Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen

01-09-2026

HET GOEDE KWAAD

 Zin in een wijze les? Hoe je bijvoorbeeld zelfmoord kunt voorkomen? Zorg voor verdriet bij iemand van wie je echt houdt. Je roept daardoor een schuldgevoel bij jezelf op, zodat je wil blijven leven. Ervaringsdeskundigen onder elkaar in het verhaal Welkom bij de club.

Kunt u zich inleven in Leila, een jonge vrouw die getuige en misschien wel medeplichtige is aan de dood van het veelbelovende, maar ook rare zoontje van haar beste vriendin? De jongen wil namelijk paard worden, en dat doe je door zo hoog mogelijk te trainen. Als hij vervolgens, tijdens een bezoekje van Leila, thuis van de dakrand valt, maakt Leila dat ze wegkomt. Alleen bij de begrafenis is ze nog aanwezig. Schuld? Schaamte? Lafheid? Ter compensatie komt er in Een fabelachtig dier nog een gezond paard voor. 

Wat vindt u van een vrouw die absoluut niet zonder haar poes kan? Of van een schrijfster die niet wil dat haar ongeneeslijk zieke man sterft, omdat ze gelooft dan ook te overlijden? Ze is overigens wel ingegaan op een uitnodiging om 19.000 km verder, in Shanghai, in alle rust haar werkzaamheden voort te zetten. Ze belt wel met hem, en één keer ziet ze haar geliefde kat echt in het raam zitten. Schuld? Schrijversfantasie? En vooral ook Kafka en Borges, de sterren van het magisch - realisme.

Natuurlijk komen er ook mannen voor in deze ijzersterke, verontrustende verhalenbundel (6 stuks) met absurdistische trekken. In Het oog in de keel slikt het zoontje van twee een batterijtje in, dat de tijd krijgt om gevoed te worden door lichaamsvocht, waardoor er een diep gat in de slokdarm brandt. Het lithium is vrijgekomen, zijn stembanden zijn beschadigd, het strottenhoofd is aangetast. De jongen zal nooit meer kunnen praten. Eindeloos is de vader met zijn kind bezig: jaren van hospitaal naar chirurg. Pa is zo'n man die zijn liefde niet echt kan uiten, zijn zoon kan dat wel. Hoe woedend, radeloos en opstandig kan een vader zijn? En dan komen er nog jarenlang van die geheimzinnige telefoontjes, maar daar hebben we het een andere keer wel over. Het wordt tijd voor wat conclusies.

Auteur Samanta Schweblin ( 1978, Buenos Aires, Argentinië) is een rijzende ster in de internationale literaire wereld. Ze won diverse prijzen en haar boeken zijn vertaald in meer dan veertig talen. Ze schrijft in een heldere, eenvoudige taal, weet nieuwsgierigheid bij de lezer op te roepen door schijnbaar terloopse opmerkingen te plaatsen, en geeft de alledaagse werkelijkheid plotseling een totaal andere wending. Zo kan er iets gebeuren wat eigenlijk onmogelijk is. 

Telkens weer toont ze aan dat de grens tussen goed en kwaad lang niet altijd duidelijk is. Het kwaad schuilt namelijk niet steeds in de ander, maar kan net zo goed in onszelf (lees: de hoofdpersoon) zitten. Goede bedoelingen, zoals zorgen voor een ander (De Baas op bezoek) kunnen extreme gevolgen hebben. Schweblin mag dan ook graag verwijzen naar de rol van vrouwen: zo vaak vastgeroest in het leven waaruit ze weg willen vluchten: zie Welkom bij de club en De vrouw in Atlantida. Maar voor iedereen geldt: veiligheid is een illusie, want veilig ben je nergens.

Of ik Samanta Schweblin blijf volgen, vraagt u? Nou en of.

Samanta Schweblin, Het goede kwaad. Vertaald uit het Spaans door Eugenie Schoolderman. Meridiaan Uitgevers, 2025. 219 blz. 

01-05-2026

GLOED

 Stap voor stap word je naar de ontknoping geleid. Je leest over het kasteel waar Henrik, die voortdurend 'de generaal' wordt genoemd, geboren is. De weelderige inrichting, de bossen eromheen, de dieren die daar leven. Je ontmoet zijn ouders: de vader een beroepsmilitair, de moeder een Franse barones. Al jong gaat Henrik naar de militaire academie, waar hij Konrad leert kennen: zijn boezemvriend, nee, zijn vriend voor altijd.

Omdat de verteller een absolute vakman is, zorgt hij ervoor dat elke stap wordt vergezeld door een waarschuwende toon, door onheilspellend geroffel dat, naarmate het verhaal vordert, aan kracht wint. Henrik en Konrad worden opgeleid tot officier, trekken steeds samen op, zijn onafscheidelijk. Natuurlijk verschillen ze van elkaar. Konrad houdt van muziek, trekt zich graag terug, is geen echte vechtersbaas. Henrik is dat wel, hoort vooral graag Weense walsen omdat je daar zo lekker op kunt dansen, want hij is ook nog een uitgaanstype. Maar het doorslaggevende verschil heeft een dreigende ondertoon, en u hoort nu de trommels roffelen: Konrad is van eenvoudige afkomst, zijn ouders liggen krom om zijn studie te kunnen betalen. Henrik is in luxe opgegroeid, financieel zal hij altijd onafhankelijk zijn. Natuurlijk weigert Konrad elke steun te aanvaarden.

De verteller keert terug naar het heden. Vandaag is het eindelijk zover, vertelt de generaal aan zijn 91 - jarige huishoudster die alles van haar heer weet. "Hier heb ik 41 jaar en 43 dagen op gewacht. " Ze begrijpt meteen wat haar te doen staat. Het tromgeroffel is stil gevallen, het kasteel dient in orde te worden gebracht, want de gast op wie al die jaren is gewacht, heeft zijn komst aangekondigd. Het is Konrad. Er hebben zich namelijk in het verleden dramatische gebeurtenissen voorgedaan in de levens van beiden, waar bovendien een derde bij is gekomen: Kristina, de jonge en mooie vrouw van Henrik. Zijn boezemvriend is altijd vrijgezel gebleven. Lang woonden ze bij elkaar in de buurt: het echtpaar op het kasteel, Konrad in de stad, maar vrijwel elke avond dineerde de laatste bij zijn vriend en diens vrouw. En opeens hield dat op. U hoort in de verte de trommels weer? Konrad stapte uit het leger, vertrok naar de tropen, later naar Londen. Hendrik bleef het leger trouw.

Wat is er gebeurd, 41 jaar en 43 dagen geleden? Welke vragen wil de generaal stellen? Onheilspellende muziek op de achtergrond is niet meer nodig. Antwoorden wil de generaal hebben, en de lezer met hem.

Terwijl hij in lange monologen, de specialiteit van auteur Sándor Márai, het verleden oprakelt, snijdt de generaal ook zo iets onvermijdelijks als de zin van het bestaan aan. "Denk jij ook dat het leven geen andere zin heeft dan de passie, die op een dag ons hart, onze ziel en ons lichaam doordringt, en dan eeuwig blijft branden tot de dood?" En dan begrijpt u, beste lezer, waarom deze geweldige psychologische roman, die leest als een thriller, Gloed heet. Zelden zo'n treffende titel gezien.

Sándor Márai, Gloed. Vertaling Mari Alfóldi. Eerste uitgave 1942. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2000; 155 blz.








DE GRAVIN VAN PARMA

 Over Sándor Márai heb ik het tot dusver nog niet met u gehad, maar daar komt verandering in, want die man verdient aandacht. Geboren in 1900 in het Hongaarse plaatsje Kassa, opgegroeid in een welgesteld burgerlijk milieu, belandt hij na enkele universitaire studies in de wereld van het woord. Hij vertaalt (Kafka!), werkt voor de Frankfurter Zeitung en publiceert vanaf  1929 romans, verhalen, essays. In 1948 ontvlucht Márai Hongarije, woont in verschillende landen, om zich uiteindelijk in 1979 blijvend in de Verenigde Staten te vestigen.

Omdat hij gedurende zijn omzwervingen toch in het Hongaars bleef publiceren, bereikt hij slechts een klein publiek, ook al omdat zijn werk lang niet in zijn vaderland uitgegeven mocht worden. Dat veranderde kort na zijn dood in 1989. Toen verscheen zijn roman Gloed weer in het  Hongaars, waarna er in 1998 een Italiaanse vertaling verscheen, die door de critici alom geprezen werd. In 1999 was er de Frankfurter Buchmesse, waar de Duitse literatuurpaus Marcel Reich - Ranicki deze roman op tv nadrukkelijk prees. Sindsdien zien de kenners Márai als een belangrijk Europees schrijver.

En nu De gravin van Parma. Márai laat zich voor zijn hoofdpersoon inspireren door Casanova, die op 31 oktober 1756 op spectaculaire wijze uit de Piombi- gevangenis van Venetíë wist te ontsnappen. Hij geeft hem dan ook de voornaam Giacomo, gebruikt de ontsnapping, maar fantaseert er vervolgens lustig op los.

Zijn Giacomo heeft  een ruw, weinig aantrekkelijk gezicht: grote neus, smalle lippen, spitse kin, hoekige kaak. Hij is betrekkelijk klein, gedrongen, met brede, potige handen. Inderdaad, wat zien de vrouwen eigenlijk in hem? Een onbetrouwbare kaartspeler is hij, een rokkenjager, een avonturier. Er is echter één verlangen dat hem drijft: de ware te vinden, die ene vrouw die hem gelukkig maakt. De liefde en het lot dat de mens voortjaagt, dat is het leven. Nu hij veertig is, begint hij te begrijpen.

Nog steeds op de vlucht, verschuilt hij zich in Bolzano. Daar krijgt hij te horen dat zijn aartsvijand, de machtige graaf van Parma, hem wil spreken. Eens hebben ze een duel uitgevochten om Francesca, toen vijftien jaar, een gravinnetje uit Toscane. Hij werd kansloos door de veel oudere graaf verslagen; zwaargewond lag hij geruime tijd in een hospitaal. Drie jaar later trouwde ze met de graaf. En nu wil die met een voortvluchtige gevangene in gesprek?

De nu al boeiende roman bereikt zijn hoogtepunt. Er volgen drie uitgebreide, literair hoogstaande, monologen. De eerste is van de graaf, die uitgebreid vertelt dat hij Giacomo minacht, maar toch ook wel weer waardeert; vervolgens legt hij uit dat hij Francesca hartstochtelijk liefheeft. Aan het slot verzoekt, nee beveelt hij Giacomo bijna, iets waar deze verbijsterd op reageert, en de lezer kan zijn ogen ook nauwelijks geloven. Meent de graaf dat nu echt?

De tweede monoloog is van Francesca, die inderdaad haar vroegere minnaar komt opzoeken. Ze verklaart dat ze al die jaren hartstochtelijk van hem heeft gehouden en dat zal blijven doen. Ook zij heeft een dringend verzoek voor hem. Giacomo en de lezer staren vol verwarring voor zich uit.

Tot slot is Giacomo aan het woord. Hij wilde toch eens schrijver worden? In een brief aan de graaf, waarin ook ingegaan wordt op het verzoek van Francesca, laat hij beiden weten of hij hun voorstellen zal inwilligen. 

Intrigerend, nietwaar? Meeslepend, spannend, boeiende hoofdfiguren, leuke schildering ook van de tweede helft van de achttiende eeuw. Zullen we dus een volgende keer Gloed maar doen?

Sándor Márai, De gravin van Parma. Uit het Hongaars vertaald door Margreeth Schopenhauer. Oorspronkelijk uitgave in 1940. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2005. 254 blz.




02-03-2026

JEKYLLE EN HYDE

Auteur  Robert Louis Stevenson (Edinburgh; 1850 - 1894) leidt je als lezer rond door het Londen zoals hij dat zelf gekend heeft: mistig, kil en Victoriaans streng. Zijn hoofdpersoon, advocaat Utterson, past goed in die tijd. Wat stuurs, altijd in de plooi, afgemeten pratend, terughoudend van aard. Zijn goede vriend Enfield, een zakenman, is al even beheerst en ingetogen. Betrouwbare, maar saaie mannen dus, tevreden met de wereld waarin ze leven. Vrouwen spelen geen rol.

Daarom weten ze totaal geen raad met de vreemde gedragingen van een andere gemeenschappelijk vriend: Henry Jekylle. Deze is arts, maar ook geïnteresseerd in allerlei vormen van wetenschap. Tot Uttersons ontsteltenis heeft hij een testament opgesteld ten behoeve van ene meneer Edward Hyde, en dat gedeponeerd bij Utterson. En wie is Hyde?

Een kleine, angstaanjagende, uiterst onaangename man, die zeer agressief kan optreden en kennelijk op vriendschappelijke voet staat met Jekyll, want deze heeft zijn bedienden de opdracht gegeven Hyde te allen tijde toegang te verlenen tot zijn huis. Daar komt voorlopig een einde aan als Hyde een jaar later sir Danvers Carew vermoordt, een vooraanstaand parlementslid. Hyde is spoorloos. Utterson bezoekt Jekylle. die nadrukkelijk bevestigt dat hij definitief met Hyde heeft gebroken. Voor het vinden van de moordenaar wordt een beloning van enige duizenden ponden uitgeschreven.

Maar het blijft geheimzinnig rond Jekylle. Hij trekt zich vaak terug, wenst geen bezoek. Een oude, gemeenschappelijke vriend, Lanyon, stuurt Utterson een brief die hij pas mag openen als Lanyon gestorven is: het vermoeden bij Utterson en de lezer rijst dat dit alles met Jekylle te maken heeft. Veel wordt duidelijk als een bediende van Jekylle vraagt of Utterson langs wil komen. Bij een inspectie in diens werkkamer treffen ze een afscheidsbrief aan, samen met een document waarin hij alles uitlegt. Twee brieven, één van Lanyon en de ander van Henry Jekylle ronden deze spannende en wijze novelle af.

 Waar gaat The Strange Case of Dr Jekylle and Mr Hyde nu eigenlijk over? Wat is er zo wijs aan? Al jong raakt Jekylle geobsedeerd door de gedachte dat de mens een gespleten persoonlijkheid heeft: het goede én het kwade heersen in hem. Hij kende zichzelf goed genoeg om de ene keer vol overtuiging iets schandelijks te doen, om kort daarna een weldaad te verrichten. Zou er misschien een middel te vinden zijn om één van die twee op te roepen? Na jarenlang in zijn laboratorium proeven genomen te hebben, waagt hij het erop. Hij fabriceert een drankje en drinkt. Als de heftige pijnen langzaam verdwijnen, stijgt een gevoel van gelukzaligheid bij hem op; tegelijkertijd komt er een drang tot roekeloos gedrag naar boven, en ongewoon sensuele fantasieën.

Als hij daarna zichzelf in een spiegel bekijkt, ziet hij een gedrocht met een woeste uitstraling. Edward Hyde is geboren. Aanvankelijk kan hij zelf regelen wanneer hij Jekylle is, en wanneer Hyde. Maar als hij 's ochtends wakker wordt in de gedaante van de slechterik en hij de grootste moeite heeft om zijn goede zelf op te roepen, begrijpt hij dat het kwade in hem zal overwinnen. Na veel strijd rest hem slechts één uitweg.

U en ik beseffen dat mensen uit één stuk niet bestaan. Dat oorlogen, hongersnood, levensgevaar iemand totaal kan veranderen, zowel positief als negatief. En wie heeft er geen duister plekje in zijn ziel? Wie voelt zich heimelijk niet af en toe aangetrokken tot opwindende daden, waarvan de buren niks mogen weten? De mens zit gecompliceerd in elkaar.

In zijn eigen tijd was Stevenson een beroemdheid, in de loop van de twintigste eeuw nam zijn aanzien sterk af, maar momenteel wordt hij weer gezien als een belangrijk en invloedrijk schrijver. Befaamde auteurs als Marcel Proust, Arthur Conan Doyle, Ernest Hemingway, Vladimir Nabokov en Jorge Luis Borges prijzen hem de hemel in. Zijn grootste kracht? Je blijft je steeds afvragen hoe het afloopt.
Robert Louis Stevenson, Het vreemde verhaal van Dr. Jekylle en Mr. Hyde. Vertaald uit het Engels (maar door wie?). Rainbow, Amsterdam, 2025. 112 blz. Oorspronkelijke titel: The Strange Case of Dr. Jekylle and Mr. Hyde. (1886). 






01-02-2026

EMMA

Ik neem u mee naar het stadje Highbury, gelegen in Surrey, niet zover verwijderd van Londen. We bevinden ons in het begin van de negentiende eeuw en onze hoofdpersoon heet Emma, 21 jaar oud, knap en intelligent. Wat nog veel belangrijker is: ze stamt uit de voornaamste familie van het plaatsje, woont op een landgoed, terwijl ingewijden u kunnen vertellen dat ze, als haar vader sterft, de beschikking heeft over een vermogen van 30.000 pond. Kortom: rijk is ze ook al. 

Ze begeeft zich natuurlijk vrijwel uitsluitend onder de hooggeplaatsten in de omgeving. Die wonen allemaal op een landgoed, hebben personeel in dienst, laten zich in hun eigen rijtuig met koetsier rondrijden. Wat doen die mensen vervolgens zo'n hele dag? Men maakt uitstapjes, houdt diners thuis, gaat 's avonds kaarten, geeft elkaar taalpuzzels op. En men bestudeert elkaar, houdt ieders doen en laten goed in de gaten. Dat Emma niet getrouwd is, zelfs niet verloofd, erger nog: geen echte vriend heeft, kan altijd wel als onderwerp van gesprek dienen.

Zelf is ze daar niet zo mee bezig, want ze heeft besloten pas eventueel over een huwelijk na te denken als haar vader overleden is. Nu is hij vooral een gezellige zeurpiet, die het liefst thuisblijft en vreest dat anderen snel verkouden zullen worden. Emma tracht haar verveling te verdrijven door mensen in gedachten, maar ook daadwerkelijk, aan elkaar te koppelen. Ondanks haar intelligentie blijkt ze daar niet zo goed in te zijn. Uiteraard houdt ze het standsverschil nauwlettend in de gaten, zoals iedereen in die tijd. Afkomst en vermogen gaan voor alles. In één van haar mijmeringen heeft ze het over tweede - en derderangsburgers. 

Zijn er dan geen leuke, vermogende jongemannen in de buurt? Zeker wel. Philip Elton, de dominee, die een huwelijksaanzoek doet; George Knightley, 37 jaar, de buurman, één van de weinigen die het met haar oneens durven te zijn, want Emma heeft een scherp tongetje; Frank Churchill, een wat lichtzinnige jongeman, goede danser, muziekliefhebber, die jacht op Emma schijnt te maken. Er is trouwens ook sprake van een concurrente: Jane Fairfax. Zij heeft weliswaar geen geld, maar is intelligent, knap en charmant. George en Frank houden haar nauwlettend in het oog, wat de jaloezie bij Emma alleen maar aanwakkert, want ook zij heeft allerminst een hart van steen.

Waar gaat deze beroemde Engels roman nu eigenlijk vooral over? Zelfkennis: het duurt een hele tijd voordat je doorhebt dat je anderen verkeerd hebt ingeschat en je jezelf met je gevoelens voor de gek hebt gehouden. Mensenkennis: mensen zijn vaak alleen aardig als ze van je kunnen profiteren. Bovendien willen ze maar al te vaak jou overheersen. Houd ze maar een hele tijd op afstand!

U merkt het aan mijn toon: ik vind dit niet zo'n geweldige roman. Ondanks de scherpe waarnemingen, vakkundige karaktertekening en vloeiende stijl, staat het boek toch vol met alledaagse, wat saaie gesprekken en belevenissen en weinig boeiende hoofdpersonen. Ja, een tikkeltje vervelend eigenlijk. Oh ja, natuurlijk trouwt Emma. 
Jane Austen, Emma. Vertaling: Akkie de Jong. Oorspronkelijke druk: 1816. In Nederland: Rainbow, 2019. 541 blz. 

02-01-2026

CLAUDINE GETROUWD

Ik heb u al verteld hoe Claudine met haar vader in Parijs terechtkwam, daar veel heimwee had naar haar geboortedorp Montigny, vriendschap sloot met de fattige Marcel, en zo diens vader Renaud ontmoette, een charmante man van veertig. Tot haar aangename verbijstering toont hij veel belangstelling voor haar. Zeventien is ze dan.

So far, so good. Maar iets in mij zei dat u toch graag zou willen weten hoe deze affaire afliep. En eerlijk gezegd wilde ik dat ook. Ik zette Claudine in Parijs op mijn blog en begon aan Claudine getrouwd.

Een verloving van drie weken, vervolgens het burgerlijk en kerkelijk huwelijk: op haar negentiende is Claudine getrouwd met een veel oudere man op wie ze stapelgek is. Hij heeft dan ook veel mee: lang, gebronsde huid, haar met grijze strepen. Hij doet alles wat zij wil, maar hij zal zich nooit uitleveren, en een vorm van tederheid gebruiken om zijn diepste gevoelens niet prijs te hoeven geven. Ja, Claudine heeft mensenkennis.

Na een lange huwelijksreis verblijven ze enige tijd in de provincie, in haar dorp Montigny. De velden, de bossen, de oude school: de herinneringen stromen bij haar naar binnen; het platteland zal ze altijd prevaleren boven Parijs. Bovendien kan ze hier met haar vaderlijke minnaar showen. Claudine mag zich overigens graag laten kussen door aantrekkelijke schoolmeisjes. Een lesbische aanleg, waar we het nog over zullen hebben.

Terug in Parijs kan ze kiezen uit twee appartementen, die allebei in het bezit zijn van Renaud. Aan geld is nooit gebrek; hij schrijft diepgaande artikelen voor serieuze bladen, heeft een uitgebreide kennissenkring, drukt iedereen de hand die er op enigerlei wijze toe doet. En zo ontmoet Claudine Rézi Lambrook en haar man. Zij zal het leven van onze heldin voor anderhalf jaar totaal veranderen.

De voornaamste bron van haar charme zijn haar bewegingen: haar heupen, hals, de arm die ze naar haar kapsel beweegt, haar gewelfde taille: alles cirkels, cirkeltjes, spiralen, en even volmaakt. Ambergrijze ogen, lange wimpers, golvend, goudkleurig haar, en dat alles gegoten rond ronde heupen en een smalle taille. Na twee weken zijn de beide dames de beste vriendinnen. 

Rézi is heel direct. Ze vertelt dat ze mannelijke aanbidders heeft die haar vervelen, en dat geldt ook voor haar echtgenoot. In één adem door deelt ze mee dat ze zich tot Claudine aangetrokken voelt, haar mooi vindt, haar wil kussen en strelen. Wat geschrokken, gaat Claudine daar toch in mee. Een lesbische relatie is geboren. En Renaud? Hij ziet, weet, begrijpt en moedigt zelfs aan. Je zou zijn houding voyeuristisch kunnen noemen, maar ik geloof eerder dat hij zijn vrouw alle genoegens gunt waar zij prijs op stelt. En die worden steeds fysieker. De hartstocht spat ervan af.

De man van Rézi blijft constant op de achtergrond, maar Renaud duikt telkens gedienstig op. Rézi mag hem, want "hij heeft een vrouwenziel, hij begrijpt en beschermt ons samenzijn." Tegenover hem schaamt ze zich totaal niet. Met haar scherpe tong en haar overheersend karakter weet ze haast iedereen om de vinger te winden. Totdat Claudine beseft: ik ben wel jaloers, maar toch hou ik niet van haar.

Wanneer de wereldwijze zoon van Renaud haar voorzichtig waarschuwt, gebeurt er iets wat u verrast, maar eigenlijk ook wel aan zag komen. En dan is er voor Claudine maar één uitweg mogelijk: in haar eentje terug naar het paradijselijke Montigny, waar haar vader zich inmiddels weer gevestigd heeft. Daar begon de roman toch ook mee?

Met behulp van geuren en kleuren weet de schrijfster sfeer op te roepen en personen te karakteriseren. Zo snuift Claudine "de geur van blonde tabak, lelietjes - van -dalen en een vleugje Russisch leer op die altijd in Renauds kleren en in zijn lange snor hangt." En: "...sla ik een arm om dat kleine stille meisje heen, dat naar het cederhout van potloden en sandelhout van waaiers ruikt." Hoe iedereen gekleed is, hoe de woningen ingericht zijn, de manier waarop mensen zich bewegen, de zorgvuldige beschrijvingen van allerlei gevoelens: hier is een zeer getalenteerde schrijfster aan het woord, die vooral door vrouwen zeer gewaardeerd zal worden.

Er rest ons nog één roman uit deze reeks, namelijk Claudine vertrekt. U hoort nog van mij.

Colette, Claudine getrouwd. Vertaald door Gerda Baartman. Oorspronkelijke titel: Claudine en ménage. (1902). Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2024. 198 blz. 


 


01-12-2025

DE DOOD IN VENETIË

Als Katia, de vrouw van Thomas Mann (Lübeck, 1875 - 1955), tijdens een vakantie in Venetië ziet hoe haar man voortdurend gefascineerd naar een Poolse jongen staart, begrijpt ze dat haar huwelijk met de beroemde Duitse schrijver vooral toneelspel zal zijn. Haar man wilde niet uit de kast komen, omdat hij vreesde dat deze bekentenis het einde van zijn schrijverschap zou inhouden. Thomas Mann zal in Der Tod in Venedig (1912) voor het eerst openlijk over homoseksuele liefde schrijven.

Hij geeft in deze novelle ook het een en ander over zichzelf prijs, en wel in de hoofdpersoon Aschenbach: een wat oudere, beroemde schrijver, getrouwd, één dochter, die ontevreden is over zichzelf, onrustig rondreist, en uiteindelijk in Venetië terechtkomt. Aftakeling, vergane schoonheid, in de volkswijken een bedompte lucht: eigenlijk wil Aschenbach weer snel weg uit de stad. Hij heeft juist behoefte aan een opbeurende omgeving, want hij is moe, het werk wil maar niet vlotten, hij piekert over schoonheid en kunstenaarschap. Gedisciplineerd aan de slag, elke dag werken volgens een vast tijdschema, zo doet hij dat al jaren. Maar behalve  wilskracht bestaat er toch ook passie, hartstocht, een spontane inval? Waar geef je de voorkeur aan? Valt het een en ander met elkaar te combineren? 

's Morgens zittend aan het strand, peinzend en wachtend op inspiratie, ziet hij hem. Een jongen van onbeschrijflijke schoonheid, "mooier dan zegbaar was", zo'n veertien jaar oud. Alles aan hem klopt. Hij blijkt te behoren tot een Poolse familie, en heet Tadzio.  Aschenbach zal hem dagenlang bekijken, hem en zijn familie volgen, nooit aanspreken, slechts in de verte aangapen. De familie heeft het door, probeert Aschenbach te ontwijken, maar hij blijft desnoods urenlang wachten om de schone jongeling weer terug te zien. Hij fluistert: "Ik houd van je"; de verteller gebruikt termen als 'verliefd' en 'minnaar'. 

Allemaal waar, maar waarschijnlijk is er meer: terugverlangen naar de jeugd. Hij voelt zich oud, de inspiratie druppelt moeizaam naar binnen, grote ideeën en omvangrijke werken lijken onbereikbaar. Bovendien dwaalt de dood door Venetië. Er is sprake van giftige dampen, toeristen die wegtrekken en mensen die plotseling sterven. Cholera! Maar het stadsbestuur bezweert dat er niets aan de hand is. Aschenbach begrijpt dat hij moet vertrekken, maar dan zal hij Tadzio niet meer zien. Beter nog: hij moet de familie, die kennelijk niets in de gaten heeft, waarschuwen. Zijn hartstocht overwint: hij waarschuwt helemaal niemand, en blijft. De dood sluipt naderbij.

Deze beroemde novelle is op allerlei manieren toegelicht en geanalyseerd. Thomas Mann filosofeert, via zijn hoofdpersoon en met hulp van o.a. Plato, over schoonheid en kunstenaarschap, en doet zijn uiterste best juist in deze vertelling alles op zijn allermooist uit te drukken: lange gebeeldhouwde zinnen, perfecte woordkeus, zorgvuldig gekozen beeldspraak. Wat míí echter zal bijblijven, is het beeld van de beroemde oude man, die volledig in de ban is van een blonde jongen met grijze ogen, en hem obsessief achtervolgt. Hij jaagt zijn jeugd achterna, net als de lezer heel goed wetend hoe zinloos dat is. 

Thomas Mann, De dood in Venetië. Vertaling Hans Hom, met een nawoord van Guido Snel. Arbeiderspers, Amsterdam, 2019. 150 blz. Oorspronkelijke titel: Der Tod in Venedig (1912). 

16-11-2025

LEVEN BINNEN DE ITALIAANSE MAFFIA

Op 13 maart 2008 las de advocaat van Francesco Bidgonetti, één van de machtigste criminele bazen van Italië, tijdens het hoger beroep van het Spartacusproces een verklaring voor, waarin auteur Roberto Saviano aangeraden werd op te houden met zijn speurwerk. Hij had namelijk met zijn internationale succes Gomorra in 2007 ondubbelzinnig aangetoond hoe Napels in de loop van de jaren in de handen van de camorra gevallen was. Sindsdien  leeft Saviano in het verborgene. Hij is zijn vrijheid kwijt, maar dat heeft hem niet belet om in 2024 met een tweede boek zijn omvangrijke kennis van de Italiaanse maffia te etaleren.  

Daarvoor sprak hij met betrokkenen, las hij getuigenverklaringen, controleerde hij verhalen die over de onderwereld de ronde deden. Wat mij deugd deed, is dat Saviano ook Joe Pistone interviewde. Pistone is de undercoveragent die onder de naam Donnie Brasco zes jaar lang succesvol infiltreerde in machtige New Yorkse maffiafamilies. Ook hij is ondergedoken; een goed boek en een beroemde film geven u een betrouwbaar beeld van de maffiawereld waarin hij verkeerd had.

In Wij tweeën horen bij elkaar legt Saviano ons uit hoe het gezinsleven functioneert binnen de Italiaanse maffia. Wat zijn de regels, welke codes worden gehanteerd, waar moet je als bendelid op letten? Voor allen geldt: pleeg nooit een aanslag als er een kind in de buurt is. Er zijn ook verschillen.  De Cosa Nostra (Sicilië) vindt een rokkenjager als boss onbetrouwbaar; zo'n man is niet in staat een overeenkomst na te leven en zijn mannen eerlijk te leiden. Hij behoort ook niet te roken en te drinken. Bij de camorra ( rond Napels) moet de baas trouw bewijzen aan zijn familie, maar hij moet ook tonen dat hij het leven kent, ervan kan genieten. Men ziet hem dan als een echte leider. Wanneer hij echter fysiek aftakelt, gaat hij zijn gezag verliezen. Ook de trouwste onderdaan loert op het geschikte moment om de plaats van zijn baas in te nemen. 

In het huwelijk is niet de echtgenote de centrale figuur, maar altijd de man. De vrouw wordt gezien als koopwaar. Vaak wordt ze door de ene boss aan de andere afgestaan om bondgenootschappen te bevestigen en gebiedsuitbreidingen voor te bereiden. Trouwen met een burgermeisje heeft als voordeel dat je bezittingen op haar naam kunt laten zetten. Voor Cosa Nostra is de enige wezenlijke taak van de vrouw: kinderen krijgen. En geen meisjes, jongens. Een zoon biedt de mogelijkheid om de macht te erven en later de vader te vervangen. Een maffioso zonder erfgenaam loopt gevaar, en zijn vrouw ook. Hij kan geen boss blijven, omdat hij zijn macht niet kan behouden. Aan een dochter heb je helemaal niets. 

Vaders, broers, soms ook neven houden de vrouw van een maffioso nauwlettend in de gaten. Als zij niet echt lekker meewerkt, als ze zelfs probeert een ander leven op te bouwen, dan treden ze nadrukkelijk op. De eerbaarheid, dus de zaken, dus de inkomsten  staan op het spel. Een vrouw die meerdere minnaars heeft, schaadt het aanzien van haar man. Hoe onmannelijk is hij wel niet als zijn echtgenote anderen nodig heeft! 

Ongeschreven wetten, erecodes, regels: wanneer je als bendelid in de fout gaat, word je niet alleen opgejaagd en gedood, de vreselijkste martelingen, ook van je familieleden, gaan eraan vooraf. Maffiosi die praten met de politie, zijn mensen die wraak willen nemen. Vanwege de minachting, het bedrog, de vernederingen die ze hebben moeten ondergaan, willen ze zich wreken, om vervolgens na hun vrijlating een andere identiteit aan te nemen.

Aan het slot wendt de auteur zich tot de lezer. Heeft hij ook zoveel afschuw gevoeld tijdens het lezen van zijn boek? Dat heb ik inderdaad. Die gruwelijke moorden, die vreselijke martelingen, dat meedogenloze geweld, ook tegenover vrienden en familieleden, om het geld, de eer, de macht: zo wreed kan een mens blijkbaar zijn. 
Roberto Saviano, Wij tweeën horen bij elkaar. Vertaling Jan van der Haar. Het Spectrum, Amsterdam, 1925. 253 blz. 







15-09-2025

HET VERHAAL VAN HORACIO

 Niemand voelt zich eenzaam in de wereld van Horacio. Waarom zou je ook? Horacio zelf heeft zes meisjes en één zoon, de hondsbrutale Jerónimo. Zijn vrouw Margarita wordt zeer geregeld bezocht door haar vijf zussen, terwijl hij dan graag de wijk mag nemen naar broer Elías, de schrijver, of broer Alvaro, de zwijgzame, die toch ook goed is voor acht kinderen. Ze zijn eigenlijk de belangrijkste personen in zijn leven, waarin Elías als oudste een vaderrol speelt. Broers en zussen, ooms en tantes, allen met hun kinderen: ze komen voortdurend bij elkaar over de vloer, en de jeugd verbaast zich erover dat die vaders elkaar steeds "Pacho Luis" noemen. En dat is weer één van die vele verhalen waar deze roman vol van staat.

Wat is Horacio eigenlijk voor een man? Van middelbare leeftijd, nerveus, snel in paniek, handelaar in alles wat met kunst, antiek of zogenaamd antiek te maken heeft. Hij kent twee obsessies: de dood en zijn oude Volkswagen. In zijn heftige dromen komen beide veelvuldig voor. Een hartpatiënt, onze Horacio, maar dat zijn zijn broers ook. Het is een familiekwaal, waar ieder op zijn eigen manier mee omgaat. En die broers, wat zijn dat eigenlijk voor mannen?  

Alvaro is handelsreiziger in de meest uiteenlopende artikelen, maar het meest verdient hij aan zijn loterijagentschap. Achter zijn wat norse voorkomen vindt u een gevoelig man. Hij kan ontroerd raken van een pasgeboren kalfje dat dampend in het ochtendlicht baadt, of van sommige gedichten, of van de rondzwermende zaden van een balsaboom. Elías, de literator, de filosoof, de observeerder, ziet het allemaal aan, kent zijn geliefde broers, beschermt ze, helpt ze waar mogelijk, ook financieel.

Nu mogen we de bloedmooie vrouw van Horacio niet vergeten. Hij kan af en toe maar niet begrijpen dat ze hem wilde, maar dat komt omdat hij in zijn verlegenheid niet weet dat hij voor vrouwen een knappe man is. Margarita is op en top een zakenvrouw. Geregeld reist ze met haar zus van het Colombiaanse platteland naar Miami. Voor aanvang van de reis is ze al haar vrienden en kennissen langsgegaan om de bestellingen te noteren. Ze heeft een goed oog voor niet al te dure nieuwe snufjes, zodat bij terugkomst het geld binnenstroomt. 

In deze wereld vol geurige oranjebloesems en sinaasappelbomen, met een huisarts die ook laat in de avond patiënten aan de deur krijgt die pilletjes willen, haalt iedereen uit het leven wat er maar te halen valt. Natuurlijk is de dood in de buurt, Horacio weet daar alles van en het slot van deze roman is op indrukwekkende wijze gewijd aan zijn ongelijke strijd. Maar genieten van het leven doen ze allemaal, het liefst te midden van familie, vrienden en bekenden. 

Tomás González, Horacio's verhaal. Vertaling uit het Spaans door Jos den Dekker. Merediaan Uitgevers, Amsterdam, 2024. 219 blz. Oorspronkelijke titel: La historia de Horacio, uitgegeven in 2000. 


01-08-2025

DE TIJGERKAT

 Kunt u zich Garibaldi nog herinneren? Italiaans generaal en nationalist, die een uiterst belangrijke rol speelde bij de eenwording van Italië. Gesteund door vorst Victor Emanuel vocht hij vanaf 1860 met zijn duizend roodhemden om dat doel te bereiken.  Op 11 mei 1860 zetten zij voet aan wal op Sicilië, op 30 mei is Garibaldi heer en meester in Palermo. Op 17 maart 1861 is Victor Emanuel koning over heel Italië, op Rome en Venetië na. In 1870 komt  ook dat in orde.

Lijdzaam slaat in mei 1860 de machtigste edelman van Sicilië, don Fabrizio, prins van Salina, de politieke verwikkelingen gade. Hij beschikt over landerijen, buitenplaatsen en een fantastisch groot paleis, maar met zijn scherpe intellect begrijpt hij al heel snel dat de wereld gaat veranderen. Het volk ziet Garibaldi als een bevrijder, de aristocratie moet buigen voor de massa. De prins is een excentriek en wat melancholiek man, slechts echt geïnteresseerd in sterrenkunde en het wel en wee van zijn oeroude adellijke familie. Hij heeft een onderdanige vrouw en zeven kinderen, maar de jonge Tancredi is zijn neef, pupil en torenhoge favoriet. Vanaf zijn veertiende staat de jongen onder zijn hoede. Tot ontsteltenis van de don steunt Tancredi, nu een twintiger, Garibaldi. 

Tancredi is knap, sociaal heel vaardig, zeer geliefd bij de dames. Maar hij kiest de beeldschone Alicia, dochter van de rijke, platvloerse don Calogero, burgemeester van een dorpje, en in alles de tegenpool van de prins. De slimme jongeman overtuigt zijn oom ervan dat hij voor de toekomst kiest, en die ligt absoluut niet bij de verkalkte aristocratie. Don Fabrizio begrijpt, maar als de nieuwe bewindvoerders hem een positie in het nieuw te vormen parlement aanbieden, weigert hij hoffelijk.

Onder de  brandende zon van Sicilië met zijn prachtige natuur en eeuwenoude tradities treedt onherroepelijk het verval van huize Salina in. De patserige Calogero zal de don in rijkdom verre overtreffen, het prachtige paleis wordt verwoest en zijn drie dochters zullen uiteindelijk als oude vrijsters achterblijven. Het is niet anders. 

