01-12-2025

DE DOOD IN VENETIË

Als Katia, de vrouw van Thomas Mann (Lübeck, 1875 - 1955), tijdens een vakantie in Venetië ziet hoe haar man voortdurend gefascineerd naar een Poolse jongen staart, begrijpt ze dat haar huwelijk met de beroemde Duitse schrijver vooral toneelspel zal zijn. Haar man wilde niet uit de kast komen, omdat hij vreesde dat deze bekentenis het einde van zijn schrijverschap zou inhouden. Thomas Mann zal in Der Tod in Venedig (1912) voor het eerst openlijk over homoseksuele liefde schrijven.

Hij geeft in deze novelle ook het een en ander over zichzelf prijs, en wel in de hoofdpersoon Aschenbach: een wat oudere, beroemde schrijver, getrouwd, één dochter, die ontevreden is over zichzelf, onrustig rondreist, en uiteindelijk in Venetië terechtkomt. Aftakeling, vergane schoonheid, in de volkswijken een bedompte lucht: eigenlijk wil Aschenbach weer snel weg uit de stad. Hij heeft juist behoefte aan een opbeurende omgeving, want hij is moe, het werk wil maar niet vlotten, hij piekert over schoonheid en kunstenaarschap. Gedisciplineerd aan de slag, elke dag werken volgens een vast tijdschema, zo doet hij dat al jaren. Maar behalve  wilskracht bestaat er toch ook passie, hartstocht, een spontane inval? Waar geef je de voorkeur aan? Valt het een en ander met elkaar te combineren? 

's Morgens zittend aan het strand, peinzend en wachtend op inspiratie, ziet hij hem. Een jongen van onbeschrijflijke schoonheid, "mooier dan zegbaar was", zo'n veertien jaar oud. Alles aan hem klopt. Hij blijkt te behoren tot een Poolse familie, en heet Tadzio.  Aschenbach zal hem dagenlang bekijken, hem en zijn familie volgen, nooit aanspreken, slechts in de verte aangapen. De familie heeft het door, probeert Aschenbach te ontwijken, maar hij blijft desnoods urenlang wachten om de schone jongeling weer terug te zien. Hij fluistert: "Ik houd van je"; de verteller gebruikt termen als 'verliefd' en 'minnaar'. 

Allemaal waar, maar waarschijnlijk is er meer: terugverlangen naar de jeugd. Hij voelt zich oud, de inspiratie druppelt moeizaam naar binnen, grote ideeën en omvangrijke werken lijken onbereikbaar. Bovendien dwaalt de dood door Venetië. Er is sprake van giftige dampen, toeristen die wegtrekken en mensen die plotseling sterven. Cholera! Maar het stadsbestuur bezweert dat er niets aan de hand is. Aschenbach begrijpt dat hij moet vertrekken, maar dan zal hij Tadzio niet meer zien. Beter nog: hij moet de familie, die kennelijk niets in de gaten heeft, waarschuwen. Zijn hartstocht overwint: hij waarschuwt helemaal niemand, en blijft. De dood sluipt naderbij.

Deze beroemde novelle is op allerlei manieren toegelicht en geanalyseerd. Thomas Mann filosofeert, via zijn hoofdpersoon en met hulp van o.a. Plato, over schoonheid en kunstenaarschap, en doet zijn uiterste best juist in deze vertelling alles op zijn allermooist uit te drukken: lange gebeeldhouwde zinnen, perfecte woordkeus, zorgvuldig gekozen beeldspraak. Wat míí echter zal bijblijven, is het beeld van de beroemde oude man, die volledig in de ban is van een blonde jongen met grijze ogen, en hem obsessief achtervolgt. Hij jaagt zijn jeugd achterna, net als de lezer heel goed wetend hoe zinloos dat is. 

Thomas Mann, De dood in Venetië. Vertaling Hans Hom, met een nawoord van Guido Snel. Arbeiderspers, Amsterdam, 2019. 150 blz. Oorspronkelijke titel: Der Tod in Venedig (1912). 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten