillend. Zij heeft een verstandshuwelijk gesloten met een generaal, en is dus in Moskou een 'grande dame'. Over Jevgeni kunnen we kort zijn:
Hij had in 26 jaar
Alleen een beetje lopen kloten,
Hij had geen vrouw, geen vak, geen baan,
En zin noch doel had zijn bestaan.
Veel harder had Poesjkin niet kunnen uithalen. De zielige poging om Tatjana toch nog te veroveren stuit op haar ijzige houding, hoewel ze toegeeft, o romantiek, nog van hem te houden. Je hele leven wijden aan vrijheid, onafhankelijkheid en onverstoorbaarheid kan, vooral als je jong bent, je een hele prettige tijd bezorgen, maar o wee als de oude dag nadert. Het inzicht dat je eigenlijk een mislukt leven geleid hebt, zal voor menige bon vivant zijn laatste levensjaren verzuurd hebben.
A.S. Poesjkin. Werken. Gekozen en vertaald door Hans Boland. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2018. 899 blz.
Arthur Langeveld en Willem G. Weststeijn, Moderne Russische literatuur. Amsterdam, 2005.
Het draait in Jevgeni Onegin om de volgende vier personen: Jevgeni zelf, rijk, verwend, snel verveeld, een man van de wereld. Uit Sint - Peterburg afkomstig, bewoont hij nu het landgoed van zijn oom, dat hij geërfd heeft. Daar, op het platteland, ontmoet hij de mooie freule Tatjana, die haar mensenkennis heeft opgedaan uit de talloze romans die ze gelezen heeft en dus allerlei hooggestemde ideeën over de liefde en de mannen koestert. Ze wordt hopeloos verliefd op Jevgeni. Hij weet dat, maar doet er niets mee. Haar zusje Olga is een stuk oppervlakkiger; de dichter Vladimir Lenski zal haar minnaar worden, en vriendschap sluiten met Jevgeni. Tussendoor duikt telkens de verteller op: hij is bevriend met Jevgeni en levert voortdurend vaak spottend commentaar op personen, gebeurtenissen, toestanden. Naarmate de roman vordert, wordt hij ernstiger. Geen wonder, want Poesjkin maakt zelf het een en ander mee in zijn privé - leven gedurende de jaren dat hij met deze roman bezig is. Dat leidt dan tot nuchtere constateringen als:
Alles vergeten is een gave
Die men slechts met de dood verkrijgt. Of:
Al je geheimen te verklappen,
Verliefdheid, afkeer, treurnis, vreugd,
Dat alles er maar uit te flappen:
Het is een kenmerk van de jeugd.
Voor de toenmalige lezers van Jevgeni Onegin was het aantrekkelijke van de roman hierin gelegen dat ze lazen over hun eigen tijd, hun eigen Moskou en Sint - Petersburg, compleet met de rangen en standen, de tradities en gewoontes van die dagen. Op een aanstekelijke manier, in prettig klinkende verzen, laat Poesjkin over van alles en nog wat zijn licht schijnen.
Het slot is ernstig en weemoedig. Na 26 jaar zien Jevgeni en Tatjana elkaar weer terug, maar de omstandigheden zijn totaal verschillend. Zij heeft een verstandshuwelijk gesloten met een generaal, en is dus in Moskou een 'grande dame'. Over Jevgeni kunnen we kort zijn:
Hij had in 26 jaar
Alleen een beetje lopen kloten,
Hij had geen vrouw, geen vak, geen baan,
En zin noch doel had zijn bestaan.
Veel harder had Poesjkin niet kunnen uithalen. De zielige poging om Tatjana toch nog te veroveren stuit op haar ijzige houding, hoewel ze toegeeft, o romantiek, nog van hem te houden. Je hele leven wijden aan vrijheid, onafhankelijkheid en onverstoorbaarheid kan, vooral als je jong bent, je een hele prettige tijd bezorgen, maar o wee als de oude dag nadert. Het inzicht dat je eigenlijk een mislukt leven geleid hebt, zal voor menige bon vivant zijn laatste levensjaren verzuurd hebben.