Deze fraaie, in Italië beroemde historische roman is geschreven door Giuseppe Tomasi di Lampedusa (Palermo, 1896 - Rome, 1957), twaalfde hertog van Palma, elfde prins van Lampedusa. Zelf dus van adel, wist waar hij het over had. Voor de figuur van don Fabrizio heeft hij zijn overgrootvader genomen, terwijl hij voor diverse gebeurtenissen putte uit het verleden. Maar de moderne lezer ontdekt ook iets: het onvermijdelijke einde van alles waaraan wij hechten. Wat blijft is de schoonheid van de natuur, de liefde voor kunst en wetenschap. En dat alles gegoten in die fraaie, barokke stijl waar Lampedusa zo goed in was. Jammer dat hij de publicatie van zijn enige roman niet heeft kunnen meemaken.

Hoe zit dat nu met die tijgerkat? Sommigen melden dat het hier gaat om een luipaard, dat gebruikt wordt in het wapen van het geslacht Salina. Elders kwam ik tegen dat de tijgerkat tot de kleine soorten van de katachtigen behoort. Luipaard (of panter) klinkt beter en past  uitstekend in de roman. De Engelse vertaling luidt dan ook The Leopard. De auteur beschrijft geregeld hoe don Fabrizio als een luipaard loopt, beweegt, sluipt. Mooi toch!

G. Tomasi di Lampedusa, De tijgerkat. Vertaling van Anthonie Kee. Oorspronkelijke titel: Il Gattopardo (1958). Athenaeum - Polak & Van Gennep. Amsterdam, 2012. 384 blz. 


01-07-2025

HET EIND VAN DE RELATIE

Als de weinig succesvolle romanschrijver Maurice Bendrix op een natte, sombere avond in het door de oorlog geschonden Londen van 1946 een oude bekende tegenkomt, is hij niet meteen enthousiast. Het is tenslotte maar Henry Miles, een integere, beschaafde Engelse ambtenaar, tikkeltje kleurloos dus. Maar één ding moet je hem nageven: zijn vrouw Sarah is opvallend mooi. Bendrix, ongehuwd, kinderloos, heeft tot voor twee jaar een hartstochtelijke relatie met haar gehad . Toen maakte ze het volkomen onverwacht uit. Heeft Henry iets geweten? Bendrix ziet slechts een wereldvreemd man in hem, maar in de maanden die volgen, leert hij dat hij zich vergist heeft.

Want ze gaan op die avond naar Miles' huis waar hij haar terugziet, even verrukkelijk als toen. Van haar man hoort hij later dat ze wellicht minnaars heeft, en dat hij het plan koestert om van de diensten van een privé - detective gebruik te maken, Haat en liefde, u weet er alles van, liggen in elkaars verlengde. Ook bij Bendrix vlammen deze gevoelens weer op. Hij praat Miles die detective uit het hoofd, maar schakelt er zelf een in. Tegelijkertijd starten ze weer met hun verhouding, en opnieuw blijken ze voor elkaar bestemd. Als het de detective lukt Maurice het dagboek van Sarah in handen te spelen, leest hij dat ze hem adoreert, maar juist daarom in gewetensnood verkeert. Haar man schat ze nog steeds hoog, en ze worstelt met het geloof. Bestaat God? Bemoeit Hij zich daadwerkelijk met de mens? Is het katholicisme voor mij aantrekkelijk? De lezer, die tot dusver alles door de ogen van Bendrix heeft gezien, ontmoet nu een heel andere Sarah en dat geldt dus ook voor Maurice.

Zoals Sarah worstelt met God, en daarbij hulp zoekt bij priesters, zo vecht Maurice met zijn gevoelens. Sarah is van hem, hij wil haar absoluut niet delen, maar hij heeft inmiddels vriendschappelijke gevoelens voor haar man, die beminnelijk blijft en meer weet dan Maurice vermoedde. Wanneer het moment nadert dat de twee gelieven er serieus over nadenken om samen weg te trekken, slaat het noodlot, of het toeval, of God, toe.

De katholiek Graham Greene ( Berkansted, Hertfordshire, Engeland; 1904 - 1991)mocht het in zijn tientallen romans en verhalen graag over religieuze kwesties hebben. Dat doet hij hier dus ook, en hij voegt er kleine beschouwingen over schrijverschap en psychologie aan toe. Dat leidt ertoe dat je een trage roman leest, met overwegingen die in 1951 ongetwijfeld actueel waren, maar nu wat ouderwets overkomen. Nee: toen een meesterwerk, nu alleen een lezenswaardig boek. 

Graham Greene, Het eind van de relatie. Oorspronkelijke titel: The End of the Affair (1951). Vertaling Peter Verstegen. Uitgegeven in de Perpetua Reeks, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2021. 189 blz. 



02-06-2025

EEN INTERMEZZO VAN SALLY ROONEY

 Laten we eerst eens gaan kijken naar de vijf hoofdpersonen die Sally Rooney (Castlebar, Ierland, 1991) in haar nieuwste roman zo zorgvuldig beschrijft. Aanvankelijk denk je dat Peter geregeld neuriet: "Het is moeilijk bescheiden te blijven, wanneer je zo goed bent als ik." Hij is 32 jaar, lang, knap, zeer intelligent. Studeerde filosofie, maar is werkzaam als jurist. Sociaal vaardig, altijd onder de mensen, vriendinnen in overvloed, maar daarover later. Zijn duistere kant houdt hij zorgvuldig verborgen. Peter kan absoluut niet alleen zijn, heeft paniekaanvallen, soms grenzend aan zelfmoordplannen. Hij mag zich graag omringen door mensen over wie hij kan heersen, zodat hij zich superieur waant. Nee, ik mag hem niet.

Zijn jongere broer Ivan heeft uiterlijk wat van Peter weg, al doet die beugel afbreuk aan zijn charme. In sommige opzichten lijkt hij qua karakter op zijn broer: beiden zijn ambitieus, ongeduldig, hard voor anderen en zichzelf. Ook aan intellect ontbreekt het hem niet: hij heeft theoretische natuurkunde gestudeerd, en gold toen hij zestien was als een enorm schaaktalent. Die reputatie is inmiddels verbleekt. Om den brode doet hij aan data - analyses; af en toe neemt hij deel aan schaakseances. Onhandig in het menselijk verkeer, afkerig van sociale conventies: het heeft allemaal tot gevolg dat hij geen normaal bestaan kan leiden. Hij zocht bescherming bij zijn vader, maar die is onlangs gestorven. Ivan kijkt tegen zijn broer Peter op, die dan weer hinderlijk beschermend en neerbuigend doet. Ja, ik mag hem wel. En de vrouwen?

Het zijn er drie, en ze steken allen positief af tegen die ingewikkelde mannen. Peter bijvoorbeeld gaat zeer intiem om met twéé aantrekkelijke dames: Sylvia en Naomi. We zullen eerst Sylvia onder de loep nemen. Welnu, zij is degene bij wie Peter echt tot rust komt, bij wie hij zich veilig en geborgen voelt. Universitair docent in de literatuurwetenschap, verfijnde smaak, tolerante opvattingen, charmante verschijning: begrijpelijk dat ze jarenlang onafscheidelijk zijn, totdat een noodlottig ongeval daar een einde aan maakte. Seksueel is ze tot niets meer in staat. Ze weet van Naomi en accepteert de nieuwe situatie, al toont ze zich onverwacht één keer verschrikkelijk jaloers.

Tsja, Naomi. Studente, 23 jaar, geen familie die haar steunt, geen vaste woon - of verblijfplaats, geen geld om haar studie te betalen. Zonder haar kan Peter ook niet, dus biedt hij haar een woonplek aan en steunt hij haar financieel. Seksueel heeft zij alles waarin Sylvia noodgedwongen tekort schiet. Ze is Peter dankbaar, maar durft wel degelijk tegen hem in te gaan. Ze weet van Sylvia en kan dat verdragen.

Blijft over: Margaret. Zodra Ivan en zij elkaar zien, vallen ze eigenlijk als een blok voor elkaar. Toch wel opmerkelijk, want ze mag wel een opvallend mooie vrouw zijn, ze is veertien jaar jonger en bovendien getrouwd, al woont ze apart, ergens op het Ierse platteland. Iedereen kent haar daar, want ze is programmeur van culturele manifestaties, zodat ze zich zorgen maakt over de onvermijdelijke roddels. Dat geldt ook voor Ivan: wat zullen vrienden, kennissen, familieleden (Peter!) wel niet zegen als hij met een veel oudere vrouw voor de dag komt?

Zo botsen werelden, overtuigingen en karakters op elkaar in deze roman vol bespiegelingen en zelfonderzoek. Door vaak de monologue intérieur te gebruiken, zorgt de auteur ervoor dat de lezer op de hoogte is van wat er zich in al die hoofden afspeelt. Knap gedaan, al had zij wat mij betreft ook het een en ander aan mijn lezersfantasie over kunnen laten. Hier en daar wat open plekken had goed gekund, al moet ik toegeven dat de roman eindigt met een slot waar u en ik instemmend bij kunnen knikken.

Toch: is het mogelijk om van twee vrouwen tegelijk te houden? Nou en of. 

Sally Rooney, Intermezzo. Vertaling Gerda Baardman en Jan de Nijs. Ambo/Anthos, Amsterdam, 2024. 425 blz.

02-05-2025

EEN KAT, EEN MAN EN TWEE VROUWEN

 Lily is niet zomaar een kat. Ze is wat de Engelsen een schildpadkat noemen:  een glanzend bruine vacht, bezaaid met markante, zwarte vlekken. Haar kop is kort en compact, waarin opvallend grote, prachtige, goudkleurige ogen. Maar bovenal valt haar schoonheid op, en haar vermogen om haar baasje Shozo te manipuleren. 

Er is geen reden om een hoge dunk van Shozo te hebben. Hij heeft zijn school niet afgemaakt, werkte bij een bank, was koksleerling, maar hield het nergens lang uit. Biljarten, flirten met de serveersters in volkscafés, totdat hij op zijn zesentwintigste gekoppeld werd aan het plichtsgetrouwe, ijverige dienstmeisje Shinako. Ze houdt oprecht van hem, maar onder leiding van zijn moeder wordt ze genadeloos uit dat huwelijk verwijderd ten behoeve van de jonge Fukuko, die financieel meer te bieden heeft. En ook zij valt voor Shozo, want hij is een charmeur. Niet knap, maar hij kan met vrouwen omgaan, die hem vervolgens graag verwennen.

Dit zijn dus de hoofdrolspelers in deze Japanse roman uit 1936 van rasverteller Junichiro Tanizaki (Tokio, 1886 - 1965), waarin het vooral gaat om de heel speciale verhouding tussen kat en man. Ze liefkozen elkaar, gaan al tien jaar met elkaar om. Shozo zegt het zelf: Lily staat hem nader dan Fukuko of Shinako. Met de laatste is hij slechts 2,5 jaar getrouwd geweest, met de eerste nu net een maand. Hij vlooit zijn kat, zorgt voor haar voedsel, gaat om de twee dagen naar het strand om vers kattenbakzand te halen en kamt haar vacht met een borstel.

 Maar waar de vrouwen van gruwen is hun spel rond de middagmaaltijd. Shozo heeft een schaaltje jonge horsmakrelen voor zich staan. Hij houdt een visje tussen zijn eetstokjes, dat hij vlak boven haar neus laat bungelen om het vervolgens in zijn eigen mond te stoppen. Hij zuigt de marinade eruit, kauwt de krokante graatjes kapot en neemt het visje tussen zijn eetstokjes. Nu eens hoog, dan weer laag slingert het voor de begerige ogen van Lily, die uiteindelijk het makreeltje naar binnen slikt. 

U begrijpt: toen er een brief binnenkwam van Shinako, waarin ze Lily opeist, wordt dat verzoek met hoongelach ontvangen. Maar Fukuko, die tabak heeft van dat geflikflooi van haar man met dat stomme beest, heeft daar wel oren naar. Weg met dat kreng! Hij heeft echter de kat nodig. Zijn moeder en zijn vrouwen houden hem voor een onnozel man, weet hij, een vriend bij wie hij zijn hart uit kon storten, heeft hij niet, dus voelt de charmeur Shozo zich vaak eenzaam. Hij zal alles in het werk stellen om zijn geliefde kat te behouden.

 Een fijnzinnige vertelling, deze roman, met een zorgvuldige karaktertekening, die ervoor zorgt dat je als lezer voor iedereen begrip kunt opbrengen. Ja, ook voor Lily.

Junichiro Tanizaki, Een kat, een man en twee vrouwen. Oorspronkelijke druk 1936. Vertaling uit het Japans Geert van Bremen. Meulenhoff, Amsterdam, 2024. 174 blz. 



03-04-2025

DE GEDAANTEVERWISSELING VAN KAFKA

 

Toen Gregor Samsa, na een nacht vol onrustige dromen, 's morgens wakker werd, ontdekte hij dat hij in een monsterachtig ongedierte veranderd was, compleet met een hard pantser als rug, een bruine, gewelfde buik die in harde boogjes verdeeld was, en een aantal zielige, dunne pootjes. Hij zag ook dat hij zich verslapen had. De trein van zeven uur moest hij hebben, en dat lukte nu niet meer. Nee, beste lezer, geen nachtmerrie, maar barre werkelijkheid!

Hij blijft plichtsbewust denken. Zijn ouders en zijn zus zijn financieel van hem afhankelijk. Zijn vader heeft vijf jaar geleden veel geld verloren, Gregor is bij één van zijn schuldeisers als handelsreiziger in dienst getreden. Pa werkt nu helemaal niet meer, zus Grete is pas zeventien jaar en moeder lijdt aan astma. Ze wonen, in 1912, met zijn vieren in een huurhuis in Praag. Een chef komt langs om te vragen waar hij blijft. Nog kan hij zich verstaanbaar maken, maar dat zal steeds moeilijker worden. Vanachter zijn gesloten deur laat hij weten zich niet lekker te voelen, maar zo snel mogelijk weer aan het werk te willen. 

Hoe ziet Gregor er eigenlijk uit? Als een reusachtige kever, denkt auteur en literatuurprofessor Vladimir Nabokov. Hij schat zijn lichaamslengte op 90 cm, en waarschijnlijk loopt Gregor op zes zeer dunne pootjes. Bruin, rond, breed: zoiets wil je niet in je huis hebben. Ze krijgen hem te zien als hij de woonkamer in kruipt, maar jagen hem terug naar zijn eigen vertrek, en draaien bliksemsnel de sleutel om. Gelukkig staat daar een canapé, waar hij behaaglijk onder kan liggen.

Je zou verwachten dat pa, ma en zus geregeld in tranen uitbasten en zich rond hun eigen kevertje zouden verzamelen om hem te troosten, maar niets is minder waar. Gregor kan door een spleet van de deur zien hoe ze de krant lezen, en zich met alledaagse dingen bezighouden. Hijzelf blijft vol liefde aan ze denken, neemt niemand wat kwalijk, hoopt voor hen dat ze deze vreemde situatie aankunnen.

Natuurlijk gaat Gregor achteruit. Hij krijgt maar één keer per dag eten dat voor mensen bedoeld en vaak bedorven is, zodat hij nauwelijks wat nuttigt. Bovendien heeft zijn vader, uit woede dat hij zich even laat zien, een appel op zijn rug gegooid, wat voor een lelijke wond zorgt, die niet geneest. Zijn vonnis wordt geveld door zus Grete, van wie hij dacht dat ze zo van hem hield.  " Dat monster wil ik niet meer de naam van mijn broer geven. We moeten proberen er vanaf te komen." Vader geeft haar volkomen gelijk, moeder zwijgt en barst in een astmatisch hoesten uit. 

Als alles voorbij is, gaan ze gezellig naar de stad. Hun toekomst ziet er veelbelovend uit: alle drie hebben betaald werk, ze zullen verhuizen naar een kleinere, maar toch gerieflijke woning, en pa en ma vatten het plan op voor hun aantrekkelijke dochter een geschikte echtgenoot te vinden. 

Gregor heeft zijn leven gegeven, zijn ouders en zus hebben optimaal van hem geprofiteerd, nu schuiven ze hem terzijde. Of, zoals Nabokov opmerkt: Gregor wordt als mens getoond in de gestalte van een insect. Zijn gezinsleden zijn insecten die de gedaante van een mens hebben aangenomen. Zijn dood roept in hun insectenziel de gedachte op dat ze vanaf nu ongehinderd plezier kunnen maken. 

Beste lezer, als ik u een raad mag geven: probeer Kafka eens te lezen in zijn eigen taal, het Duits. Hij schrijft weliswaar graag in lange zinnen, maar hij doet dat helder en beeldend, met een dun laagje ironie erover, zodat u toch geregeld een lichte glimlach niet kan onderdrukken. Ook daarom is Die Verwandlung een meesterwerk.

Franz Kafka, De gedaanteverwisseling. Verzameld Werk, blz. 676 - 720. Querido, Amsterdam 1977. Vertaling Nini Brunt. 

Vladimir Nabokov, Lectures on Literature. Harvest Book, New York, 1980. 

Franz Kafka, Die Verwandlung. Fischer Taschenbuch Verlag, Frankfurt am Main, 2023. Oorspronkelijke druk: Leipzig, oktober 1915.


03-02-2025

DE NACHTSTEMMER

 Wie enigszins thuis is in leven en werk van Maarten 't Hart, begeeft zich tijdens het lezen van de roman  De nachtstemmer op vertrouwd terrein. Zo citeert de hoofdpersoon, orgelstemmer Gabe Pottjewijd, geregeld uit de Bijbel, hoewel hijzelf niet meer gelovig is; beschikt hij over een fabelachtige kennis van klassieke muziek; herkent de meest uiteenlopende plantensoorten; blijkt goed thuis te zijn in de Nederlandse literatuur; lijkt het havenstadje waar de roman zich afspeelt, opmerkelijk veel op zijn geliefde (?) Maassluis. Als u bovendien weet dat Maarten graag en vaak op kerkorgels gespeeld heeft en bovendien altijd wil weten hoe iets werkt, begrijpt u zijn behoefte om ook de lezer uitgebreid te informeren over de bouw van zo'n majestueus muziekinstrument. 

Wat doet hij daar eigenlijk? Gabe is in dienst van een Duits bedrijf dat in opdracht van kerkbesturen overal in de wereld kerkorgels laat stemmen. U moet daar niet te licht over denken. Het stemmen van een pijporgel vereist een scherp gehoor, omzichtigheid, lenigheid, geduld en uithoudingsvermogen. Dat Gabe ook nog over een absoluut gehoor beschikt, is lekker meegenomen. Zijn baas stuurt hem de hele wereld over, en dat brengt hem tot de constatering dat hij in Duitsland het hoffelijkst wordt behandeld en in Holland het onverschilligst.

Het stadje grossiert in griezels: een winkelier die de vreemde naam Pottjewijd in een volle winkel luid laat schallen; een beheerder van het zeemanstehuis die een monstermontuur op zijn neus draagt zonder glazen erin; een bevolking die je meteen tutoyeert, recht voor zijn raap alles maar tegen je zegt en geen greintje voorkomendheid toont. Hij is blij wanneer hij er weg kan, totdat hij de Braziliaanse weduwe Gracinha en haar zwijgzame, maar muzikale dochter Lanna ontmoet.

Grazinha is een opzienbarende verschijning in dit troosteloze plaatsje, want ze is beeldschoon. Ongeveer vijfenveertig jaar, mat, zwart olieachtig glanzend haar, een breed gezicht, modieus gekleed. Haar dochter van veertien lijkt helemaal niet op haar, maar dat hoeft ook niet, want haar taak zal erin bestaan dat ze Gabe helpt bij het stemmen.

Grazinha mag dan zó mooi zijn, dat ook welgestelde en hooggeplaatste mannen toenadering zoeken, maar ze krijgen die niet en dat wordt hen op onvriendelijke wijze in gebroken Nederlands duidelijk gemaakt. Maar Lanna voelt zich tot Gabe aangetrokken, de moeder biedt hem haast elke dag een kop soep en een tosti aan, waardoor er zowaar een soort relatie tussen deze drie ontstaat. Het stadje kijkt wantrouwig toe: hun schoonheid en die wat sullige, wereldvreemde stemmer? Wat moet dat?

Een amusante, vlot vertelde, op een geven moment zelfs spannende roman van Maarten 't Hart, die opnieuw laat zien dat hij een uitstekende verteller is. Terecht ontving hij onlangs de P.C. Hooft - Prijs 2025. Toch nog een vraag aan Maarten: die dreigbrief in stadhuistaal, wie heeft die nu eigenlijk geschreven?

Maarten 't Hart, De nachtstemmer. De Arbeiderspers, Amsterdam - Antwerpen, 2019. 315 blz. 

16-10-2024

WOESTE HOOGTEN

 In het najaar van 1801 bezoekt de Engelsman Lockwood, ongehuwd, bemiddeld, zijn huisbaas Heathcliff, van wie hij het fraaie landhuis Thrushcross Grange gehuurd heeft. De man woont zelf in de Woeste Hoogten, een oud grijs huis op een heuvel, terwijl een paar kilometer verderop de Grange ligt.  Dit is  Noord -  Engeland, met eindeloze heidevelden, fraaie zomers, pittige winters, altijd een stevige wind. Kortom, ideaal voor  mensen die van eenzaamheid houden. 

Heathcliff is een man met een uitgesproken onaangenaam uiterlijk: groot, breed, zwarte ogen, borstelige wenkbrauwen, achterdochtige blik. Bovendien neemt hij een wel zeer onvriendelijke houding tegen zijn nieuwe huurder aan. Die leert tijdens zijn verblijf in die ruige omgeving Nelly Dean goed kennen, de huishoudster op Woeste Hoogten, die hem de geschiedenis van de bewoners van beide landhuizen en de raadselachtige Heathcliff  uitvoerig vertelt. Waarom ze dat doet? Daarover later.

Eerst Heathcliff. Eens werd hij door de oude heer Earnshaw, eigenaar van Woeste Hoogten, meegenomen uit Liverpool, waar hij als straatschoffie rondliep. Zwart, vuil, haveloos; hij leek wel een zigeunerkind. Hij zal altijd de lieveling van meneer Earnshaw blijven, maar zoon Hindley, toen veertien jaar, haatte hem. Jarenlang zal Heathcliff gepest, getreiterd en vooral vernederd worden. Dat laatste gebeurde vooral in het bijzijn van Catherine, de dochter des huizes, en even oud als hij. Ze zullen als een soort broer en zuster samen opgroeien, en uiteindelijk hartstochtelijk verliefd worden. Zoals Catherine het later verwoordt:" Nelly, ik ben Heathcliff! Hij is altijd, altijd in mijn gedachten - niet tot mijn genoegen, net zomin als ik voor mijzelf een genoegen ben." Ja, haar hartstocht voor hem kent ook een portie eigenliefde.

Voor Heathcliff bestaat er maar één echte hartstocht in zijn leven, en dat is Catherine. Dus is een vernedering door Hindley waar zij bijstaat, absoluut niet te verteren. Telkens weer wraak nemen, dat wordt zijn enige doel. Als hij toevallig Catherine hoort zeggen dat het haar zou verlagen als ze met hem zou trouwen, loopt hij weg. Enkele jaren later keert hij als een welgesteld man terug. Catherine blijkt inmiddels gehuwd te zijn; ze zal in het kraambed sterven en een dochter krijgen met de naam Cathy. Hindley, inmiddels alcoholist, is vader van zoon Hareton. Met andere woorden: de eerste generatie is er nog, een tweede meldt zich aan. En iedereen moet eraan geloven, vindt Heathcliff. Wrok, ontstaan in de jonge jaren, zit heel, heel diep.

Nee, Heathcliff is geen duivel, al heeft hij er uiterlijk wat van weg. Hij haalt enkele rotstreken uit, zeker, maar hij intimideert vooral, hij dreigt voortdurend. De wrok drijft hem, maar ook zijn obsessieve liefde voor Catherine. En aan het slot zal Heathcliff moeten vaststellen dat zijn wraaklust ook zijn grenzen kent.

Heftiger emoties dan in deze roman zult u wel niet tegenkomen. De schrijfster heeft er daarom voor gekozen twee nuchtere personen, de een van dichtbij, de ander van een afstand, het verhaal te laten vertellen: huishoudster Nelly Dean en huurder meneer Lockwood. En Nelly had er een bedoeling mee: de jonge Cathy was haar favoriet. Ze zag haar wegkwijnen en trachtte haar te koppelen aan een welgestelde Engelse vrijgezel. Cathy zal een keuze maken waar zowel Nelly als Heathcliff vanop kijkt. U begrijpt: Wuthering Heights wordt gezien als hèt meesterwerk van de zo getalenteerde zussen Brontë. 

Emily Brontë, Woeste Hoogten. Oorspronkelijke druk 1847. Nederlandse vertaling K. Luberti 1956, elfde druk 1977. Het Spectrum, Utrecht/ Antwerpen. 295 blz. 

Maarten 't Hart, Het eeuwige moment. Essays. Arbeiderspers, Amsterdam, 1983. Blz. 62 e.v. 




16-09-2024

MR MICAWBER

 Ik neem u mee naar de eerste helft van de negentiende eeuw in Engeland, waar de tienjarige David Copperfield aan het werk moet in Londen. Zijn hardvochtige stiefouders dwingen hem om, te midden van rondlopende ratten, in een fabriek lege flessen te controleren en schoon te maken. Op de eerste dag wordt hij door zijn chef voorgesteld aan de man in wiens huis David een kamertje mag bewonen. Een gezette heer van middelbare leeftijd rijst voor hem op, met een opvallend breed gezicht en een glimmende schedel. Zijn kleren zien er wat armoedig uit, maar het opzichtige wandelstokje met de frivole kwastjes en de monocle aan de revers van het jasje geven hem toch een haast voornaam aanzien. Meneer Micawber is de naam. Hij zal voor altijd Davids vriend zijn.

Micawber en zijn echtgenote zullen hem niet als een jongen, maar als een volwassene beschouwen. Ze bespreken in alle ernst met hem hun problemen, en die liggen steeds op financieel gebied. Nog duidelijker: Micawber heeft een gat in zijn hand. Constant is hij bezig schuldeisers buiten de deur te houden en potentiële geldschieters om leningen te vragen.

Zijn welbespraaktheid en charme zijn hem daarbij van grote steun. Hij spreekt in lange, aangenaam klinkende volzinnen, waarbij hij strooit met bekende citaten uit het werk van Shakespeare. Mensen van wie hij geld wil lenen, noemt hij al gauw "vriend", en hij drukt ze geregeld warm de hand. Tevens huldigt hij de stelling dat goed eten en drinken vóór het betalen van rekeningen gaat. Micawber is bereid om de laatste lepeltjes van het zilveren bestek naar de lommerd te brengen, zodat hij zijn geliefde punch kan bereiden. U moet hem dan eens zien genieten, omwolkt door de geur van citroenschillen met suiker, de lucht van hete rum en de damp van kokend water. Als het echtpaar op een gegeven moment zit te wachten op een geldwissel waarmee ze de huur kunnen betalen, bestelt Micawber alvast nierbroodjes en garnalen.

Waar David aanvankelijk hevig van schrikt, zijn Micawbers plotseling optredende depressies. Hij schrijft dan brieven die topzwaar zijn van ellende, met zelfmoord als enige uitweg. De ondertekeningen luiden  "Van De Berooide Verworpeling" of "Resten Van Een Ingestorte Toren". Als David de eerste keer zo'n brief ontvangt, ijlt hij naar de plaats des onheils, oftewel het onderkomen van de familie. En wie ziet hij zingend zitten op de bok van een rijtuig? Inderdaad. Manisch? Het zou kunnen.

Ook Micawber heeft, net als u en ik, een duistere kant.  Hij benadeelt zijn gezin, houdt zich veel meer bezig met het wel en wee van anderen dan met zijn eigen plichten, en gebruikt zijn mensenkennis om makkelijk te beïnvloeden figuren over te halen hem wat geld te lenen, terwijl hij weet dat ze het nooit terug zullen krijgen. Berekenend ? Zeker. Zo valt het David op dat Micawber wel iedereen langs gaat, maar hem nooit om geld gevraagd heeft. Waarom niet? Micawber zal zich gerealiseerd hebben dat zijn jonge vriend David zelf eens een meelijwekkend ventje geweest is. Hij wist ook dat David, als hij hem om geld gevraagd had, niet had durven weigeren. Het siert hem, vindt David, dat Micawber hem nooit lastig gevallen heeft. Ook voor een sluwe vos bestaan er blijkbaar grenzen.

Charles Dickens, David Copperfield. Oorspronkelijke druk: Londen, 1850. Vertaling André Noorbeek. Eerste druk 1953, verschenen als Prisma bij Het Spectrum. Company of Books' Dickens Bibliotheek, 2004. 834 blz.

01-09-2024

IK KOM HIER NOG OP TERUG

 Er liggen twee bruggen over het IJ: de Amsterdamsebrug en de Schellingerwouderbrug. Het stalen hekwerk langs de fietspaden van die bruggen dient goed in de verf te zitten. De spijlen, de leuning, de horizontale balken, ze worden constant onderhouden door een man die daar drieënhalve dag per week mee bezig is. Hij heet Rob Hollander, heeft in de jaren tachtig twee jaar filosofie gestudeerd, was werkloos totdat men hem bij de gemeente dit baantje toeschoof. Hij kan ervan leven, doet het al jaren, woont in een flatje dat vol staat met boeken, want hij leest elke dag romans en verhalen. Als het maar verzonnen is.

