Over Sándor Márai heb ik het tot dusver nog niet met u gehad, maar daar komt verandering in, want die man verdient aandacht. Geboren in 1900 in het Hongaarse plaatsje Kassa, opgegroeid in een welgesteld burgerlijk milieu, belandt hij na enkele universitaire studies in de wereld van het woord. Hij vertaalt (Kafka!), werkt voor de Frankfurter Zeitung en publiceert vanaf 1929 romans, verhalen, essays. In 1948 ontvlucht Márai Hongarije, woont in verschillende landen, om zich uiteindelijk in 1979 blijvend in de Verenigde Staten te vestigen.
Omdat hij gedurende zijn omzwervingen toch in het Hongaars bleef publiceren, bereikt hij slechts een klein publiek, ook al omdat zijn werk lang niet in zijn vaderland uitgegeven mocht worden. Dat veranderde kort na zijn dood in 1989. Toen verscheen zijn roman Gloed weer in het Hongaars, waarna er in 1998 een Italiaanse vertaling verscheen, die door de critici alom geprezen werd. In 1999 was er de Frankfurter Buchmesse, waar de Duitse literatuurpaus Marcel Reich - Ranicki deze roman op tv nadrukkelijk prees. Sindsdien zien de kenners Márai als een belangrijk Europees schrijver.
En nu De gravin van Parma. Márai laat zich voor zijn hoofdpersoon inspireren door Casanova, die op 31 oktober 1756 op spectaculaire wijze uit de Piombi- gevangenis van Venetíë wist te ontsnappen. Hij geeft hem dan ook de voornaam Giacomo, gebruikt de ontsnapping, maar fantaseert er vervolgens lustig op los.
Zijn Giacomo heeft een ruw, weinig aantrekkelijk gezicht: grote neus, smalle lippen, spitse kin, hoekige kaak. Hij is betrekkelijk klein, gedrongen, met brede, potige handen. Inderdaad, wat zien de vrouwen eigenlijk in hem? Een onbetrouwbare kaartspeler is hij, een rokkenjager, een avonturier. Er is echter één verlangen dat hem drijft: de ware te vinden, die ene vrouw die hem gelukkig maakt. De liefde en het lot dat de mens voortjaagt, dat is het leven. Nu hij veertig is, begint hij te begrijpen.
Nog steeds op de vlucht, verschuilt hij zich in Bolzano. Daar krijgt hij te horen dat zijn aartsvijand, de machtige graaf van Parma, hem wil spreken. Eens hebben ze een duel uitgevochten om Francesca, toen vijftien jaar, een gravinnetje uit Toscane. Hij werd kansloos door de veel oudere graaf verslagen; zwaargewond lag hij geruime tijd in een hospitaal. Drie jaar later trouwde ze met de graaf. En nu wil die met een voortvluchtige gevangene in gesprek?
De nu al boeiende roman bereikt zijn hoogtepunt. Er volgen drie uitgebreide, literair hoogstaande, monologen. De eerste is van de graaf, die uitgebreid vertelt dat hij Giacomo minacht, maar toch ook wel weer waardeert; vervolgens legt hij uit dat hij Francesca hartstochtelijk liefheeft. Aan het slot verzoekt, nee beveelt hij Giacomo bijna, iets waar deze verbijsterd op reageert, en de lezer kan zijn ogen ook nauwelijks geloven. Meent de graaf dat nu echt?
De tweede monoloog is van Francesca, die inderdaad haar vroegere minnaar komt opzoeken. Ze verklaart dat ze al die jaren hartstochtelijk van hem heeft gehouden en dat zal blijven doen. Ook zij heeft een dringend verzoek voor hem. Giacomo en de lezer staren vol verwarring voor zich uit.
Tot slot is Giacomo aan het woord. Hij wilde toch eens schrijver worden? In een brief aan de graaf, waarin ook ingegaan wordt op het verzoek van Francesca, laat hij beiden weten of hij hun voorstellen zal inwilligen.
Intrigerend, nietwaar? Meeslepend, spannend, boeiende hoofdfiguren, leuke schildering ook van de tweede helft van de achttiende eeuw. Zullen we dus een volgende keer Gloed maar doen?
Sándor Márai, De gravin van Parma. Uit het Hongaars vertaald door Margreeth Schopenhauer. Oorspronkelijk uitgave in 1940. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2005. 254 blz.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten