02-01-2026

CLAUDINE IN PARIJS

 Kort geleden zag ik de Engelse film Colette uit 2018, geregisseerd door Wash Westmoreland, met in de hoofdrol Keira Knightley. Ik had weleens van de Franse schrijfster Colette (1873 - 1954) gehoord, maar nog nooit iets van haar gelezen. De film vertelt ons het verhaal van haar eerste huwelijk en de geschiedenis rond haar Claudine - romans. Ik raakte dusdanig geboeid door haar opwindende leven en vooral de onverschrokkenheid waarmee zij de mannenwereld tegemoet trad, dat ik op zoek ging naar moderne vertalingen van haar werk. Die zijn er! De kleine uitgeverij Van Maaskant Haun heeft in Gerda Baardman een vertaalster gevonden die de vier romans met Claudine in de hoofdrol in zeer leesbaar, levendig Nederlands heeft weten om te zetten. Ze zijn alle voor een belangrijk deel autobiografisch.

Op haar zeventiende verhuist Claudine met haar vader en hun poes van het lieflijke dorpje Montigny naar het reusachtige Parijs. Pa is wetenschapper, en schrijft dikke boeken over slakken; voor het drukken en uitgeven van zijn werk is het ook eind negentiende eeuw aanzienlijk handiger om dicht in de buurt van geleerden en uitgevers te wonen. Claudine kent bij wijze van spreken slechts hun grote huis, de dierbare tuin en de dorpsschool; vader is slechts in zichzelf en zijn werk geïnteresseerd.

Hoe ziet de jeugdige Claudine eruit? Zoals elk meisje van die leeftijd mag ze zichzelf vaak  in de spiegel bestuderen, en mede dankzij de opmerkingen van oudere heren in de Parijse straten wordt het haar duidelijk dat ze er goed uitziet. Matte huid, haar met een bronzen glans, donkere, diepe ogen. Haar karakter? Ze mag zich graag met andermans zaken bemoeien, toont met voorliefde hoe slim ze is, kennis van zaken heeft op veel gebieden, snel van begrip. Een bijdehandje dus. Volwassenen op stang jagen, hun rust verstoren, ze mag het graag doen. Ze wéét dit alles, want zelfkennis bezit ze ook.

Drie personen beïnvloeden zeer nadrukkelijk haar eerste Parijse jaar. Ze ontmoet toevallig haar vroegere vriendinnetje Luce, die door haar moeder en zus verjaagd is uit het dorp en vervolgens in Parijs contact zocht met haar zestigjarige oom. Deze was bereid haar te helpen. Wat heet: ze wordt zijn maintenee, woont gerieflijk, kleedt zich opzichtig, maar  moet wel al zijn wensen inwilligen. Claudine voelt plotseling walging opkomen, als Luce trots haar verhaal vertelt. Ik ben toch een gewoon burgerlijk meisje, vindt ze zelf.

Maar de andere twee zijn mannen die je bepaald niet burgerlijk kunt noemen. De een is haar neef Marcel, van haar leeftijd, die eruit ziet als een mooi meisje en zich ook als zodanig kleedt. De term homoseksueel valt niet, maar zijn liefde voor zijn vriend wijst nadrukkelijk in die richting. Claudine en Marcel gaan al gauw vertrouwelijk met elkaar om.

De vader van Marcel, oom Renaud, is zo'n weduwnaar tot wie vrouwen van uiteenlopende leeftijd zich snel aangetrokken voelen. Lang, slank, gedistingeerd, een gebronsde huid en  donkerblond haar met grijze strepen. Veertig jaar, oud dus, maar zijn zoon fluistert haar toe dat hij telkens met andere vriendinnen op stap gaat. Tot haar aangename verrassing toont hij veel belangstelling voor haar. Hij neemt haar zelfs mee naar de schouwburg en dure restaurants...

Waarom is het zo aangenaam, zelfs vermakelijk om deze roman uit 1903 te lezen? Colette hanteert een heel natuurlijke, modern aandoende stijl, zonder uitvoerige bespiegelingen of intellectuele poespas. De roman behoort dan ook een dagboek van een zeventienjarige te zijn, en dat is uitstekend gelukt. Veel rake observaties, kenmerkende details, zintuiglijke ervaringen ook: hoe het ergens ruikt, wat de overheersende kleuren zijn in kleding of tapijt, hoe schel of warm geluiden klinken. Claudine beschikt over goedmoedige maar ook felle spot, gevoel voor humor, en staat haar mannetje als die kerels weer eens willen heersen. 

Deze roman is het tweede deel uit de Claudine - reeks. Het eerste heet Claudine op school, deel drie en vier Claudine getrouwd en Claudine vertrekt.

Colette, Claudine in Parijs. Oorspronkelijke titel: Claudine à Paris (1903). Nederlandse vertaling Gerda Baardman. Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2023. 186 blz.


CLAUDINE GETROUWD

Ik heb u al verteld hoe Claudine met haar vader in Parijs terechtkwam, daar veel heimwee had naar haar geboortedorp Montigny, vriendschap sloot met de fattige Marcel, en zo diens vader Renaud ontmoette, een charmante man van veertig. Tot haar aangename verbijstering toont hij veel belangstelling voor haar. Zeventien is ze dan.

So far, so good. Maar iets in mij zei dat u toch graag zou willen weten hoe deze affaire afliep. En eerlijk gezegd wilde ik dat ook. Ik zette Claudine in Parijs op mijn blog en begon aan Claudine getrouwd.

Een verloving van drie weken, vervolgens het burgerlijk en kerkelijk huwelijk: op haar negentiende is Claudine getrouwd met een veel oudere man op wie ze stapelgek is. Hij heeft dan ook veel mee: lang, gebronsde huid, haar met grijze strepen. Hij doet alles wat zij wil, maar hij zal zich nooit uitleveren, en een vorm van tederheid gebruiken om zijn diepste gevoelens niet prijs te hoeven geven. Ja, Claudine heeft mensenkennis.

Na een lange huwelijksreis verblijven ze enige tijd in de provincie, in haar dorp Montigny. De velden, de bossen, de oude school: de herinneringen stromen bij haar naar binnen; het platteland zal ze altijd prevaleren boven Parijs. Bovendien kan ze hier met haar vaderlijke minnaar showen. Claudine mag zich overigens graag laten kussen door aantrekkelijke schoolmeisjes. Een lesbische aanleg, waar we het nog over zullen hebben.

Terug in Parijs kan ze kiezen uit twee appartementen, die allebei in het bezit zijn van Renaud. Aan geld is nooit gebrek; hij schrijft diepgaande artikelen voor serieuze bladen, heeft een uitgebreide kennissenkring, drukt iedereen de hand die er op enigerlei wijze toe doet. En zo ontmoet Claudine Rézi Lambrook en haar man. Zij zal het leven van onze heldin voor anderhalf jaar totaal veranderen.

De voornaamste bron van haar charme zijn haar bewegingen: haar heupen, hals, de arm die ze naar haar kapsel beweegt, haar gewelfde taille: alles cirkels, cirkeltjes, spiralen, en even volmaakt. Ambergrijze ogen, lange wimpers, golvend, goudkleurig haar, en dat alles gegoten rond ronde heupen en een smalle taille. Na twee weken zijn de beide dames de beste vriendinnen. 

Rézi is heel direct. Ze vertelt dat ze mannelijke aanbidders heeft die haar vervelen, en dat geldt ook voor haar echtgenoot. In één adem door deelt ze mee dat ze zich tot Claudine aangetrokken voelt, haar mooi vindt, haar wil kussen en strelen. Wat geschrokken, gaat Claudine daar toch in mee. Een lesbische relatie is geboren. En Renaud? Hij ziet, weet, begrijpt en moedigt zelfs aan. Je zou zijn houding voyeuristisch kunnen noemen, maar ik geloof eerder dat hij zijn vrouw alle genoegens gunt waar zij prijs op stelt. En die worden steeds fysieker. De hartstocht spat ervan af.

De man van Rézi blijft constant op de achtergrond, maar Renaud duikt telkens gedienstig op. Rézi mag hem, want "hij heeft een vrouwenziel, hij begrijpt en beschermt ons samenzijn." Tegenover hem schaamt ze zich totaal niet. Met haar scherpe tong en haar overheersend karakter weet ze haast iedereen om de vinger te winden. Totdat Claudine beseft: ik ben wel jaloers, maar toch hou ik niet van haar.

Wanneer de wereldwijze zoon van Renaud haar voorzichtig waarschuwt, gebeurt er iets wat u verrast, maar eigenlijk ook wel aan zag komen. En dan is er voor Claudine maar één uitweg mogelijk: in haar eentje terug naar het paradijselijke Montigny, waar haar vader zich inmiddels weer gevestigd heeft. Daar begon de roman toch ook mee?

Met behulp van geuren en kleuren weet de schrijfster sfeer op te roepen en personen te karakteriseren. Zo snuift Claudine "de geur van blonde tabak, lelietjes - van -dalen en een vleugje Russisch leer op die altijd in Renauds kleren en in zijn lange snor hangt." En: "...sla ik een arm om dat kleine stille meisje heen, dat naar het cederhout van potloden en sandelhout van waaiers ruikt." Hoe iedereen gekleed is, hoe de woningen ingericht zijn, de manier waarop mensen zich bewegen, de zorgvuldige beschrijvingen van allerlei gevoelens: hier is een zeer getalenteerde schrijfster aan het woord, die vooral door vrouwen zeer gewaardeerd zal worden.

Er rest ons nog één roman uit deze reeks, namelijk Claudine vertrekt. U hoort nog van mij.

Colette, Claudine getrouwd. Vertaald door Gerda Baartman. Oorspronkelijke titel: Claudine en ménage. (1902). Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2024. 198 blz. 


 


01-12-2025

DE DOOD IN VENETIË

Als Katia, de vrouw van Thomas Mann (Lübeck, 1875 - 1955), tijdens een vakantie in Venetië ziet hoe haar man voortdurend gefascineerd naar een Poolse jongen staart, begrijpt ze dat haar huwelijk met de beroemde Duitse schrijver vooral toneelspel zal zijn. Haar man wilde niet uit de kast komen, omdat hij vreesde dat deze bekentenis het einde van zijn schrijverschap zou inhouden. Thomas Mann zal in Der Tod in Venedig (1912) voor het eerst openlijk over homoseksuele liefde schrijven.

Hij geeft in deze novelle ook het een en ander over zichzelf prijs, en wel in de hoofdpersoon Aschenbach: een wat oudere, beroemde schrijver, getrouwd, één dochter, die ontevreden is over zichzelf, onrustig rondreist, en uiteindelijk in Venetië terechtkomt. Aftakeling, vergane schoonheid, in de volkswijken een bedompte lucht: eigenlijk wil Aschenbach weer snel weg uit de stad. Hij heeft juist behoefte aan een opbeurende omgeving, want hij is moe, het werk wil maar niet vlotten, hij piekert over schoonheid en kunstenaarschap. Gedisciplineerd aan de slag, elke dag werken volgens een vast tijdschema, zo doet hij dat al jaren. Maar behalve  wilskracht bestaat er toch ook passie, hartstocht, een spontane inval? Waar geef je de voorkeur aan? Valt het een en ander met elkaar te combineren? 

's Morgens zittend aan het strand, peinzend en wachtend op inspiratie, ziet hij hem. Een jongen van onbeschrijflijke schoonheid, "mooier dan zegbaar was", zo'n veertien jaar oud. Alles aan hem klopt. Hij blijkt te behoren tot een Poolse familie, en heet Tadzio.  Aschenbach zal hem dagenlang bekijken, hem en zijn familie volgen, nooit aanspreken, slechts in de verte aangapen. De familie heeft het door, probeert Aschenbach te ontwijken, maar hij blijft desnoods urenlang wachten om de schone jongeling weer terug te zien. Hij fluistert: "Ik houd van je"; de verteller gebruikt termen als 'verliefd' en 'minnaar'. 

Allemaal waar, maar waarschijnlijk is er meer: terugverlangen naar de jeugd. Hij voelt zich oud, de inspiratie druppelt moeizaam naar binnen, grote ideeën en omvangrijke werken lijken onbereikbaar. Bovendien dwaalt de dood door Venetië. Er is sprake van giftige dampen, toeristen die wegtrekken en mensen die plotseling sterven. Cholera! Maar het stadsbestuur bezweert dat er niets aan de hand is. Aschenbach begrijpt dat hij moet vertrekken, maar dan zal hij Tadzio niet meer zien. Beter nog: hij moet de familie, die kennelijk niets in de gaten heeft, waarschuwen. Zijn hartstocht overwint: hij waarschuwt helemaal niemand, en blijft. De dood sluipt naderbij.

Deze beroemde novelle is op allerlei manieren toegelicht en geanalyseerd. Thomas Mann filosofeert, via zijn hoofdpersoon en met hulp van o.a. Plato, over schoonheid en kunstenaarschap, en doet zijn uiterste best juist in deze vertelling alles op zijn allermooist uit te drukken: lange gebeeldhouwde zinnen, perfecte woordkeus, zorgvuldig gekozen beeldspraak. Wat míí echter zal bijblijven, is het beeld van de beroemde oude man, die volledig in de ban is van een blonde jongen met grijze ogen, en hem obsessief achtervolgt. Hij jaagt zijn jeugd achterna, net als de lezer heel goed wetend hoe zinloos dat is. 

Thomas Mann, De dood in Venetië. Vertaling Hans Hom, met een nawoord van Guido Snel. Arbeiderspers, Amsterdam, 2019. 150 blz. Oorspronkelijke titel: Der Tod in Venedig (1912). 

16-11-2025

LEVEN BINNEN DE ITALIAANSE MAFFIA

Op 13 maart 2008 las de advocaat van Francesco Bidgonetti, één van de machtigste criminele bazen van Italië, tijdens het hoger beroep van het Spartacusproces een verklaring voor, waarin auteur Roberto Saviano aangeraden werd op te houden met zijn speurwerk. Hij had namelijk met zijn internationale succes Gomorra in 2007 ondubbelzinnig aangetoond hoe Napels in de loop van de jaren in de handen van de camorra gevallen was. Sindsdien  leeft Saviano in het verborgene. Hij is zijn vrijheid kwijt, maar dat heeft hem niet belet om in 2024 met een tweede boek zijn omvangrijke kennis van de Italiaanse maffia te etaleren.  

Daarvoor sprak hij met betrokkenen, las hij getuigenverklaringen, controleerde hij verhalen die over de onderwereld de ronde deden. Wat mij deugd deed, is dat Saviano ook Joe Pistone interviewde. Pistone is de undercoveragent die onder de naam Donnie Brasco zes jaar lang succesvol infiltreerde in machtige New Yorkse maffiafamilies. Ook hij is ondergedoken; een goed boek en een beroemde film geven u een betrouwbaar beeld van de maffiawereld waarin hij verkeerd had.

In Wij tweeën horen bij elkaar legt Saviano ons uit hoe het gezinsleven functioneert binnen de Italiaanse maffia. Wat zijn de regels, welke codes worden gehanteerd, waar moet je als bendelid op letten? Voor allen geldt: pleeg nooit een aanslag als er een kind in de buurt is. Er zijn ook verschillen.  De Cosa Nostra (Sicilië) vindt een rokkenjager als boss onbetrouwbaar; zo'n man is niet in staat een overeenkomst na te leven en zijn mannen eerlijk te leiden. Hij behoort ook niet te roken en te drinken. Bij de camorra ( rond Napels) moet de baas trouw bewijzen aan zijn familie, maar hij moet ook tonen dat hij het leven kent, ervan kan genieten. Men ziet hem dan als een echte leider. Wanneer hij echter fysiek aftakelt, gaat hij zijn gezag verliezen. Ook de trouwste onderdaan loert op het geschikte moment om de plaats van zijn baas in te nemen. 

In het huwelijk is niet de echtgenote de centrale figuur, maar altijd de man. De vrouw wordt gezien als koopwaar. Vaak wordt ze door de ene boss aan de andere afgestaan om bondgenootschappen te bevestigen en gebiedsuitbreidingen voor te bereiden. Trouwen met een burgermeisje heeft als voordeel dat je bezittingen op haar naam kunt laten zetten. Voor Cosa Nostra is de enige wezenlijke taak van de vrouw: kinderen krijgen. En geen meisjes, jongens. Een zoon biedt de mogelijkheid om de macht te erven en later de vader te vervangen. Een maffioso zonder erfgenaam loopt gevaar, en zijn vrouw ook. Hij kan geen boss blijven, omdat hij zijn macht niet kan behouden. Aan een dochter heb je helemaal niets. 

Vaders, broers, soms ook neven houden de vrouw van een maffioso nauwlettend in de gaten. Als zij niet echt lekker meewerkt, als ze zelfs probeert een ander leven op te bouwen, dan treden ze nadrukkelijk op. De eerbaarheid, dus de zaken, dus de inkomsten  staan op het spel. Een vrouw die meerdere minnaars heeft, schaadt het aanzien van haar man. Hoe onmannelijk is hij wel niet als zijn echtgenote anderen nodig heeft! 

Ongeschreven wetten, erecodes, regels: wanneer je als bendelid in de fout gaat, word je niet alleen opgejaagd en gedood, de vreselijkste martelingen, ook van je familieleden, gaan eraan vooraf. Maffiosi die praten met de politie, zijn mensen die wraak willen nemen. Vanwege de minachting, het bedrog, de vernederingen die ze hebben moeten ondergaan, willen ze zich wreken, om vervolgens na hun vrijlating een andere identiteit aan te nemen.