A.S. Poesjkin. Werken. Gekozen en vertaald door Hans Boland. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2018. 899 blz.
Arthur Langeveld en Willem G. Weststeijn, Moderne Russische literatuur. Amsterdam, 2005.
28-06-2019
WAAROVER SPRAKEN ZIJ?
Natuurlijk was het bomvol in de trein. Na heel wat geworstel en gewring bereik ik een plaatsje bij het raam, zodat ik goed licht heb om mijn sportkrant te lezen. Door omstandigheden heb ik het voetbalnieuws van het weekend gemist; dat kan ik nu mooi inhalen. Schuin tegenover mij zit een viertal vrouwen van middelbare leeftijd. Na jarenlange treinervaring weet ik wat me te wachten staat: ze stappen straks uit in Eindhoven om te winkelen, en voor die tijd hebben ze luidkeels zitten praten over onbenullige tv - programma's, hun mannen en hun kleinkinderen.
Mijn mensenkennis faalt volkomen. Deze dames blijken voetballiefhebbers te zijn. Ze laten zich bewonderend uit over het spel van Ajax van de vorige avond, waarbij ze zich zeer tevreden tonen over de verdedigende capaciteiten van Matthijs de Ligt en het spelinzicht van Frenkie de Jong. Sprekend over de laatste komt de vrouw in hen toch even naar boven: " Vind je dat ook zo'n lekker ventje, Truus?" Hoewel Truus instemmend knikt, heeft ze even geen tijd, want ze moet mevrouw 3 uitleggen hoe dat zit met doelpunten, gescoord in uitwedstrijden. "Die tellen dubbel."
Mevrouw 4 lijkt er wat verloren bij te zitten, alsof ze de gesprekken niet begrijpt. Maar dat blijkt een misvatting. Ze draait zich naar de anderen om, en vraagt:"Hoe zit dat ook weer met buitenspel? Wanneer sta je dat?" Een verstandige vraag. Ik ken mannen die al jaren naar wedstrijden kijken, maar bij deze kwestie niet verder komen dan een mompelend, onduidelijk antwoord. Truus pakt een stuk papier, schetst een situatie en start haar uitleg. Mevrouw 4 luistert geboeid toe.
Zoveel vakkennis, zoveel geestdrift! Ik kan niet nalaten om te roepen: "Wat geweldig dat jullie zo goed op de hoogte zijn!" Dan staat mevrouw 4 op. Glimlachend antwoordt ze: " Ik zit thuis geregeld bloednerveus naar een wedstrijd te kijken, terwijl mijn man de krant leest. Als ik juichend opveer uit mijn stoel, zegt hij geërgerd: "Stel je niet aan." Ik ben blij dat ik voetbalvriendinnen heb."
Mijn mensenkennis faalt volkomen. Deze dames blijken voetballiefhebbers te zijn. Ze laten zich bewonderend uit over het spel van Ajax van de vorige avond, waarbij ze zich zeer tevreden tonen over de verdedigende capaciteiten van Matthijs de Ligt en het spelinzicht van Frenkie de Jong. Sprekend over de laatste komt de vrouw in hen toch even naar boven: " Vind je dat ook zo'n lekker ventje, Truus?" Hoewel Truus instemmend knikt, heeft ze even geen tijd, want ze moet mevrouw 3 uitleggen hoe dat zit met doelpunten, gescoord in uitwedstrijden. "Die tellen dubbel."
Mevrouw 4 lijkt er wat verloren bij te zitten, alsof ze de gesprekken niet begrijpt. Maar dat blijkt een misvatting. Ze draait zich naar de anderen om, en vraagt:"Hoe zit dat ook weer met buitenspel? Wanneer sta je dat?" Een verstandige vraag. Ik ken mannen die al jaren naar wedstrijden kijken, maar bij deze kwestie niet verder komen dan een mompelend, onduidelijk antwoord. Truus pakt een stuk papier, schetst een situatie en start haar uitleg. Mevrouw 4 luistert geboeid toe.
Zoveel vakkennis, zoveel geestdrift! Ik kan niet nalaten om te roepen: "Wat geweldig dat jullie zo goed op de hoogte zijn!" Dan staat mevrouw 4 op. Glimlachend antwoordt ze: " Ik zit thuis geregeld bloednerveus naar een wedstrijd te kijken, terwijl mijn man de krant leest. Als ik juichend opveer uit mijn stoel, zegt hij geërgerd: "Stel je niet aan." Ik ben blij dat ik voetbalvriendinnen heb."
13-06-2019
DE ADVOCAAT VAN HOLLAND
Als op 29 augustus 1619 Johan van Oldenbarnevelt, 71 jaar en landsadvocaat van Holland, per koets de korte afstand van zijn prachtige huis aan de Kneuterdijk in Den Haag via het Buitenhof naar het Binnenhof aflegt, houdt een kamerheer van Maurits hem staande als hij de vergaderzaal betreedt. Of hij even mee naar boven wil gaan, want de prins wenst hem te spreken. Daar aangekomen wordt hij opgewacht door een kapitein van de lijfwacht, die hem meldt dat hij in hechtenis is genomen. "Op bevel van Zijne Excellentie, op last van de Staten - Generaal." Negen maanden lang zal één van de machtigste mannen van Holland, ook internationaal van groot gewicht, een gevangene zijn in een aanbouwsel achter de Ridderzaal.
Nicolaas Matsier, auteur van De Advocaat van Holland, een historische roman over Oldenbarnevelt in gevangenschap, omschrijft de functie van raadpensionaris anachronistisch zo: "zowel minister - president als minister van Financiën als minister van Buitenlandse Zaken." Zonder Oldenbarnevelt zou er geen Republiek der Verenigde Nederlanden geweest zijn. Hij is de vergadertijger, de man die alle partijen bij elkaar roept zodat er overleg gepleegd wordt, een compromis gesloten, vrede gesticht. De overheid moet het steeds voor het zeggen hebben, ook over de Kerk. En absoluut geen godsdiensttwisten, want dat leidt slechts tot verdeeldheid onder het volk.
Waarom dan, met al die verdiensten, vernederend opgesloten in een paar eenvoudige kamers? Na een aantal weken van piekeren en herinneringen ophalen, beginnen de ondervragingen. Heeft hij zichzelf, ten koste van de staat, verrijkt? Heeft hij majesteitsschennis gepleegd? Landverraad? Tenslotte is hij de man die, tot woede van Maurits, het Twaalfjarig Bestand (1609 - 1621) heeft weten door te drukken, zodat de Tachtigjarige Oorlog met Spanje onderbroken werd.
Veel weten we niet van de man, beweert zijn biograaf Ben Knapen. Zijn daden kennen we, als mens bleek hij erg gesloten, geremd haast, erg vormelijk, hooghartig, altijd kalm en beleefd. Maar wat gaat er in het hoofd om van een eens zo machtig man die, juridisch gezien, volstrekt onterecht gevangen zit?
Gewapend met veel kennis van zaken en een groot inlevingsvermogen is Matsier aan de slag gegaan. Hij nestelde zich in het hoofd van de Advocaat, zoals hij hem constant noemt, en beschrijft in sobere bewoordingen wat daar allemaal omgaat. Nee, weinig over Maurits, al was dat uiteindelijk zijn kwelgeest en moordenaar. Die twee hadden allang geen contact meer. De Advocaat geloofde aanvankelijk nog aan gerechtigheid: eens zullen de juristen die hem ondervragen wel inzien dat ze ongelijk hebben. Hij, altijd actief, verveelt zich na enkele weken vreselijk: hij mag alleen maar binnen zitten. Heimwee naar zijn vrouw, kinderen, schoonzoons, Hugo de Groot, dominee Wttenbogaard.
Als hem duidelijk wordt dat hij tijdens de wekenlang durende ondervragingen rekenschap moet afleggen van zijn daden, zoekt hij zijn formidabele geheugen af en kan tevreden vaststellen dat hij erg veel bereikt heeft. Toen de dochter van deze voormalige polderjongen trouwde was er drie avonden achtereen een maaltijd vanaf vijf uur, met daarna bal. Onder de talloze aanwezigen bevonden zich Louise de Coligny, de laatste vrouw van Willem van Oranje (!), diens zoon Frederik Hendrik (!), en beroemd veldheer en voortreffelijk danser prins Maurits (!)
Het heeft allemaal niet geholpen. Op zondagochtend komen drie mannen hem mededelen dat de doodstraf de volgende dag voltrokken zal worden. Op 13 mei 1619 wordt Oldenbarnevelt met het zwaard onthoofd op het Binnenhof. Omdat hij een muts over zijn hoofd had getrokken en die vasthield, vlogen een wijsvinger en een ringvinger mee.
Nicolaas Matsier, De Advocaat van Holland. Amsterdam, 2019. 358 blz.
Ben Knapen, De man en zijn staat. Amsterdam, 2005, 367 blz.
Nicolaas Matsier, auteur van De Advocaat van Holland, een historische roman over Oldenbarnevelt in gevangenschap, omschrijft de functie van raadpensionaris anachronistisch zo: "zowel minister - president als minister van Financiën als minister van Buitenlandse Zaken." Zonder Oldenbarnevelt zou er geen Republiek der Verenigde Nederlanden geweest zijn. Hij is de vergadertijger, de man die alle partijen bij elkaar roept zodat er overleg gepleegd wordt, een compromis gesloten, vrede gesticht. De overheid moet het steeds voor het zeggen hebben, ook over de Kerk. En absoluut geen godsdiensttwisten, want dat leidt slechts tot verdeeldheid onder het volk.
Waarom dan, met al die verdiensten, vernederend opgesloten in een paar eenvoudige kamers? Na een aantal weken van piekeren en herinneringen ophalen, beginnen de ondervragingen. Heeft hij zichzelf, ten koste van de staat, verrijkt? Heeft hij majesteitsschennis gepleegd? Landverraad? Tenslotte is hij de man die, tot woede van Maurits, het Twaalfjarig Bestand (1609 - 1621) heeft weten door te drukken, zodat de Tachtigjarige Oorlog met Spanje onderbroken werd.
Veel weten we niet van de man, beweert zijn biograaf Ben Knapen. Zijn daden kennen we, als mens bleek hij erg gesloten, geremd haast, erg vormelijk, hooghartig, altijd kalm en beleefd. Maar wat gaat er in het hoofd om van een eens zo machtig man die, juridisch gezien, volstrekt onterecht gevangen zit?
Gewapend met veel kennis van zaken en een groot inlevingsvermogen is Matsier aan de slag gegaan. Hij nestelde zich in het hoofd van de Advocaat, zoals hij hem constant noemt, en beschrijft in sobere bewoordingen wat daar allemaal omgaat. Nee, weinig over Maurits, al was dat uiteindelijk zijn kwelgeest en moordenaar. Die twee hadden allang geen contact meer. De Advocaat geloofde aanvankelijk nog aan gerechtigheid: eens zullen de juristen die hem ondervragen wel inzien dat ze ongelijk hebben. Hij, altijd actief, verveelt zich na enkele weken vreselijk: hij mag alleen maar binnen zitten. Heimwee naar zijn vrouw, kinderen, schoonzoons, Hugo de Groot, dominee Wttenbogaard.
Als hem duidelijk wordt dat hij tijdens de wekenlang durende ondervragingen rekenschap moet afleggen van zijn daden, zoekt hij zijn formidabele geheugen af en kan tevreden vaststellen dat hij erg veel bereikt heeft. Toen de dochter van deze voormalige polderjongen trouwde was er drie avonden achtereen een maaltijd vanaf vijf uur, met daarna bal. Onder de talloze aanwezigen bevonden zich Louise de Coligny, de laatste vrouw van Willem van Oranje (!), diens zoon Frederik Hendrik (!), en beroemd veldheer en voortreffelijk danser prins Maurits (!)
Het heeft allemaal niet geholpen. Op zondagochtend komen drie mannen hem mededelen dat de doodstraf de volgende dag voltrokken zal worden. Op 13 mei 1619 wordt Oldenbarnevelt met het zwaard onthoofd op het Binnenhof. Omdat hij een muts over zijn hoofd had getrokken en die vasthield, vlogen een wijsvinger en een ringvinger mee.
Nicolaas Matsier, De Advocaat van Holland. Amsterdam, 2019. 358 blz.
Ben Knapen, De man en zijn staat. Amsterdam, 2005, 367 blz.
31-05-2019
EEN MAN VAN GEWICHT
Op een bloedhete zondag als deze zit meneer Arthur het liefst binnen, zijn fraaie penthouse afgeschermd met gordijnen en zonneschermen. Hitte maakt hem slaperig, lusteloos. Hij doodt de tijd door te luisteren naar klassieke kamermuziek, jaarverslagen te bestuderen, sportwedstrijden op tv te bekijken. Eigenlijk wacht hij op het vallen van de avond. Dan kan hij weer normaal functioneren.
Zo ook nu. Als het na achten wat koeler geworden is, trekt hij zijn favoriete lichtblauwe pak aan, zoekt er een passende stropdas bij, en kijkt peinzend naar het stapeltje pochetjes. Na enige aarzeling steekt hij een felrood exemplaar in het linker borstzakje van zijn colbertjasje. Klaar, hij kan naar buiten. Meneer Arthur steekt het marktplein over en neemt plaats op zijn favoriete terras, aan het tafeltje links vooraan. Dat is al jaren zijn stek. Vanaf hier kan hij alles en iedereen zien aankomen.
In dit dorp is Arthur geboren en opgegroeid. Na zijn studie keerde hij terug om de zaak van zijn vader over te nemen. Hij bleek nog veel beter dan zijn oude heer. Jaar in, jaar uit wist hij zijn imperium uit te breiden. Onroerend goed, winkelpanden, restaurants, een paardenfokkerij: alles wat hij aanraakte, veranderde in goud. Geld verdienen, zaken doen, dat is zijn passie. Soms een vrouw, nauwelijks vrienden, geen kinderen. Hij doet niet aan politiek, zit in geen enkel bestuur, is nergens lid van. Maar macht, invloed en dus aanzien, daarover beschikt hij in hoge mate.
En zo zit hij hier op zijn geliefde plek. Een grote, zware man, al vroeg grijs, met een haviksneus en een opvallend zachte stem. Mensen schuifelen voorbij, sommige knikken, andere groeten, niemand durft vooralsnog stil te blijven staan om een praatje te maken. Hij wordt gerespecteerd, soms zelfs gevreesd, want velen zijn op de een of andere manier financieel van hem afhankelijk. Ja, it's lonely at the top. Maar iedereen weet: een rode pochet betekent dat hij kritisch maar aanspreekbaar is. Blauw wil zeggen: alles vind ik goed; wit houdt in: laat me in godsnaam met rust.
Kijk, daar komt Sjakie aanzetten. Intelligente jongen, zoon van de bakker, die nog naast hem heeft gezeten op de basisschool. Sjakie drukt hem de hand, vraagt of hij plaats mag nemen. "Vertel het maar, Sjaak", moedigt Arthur hem al gauw aan. Sjaak wil gaan studeren, maar hij heeft geld nodig om een kamer te huren en de studie te financieren. 'En je vader dan?" vraagt Arthur, al kent hij het antwoord." De bakkerij loopt slecht, de klanten gaan naar de supermarkt, en mijn vader..." Arthur knikt. Hij weet ervan. Pa is aan de drank. "Ik zal het aan Van Houten doorgeven. Meld je maar bij hem", besluit hij grootmoedig. Van Houten is de man van de financiën. Als je naar Van Houten toegestuurd wordt, is je verzoek in orde bevonden.
Meneer Arthur steekt een sigaar op en drinkt van zijn mineraalwater. Nu er één gekomen is, zullen er anderen volgen. Zozo, luie Henkie. Een goed stel hersens, net als zijn moeder, maar werken ho maar. Wat wil die? Na wat gemompel komt het eruit: een sportzaak beginnen. Hij wil een winkel van Arthur huren, maar het eerste jaar geen huur betalen. Arthur schudt zijn hoofd. "Laat me eerst eens zien dat je een jaar lang gewoon je werk doet, niet elke maandagochtend ziek bent en ervoor zorgt dat je moeder er een beetje fatsoenlijk bijloopt. Dan mag je volgend jaar hier terugkomen." Verongelijkt beent Henkie weg, maar daar kan hij goed tegen. Benieuwd of ik hem ooit nog eens terug zie.
Opeens staat ze voor hem: Lisa. Niet lelijk, niet knap, maar ze hééft iets. Rijzig, donker, slank. Precies haar moeder, op wie Arthur lang, lang geleden hopeloos verliefd was. Ze zegt niets, kijkt de machtigste man van de hele provincie glimlachend aan. Arthur voelt alle kracht uit zijn lichaam wegvloeien, en dat weet ze. Ze kust hem voorzichtig op zijn wang, streelt even over zijn haar. Vervolgens bestelt ze een kop koffie. "Toen er werd rondverteld dat jij hier zat, heb ik alles laten liggen en ben hier naartoe gefietst. Hoe is het met je? Nog steeds dat rokershoestje?" Ze babbelen wat, zoals oude vrienden doen die elkaar lang niet gezien hebben. Dan vraagt ze: "Wil je me helpen?"
"Zeker."
"Ik wil een eigen zaak beginnen."
"Wat voor een?"
"Een kapperszaak. Hier in het dorp. Je weet, ik heb alle diploma's."
Meneer Arthur knikt. Lisa heeft hersens en beschikt over een formidabel doorzettingsvermogen.
"Ik heb geld nodig voor de huur, de inboedel en de salarissen van de kapsters. Kan ik op je rekenen?"
"Natuurlijk."
"Dus morgen kan ik naar Van Houten?"
" Ja, hoor."
Lisa glimlacht. Ze staat op, meneer Arthur doet dat ook. Zwijgend, glimlachend, voorover gebogen, met hun voorhoofden tegen elkaar. Dan omhelst ze hem, kust hem kuis op de mond en wiegt weg.
Peinzend kijkt meneer Arthur haar na. Tsja, hij had eigenlijk best een dochter willen hebben.
Zo ook nu. Als het na achten wat koeler geworden is, trekt hij zijn favoriete lichtblauwe pak aan, zoekt er een passende stropdas bij, en kijkt peinzend naar het stapeltje pochetjes. Na enige aarzeling steekt hij een felrood exemplaar in het linker borstzakje van zijn colbertjasje. Klaar, hij kan naar buiten. Meneer Arthur steekt het marktplein over en neemt plaats op zijn favoriete terras, aan het tafeltje links vooraan. Dat is al jaren zijn stek. Vanaf hier kan hij alles en iedereen zien aankomen.
In dit dorp is Arthur geboren en opgegroeid. Na zijn studie keerde hij terug om de zaak van zijn vader over te nemen. Hij bleek nog veel beter dan zijn oude heer. Jaar in, jaar uit wist hij zijn imperium uit te breiden. Onroerend goed, winkelpanden, restaurants, een paardenfokkerij: alles wat hij aanraakte, veranderde in goud. Geld verdienen, zaken doen, dat is zijn passie. Soms een vrouw, nauwelijks vrienden, geen kinderen. Hij doet niet aan politiek, zit in geen enkel bestuur, is nergens lid van. Maar macht, invloed en dus aanzien, daarover beschikt hij in hoge mate.
En zo zit hij hier op zijn geliefde plek. Een grote, zware man, al vroeg grijs, met een haviksneus en een opvallend zachte stem. Mensen schuifelen voorbij, sommige knikken, andere groeten, niemand durft vooralsnog stil te blijven staan om een praatje te maken. Hij wordt gerespecteerd, soms zelfs gevreesd, want velen zijn op de een of andere manier financieel van hem afhankelijk. Ja, it's lonely at the top. Maar iedereen weet: een rode pochet betekent dat hij kritisch maar aanspreekbaar is. Blauw wil zeggen: alles vind ik goed; wit houdt in: laat me in godsnaam met rust.
Kijk, daar komt Sjakie aanzetten. Intelligente jongen, zoon van de bakker, die nog naast hem heeft gezeten op de basisschool. Sjakie drukt hem de hand, vraagt of hij plaats mag nemen. "Vertel het maar, Sjaak", moedigt Arthur hem al gauw aan. Sjaak wil gaan studeren, maar hij heeft geld nodig om een kamer te huren en de studie te financieren. 'En je vader dan?" vraagt Arthur, al kent hij het antwoord." De bakkerij loopt slecht, de klanten gaan naar de supermarkt, en mijn vader..." Arthur knikt. Hij weet ervan. Pa is aan de drank. "Ik zal het aan Van Houten doorgeven. Meld je maar bij hem", besluit hij grootmoedig. Van Houten is de man van de financiën. Als je naar Van Houten toegestuurd wordt, is je verzoek in orde bevonden.
Meneer Arthur steekt een sigaar op en drinkt van zijn mineraalwater. Nu er één gekomen is, zullen er anderen volgen. Zozo, luie Henkie. Een goed stel hersens, net als zijn moeder, maar werken ho maar. Wat wil die? Na wat gemompel komt het eruit: een sportzaak beginnen. Hij wil een winkel van Arthur huren, maar het eerste jaar geen huur betalen. Arthur schudt zijn hoofd. "Laat me eerst eens zien dat je een jaar lang gewoon je werk doet, niet elke maandagochtend ziek bent en ervoor zorgt dat je moeder er een beetje fatsoenlijk bijloopt. Dan mag je volgend jaar hier terugkomen." Verongelijkt beent Henkie weg, maar daar kan hij goed tegen. Benieuwd of ik hem ooit nog eens terug zie.
Opeens staat ze voor hem: Lisa. Niet lelijk, niet knap, maar ze hééft iets. Rijzig, donker, slank. Precies haar moeder, op wie Arthur lang, lang geleden hopeloos verliefd was. Ze zegt niets, kijkt de machtigste man van de hele provincie glimlachend aan. Arthur voelt alle kracht uit zijn lichaam wegvloeien, en dat weet ze. Ze kust hem voorzichtig op zijn wang, streelt even over zijn haar. Vervolgens bestelt ze een kop koffie. "Toen er werd rondverteld dat jij hier zat, heb ik alles laten liggen en ben hier naartoe gefietst. Hoe is het met je? Nog steeds dat rokershoestje?" Ze babbelen wat, zoals oude vrienden doen die elkaar lang niet gezien hebben. Dan vraagt ze: "Wil je me helpen?"
"Zeker."
"Ik wil een eigen zaak beginnen."
"Wat voor een?"
"Een kapperszaak. Hier in het dorp. Je weet, ik heb alle diploma's."
Meneer Arthur knikt. Lisa heeft hersens en beschikt over een formidabel doorzettingsvermogen.
"Ik heb geld nodig voor de huur, de inboedel en de salarissen van de kapsters. Kan ik op je rekenen?"
"Natuurlijk."
"Dus morgen kan ik naar Van Houten?"
" Ja, hoor."
Lisa glimlacht. Ze staat op, meneer Arthur doet dat ook. Zwijgend, glimlachend, voorover gebogen, met hun voorhoofden tegen elkaar. Dan omhelst ze hem, kust hem kuis op de mond en wiegt weg.
Peinzend kijkt meneer Arthur haar na. Tsja, hij had eigenlijk best een dochter willen hebben.
Abonneren op:
Posts (Atom)