Rob is een pure individualist, altijd geweest. Tijdens zijn werk wil hij liever niet aangesproken worden, als student had hij ook nauwelijks contacten, hij houdt mensen graag op afstand. Waarom? Is er in zijn leven wat voorgevallen? Vormen mensen een bedreiging? Nou ja, hij wordt er door een enkele journalist nog weleens op aangesproken dat hij als jongen van twaalf met een vriendje in een bos verdwaalde waar een verdachte man woonde. Ongeruste moeders, opgewonden buren, politie erbij... het haalde de plaatselijke krant, maar veel stelde het allemaal niet voor, toch?

Allerlei herinneringen komen naar boven als een voormalige student filosofie zich tot hem wendt. Zijn naam luidt André Icks, woonachtig in Los Angeles, waar hij schatrijk geworden is. Hij beschikt zelfs over, en nu moet u niet schrikken, een tijdmachine. Wist u dat zo'n apparaat er heel eenvoudig uitziet? Een manshoge glanzend witte kast, die wat lijkt op zo'n kunststof toilet dat je op bouwplaatsen ziet. Als Rob erin stapt en de deur dichtslaat, maakt het apparaat een beweginkje en dan bevindt hij zich al in Los Angeles.

Icks doet hem een voorstel. Met behulp van de tijdmachine kan Rob terugreizen naar een persoon, of een plek, om iets recht te zetten. Hij had iets moeten zeggen, doen, maar dat is niet gebeurd. Dat kan nu geregeld worden. Hij krijgt vijf pogingen, omdat, zoals Icks weet, er makkelijk wat fout kan gaan. 

Rob hapt toe. Hij wil naar 13 november 1998. Toen zag hij op de brug over de Amstel mr. G.B.J. Hiltermann, in ochtendjas en op pantoffels. Hiltermann! Vooraanstaand journalist en op de radio de man die de toestand van de wereld toelichtte. Het heeft Rob altijd dwars gezeten dat hij hem niet met zachte hand naar huis heeft geleid. Rob liep gewoon door; nu grijpt hij de kans om een goede daad te verrichten.

Vier keer loopt het fout af. Bij de vijfde keer ontdekt Rob tot zijn ontzetting dat hij wel in Amsterdam is, maar op een verkeerde plek, en ook de datum klopt niet. Het is november 1987. Wat nu?

Dwalend door de stad ontmoet hij zijn oud - studenten filosofie, die allemaal hetzelfde is overkomen. Icks, tijdmachine, laatste poging, en nu staan ze hier. Waarom? Heeft Icks op iets wraak willen nemen? Hebben we ooit iets ergs gedaan? Hoe komen we de tijd door? Wat doen we met ons leven?

Werkelijk fascinerend, deze roman. Je blijft denken, combineren, raden wat komen gaat, en toch word je door de slimme opbouw en goedgekozen details geregeld verrast, al viel het slot me een tikkeltje tegen. Vooral bevalt mij het beeld van die schilder, Rob dus, die in zijn flatje 's avonds leest en leest, alleen maar fictie, en over het talent beschikt om wat hij leest op dat moment voor waar aan te nemen. En een nog belangrijkere eigenschap voor hem: dankzij zijn fantasie kan hij zijn eigen leven verfraaien en zin geven. Want je verleden kun je nu eenmaal niet overdoen, maar wel voor jezelf draaglijk maken.  

Rob van Essen, Ik kom hier nog op terug. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2023. 397 blz. Winnaar van de Libris Literatuur Prijs  2024.


16-08-2024

BERICHTEN VAN HET BLAUWE HUIS

 "Waar is Wanda Meening gebleven?" 

Het villadorp waar het Blauwe Huis heeft gestaan, ligt in de groene zone ten oosten van de Randstad. Het beschikt over bochtige lanen en in de zomer zijn dat schaduwrijke tunnels van groen. De villa met de diepblauw geglazuurde pannen, omstreeks 1900 gebouwd, rees toen toverachtig omhoog tussen de dicht gegroepeerde bomen van de uitgestrekte tuin. Eens woonde er de familie Lunius met de dochters Felicia en Nina. Het koetshuis komt in handen van Diederik Meening en zijn vrouw Wanda; een ander deel van het perceel wordt verkocht aan Otto Munt die er een bungalow laat bouwen, terwijl zijn echtgenote Nora aan de slag gaat met een bloementuin. 

Al deze mensen ontmoeten elkaar in mei 1984, als Felicia en Nina voor een paar maanden terugkeren naar het dorp van hun jeugd. Allen zullen gadegeslagen worden, becommentarieerd, beoordeeld door een koor van anonieme stemmen van dorpsbewoners, dat zich na verloop van tijd meermaals afvraagt: "Waarom zien we Wanda Meening niet meer?" Want al spoedig blijkt dat er tussen de bewoners van het Blauwe Huis en omstreken lijntjes lopen. Zo kennen sommigen elkaar al van hun vroegste jeugd.

De zussen, als eigenaressen van het Huis, spelen een sleutelrol. Wie zijn ze eigenlijk? Felicia is de ingetogen, voorname vrouw van een inmiddels overleden diplomaat. Ze heeft met hem over de hele wereld gereisd, maar echt gelukkig was ze nooit. Nina is in alles haar tegenpool. Extravert, avontuurlijk, lid van een Argentijnse zang - en dansgroep, bewonderaarster van de Dwaze Moeders, tegenstander van Videla, gevangen gezeten en gemarteld. Financieel zit ze aan de grond. Het zal u dus niet verbazen dat beide zussen steeds slechter met elkaar overweg kunnen. 

Wanda zoekt naar een doel in haar leven, zou persfotograaf willen worden, en verdiept zich in die opstandige jaren van Nina. Die is daar absoluut niet van gediend. Omdat Wanda uitermate ongelukkig getrouwd is, wil ze scheiden. Ze stapt in een onbekende auto en verdwijnt. De dorpsgemeenschap begrijpt niets, weet niets, roddelt veel. U, als geroutineerd lezer, heeft hele sterke vermoedens.

Het Blauwe Huis is inmiddels afgebroken, alleen de herinneringen blijven, en somberheid is dus troef. Allemaal ongelukkige mensen in deze roman, ondanks de fraaie huizen en de schitterende omgeving. Het is niet alles wat het lijkt, ook hier kan de schone schijn de rauwe werkelijkheid niet verhullen.

Technisch gezien is dit een knap opgebouwde roman met slimme verwijzingen, een dubbel vertelperspectief en raadsels die om een oplossing vragen. Maar het moet me van het hart dat de hoofdpersonen zo weinig ziel vertonen, zo clichématig zijn, slechts zelden empathie oproepen. In de toenmalige kritiek werd geopperd dat Hella Haasse, toen 68 jaar, wellicht moeite begon te krijgen om zich echt in haar figuren in te leven. Laten we toch vooral niet vergeten dat ze ons een hele reeks prachtige boeken geschonken heeft.

Hella S. Haasse, Berichten van het Blauwe Huis. Querido, Amsterdam, eerste druk 1986, tiende druk 1993. 161 blz.


01-08-2024

IN AUGUSTUS ZIEN WE ELKAAR

 Toen de beide zoons van Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez (1927 - 2014) zo'n  tien jaar na zijn dood zijn allerlaatste verhaal opnieuw lazen, waren ze aangenaam verrast. Omdat hij aan Alzheimer leed, was hij niet aan het slot toegekomen, maar met behulp van een bevriende uitgever en diverse naaste medewerkers, die gebruik konden maken van enkele manuscripten, kon deze novelle, geheel in de stijl van de grote meester, gepubliceerd worden. Rodrigo en Gonzalo tonen zich uitermate tevreden. Terecht?

Elk jaar gaat Ana Magdalena Bach op 16 augustus met de boot naar een eiland in de Caribische Zee. Op hetzelfde uur, met dezelfde taxi, bij dezelfde bloemenverkoopster in de gloeiende zon met een vers boeket gladiolen, dat ze neerlegt op het graf van haar moeder. De laatste jaren bezocht die geregeld dit onaanzienlijke eiland. Drie dagen voor haar dood had ze verzocht daar begraven te worden. Aan het graf vertelt ze haar moeder wat er het afgelopen jaar gebeurd is.

Ana is 46, 27 jaar gelukkig getrouwd met een succesvolle man; hun  twee kinderen doen het uitstekend. Zelf beschikt ze over prachtige gouden ogen, ze is intelligent en muzikaal. Kortom: het leven heeft haar voortdurend toegelachen. Omdat de eerste boot pas de volgende ochtend vertrekt, moet Ana in een hotel slapen. Deze keer gebeurt er iets bijzonders: een uiterst aantrekkelijke man is dusdanig onweerstaanbaar, dat ze die nacht samen doorbrengen. Nooit eerder was ze vreemdgegaan.

Het smaakt naar meer. Elk jaar als ze in augustus afreist, voelt ze zich vrij en onafhankelijk, gaat op avances in van mooie mannen die ook nog zeer bedreven in het liefdesspel zijn. Maar in haar eigen omgeving is ze braaf; diverse vriendinnen hebben meerdere minnaars, haar man vertrouwt ze ook niet, maar het eiland inspireert haar. Hoezo? Totdat ze bij het graf een prachtig boeket ziet liggen. Van wie? Zeker, we blijven trouw tot de dood ons scheidt, maar die kan ook verbinden...

De kritiek op deze novelle verschilt nogal, maar ik ben best tevreden. Een interessante, onafhankelijke vrouw, mannen die haar aandurven, een leuk plot, een verrassend, licht magisch - realistisch slot: Márquez mag voldaan op zijn zonen neerkijken. 

Gabriel García Márquez, In augustus zien we elkaar. Vertaling Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff Boekerij, Amsterdam, 2024. 128 blz.