Aan het slot wendt de auteur zich tot de lezer. Heeft hij ook zoveel afschuw gevoeld tijdens het lezen van zijn boek? Dat heb ik inderdaad. Die gruwelijke moorden, die vreselijke martelingen, dat meedogenloze geweld, ook tegenover vrienden en familieleden, om het geld, de eer, de macht: zo wreed kan een mens blijkbaar zijn. 
Roberto Saviano, Wij tweeën horen bij elkaar. Vertaling Jan van der Haar. Het Spectrum, Amsterdam, 1925. 253 blz. 







01-11-2025

SPREKEN IS ZILVER, ZWIJGEN IS GOUD

 De Catskills is een gebergte in het zuidoosten van de staat New York. Bossen, meren, rotsen om tegen op te klimmen, duizenden kilometers om te wandelen of mountainbiken. Als je de stad New York uitrijdt, ben je er na zo'n 150 km. Sam en zijn zeventienjarige dochter Chris zijn ervaren hikers, Sams vriend Matt gaat voor het eerst mee op deze driedaagse tocht.

Zo'n amateur in de gelederen blijft toch wel lastig. Als Matt zijn rugbagage omhangt, vindt hij die veel te zwaar. Sam onderzoekt met kennersoog wat er allemaal uit kan: een dikke roman, een  drinkfles met sterkedrank - die hij niet wil missen - en allerhande onnodig materiaal. Maar het allerbelangrijkste heeft hij dan weer vergeten: zijn slaapzak. Dat worden dus koude nachten, in zijn tentje. Maar ze kennen elkaar al jaren, dus laten ze hun auto achter, en gaan op stap.

Als kijker vraag je je dan af: waarom doe je zoiets? Natuurlijk,  uit sportieve overwegingen, want je hebt onherroepelijk een prestatie neergezet. Zeker, je komt prachtige stukjes natuur tegen. Is er nog iets anders? Misschien wel het belangrijkste: je hebt jezelf bewust afgesneden van de  wereld waarin je gewend bent te leven. Geen bazen, geen opdrachtgevers, geen gezin. Je bent, samen met je kameraden, op jezelf aangewezen, ploeterend door die ongenaakbare natuur, vechtend tegen de langzaam opkomende vermoeidheid. En dan 's avonds, inderdaad bij het kampvuur of iets wat daarop lijkt, komt dan toch naar boven wat je kwijt wil.

Sam, net als Matt van middelbare leeftijd, is gescheiden en dat zit hem dwars. Zijn verstandige dochter meldt dat zijn vrouw en hij beiden fouten hebben gemaakt. Matt, eveneens gescheiden, zit ermee in dat zijn zoon hem haat. "Hij beschermt zijn moeder", weet opnieuw Chris. Ze is, zo jong, al heel wijs, vinden die mannen. Ze luistert aandachtig, bestudeert de oude heren, zegt in korte zinnen waar het om gaat. Over zichzelf is ze zwijgzaam. Haar beste vriendin valt op vrouwen, weet haar vader, maar of ze dat zelf ook doet, komen we niet te weten.

Waarom ze er plotseling vandoor gaat en na uren bij hun auto staat te wachten, begrijpt pa niet, maar de kijker, en hopelijk Matt, wel. Ze legt dat ook niet uit, en Sam is zo verstandig om er niet rechtstreeks naar te vragen. Wel plaatst hij een brokje rots op het dashboard, haar daarbij onderzoekend aankijkend. Wij in de zaal weten: dat rotsje, dat is zij. Het zijn de laatste beelden van de film.

Waar gaat die over? Communicatie, verbaal en vooral ook non - verbaal. Hoe mensen kijken, stiltes laten vallen, losse woorden gebruiken die toch veel betekenis hebben, weglopen. Hitchcock had dit een goede film gevonden: beelden moeten her verhaal vertellen, spanning opbouwen, de toeschouwer emotioneel raken. Dit was het debuut van regisseur India Donaldson, een Amerikaanse filmmaakster, geboren in 1984, die eerder drie korte films heeft gemaakt. Ik zal haar blijven volgen.

Good One. Regisseur: India Donaldson. Acteurs: Lily Collias, Sumaya Bouhbal, Valentine Black. Land: Verenigde Staten. Jaar: 2024.

01-10-2025

DE DONKERE KAMER VAN DAMOKLES

 Willem Frederik (voor zijn vrienden: Wim) Hermans woonde in 1953 nog maar net in Groningen omdat hij daar een baan had gekregen aan het Economisch - Geografisch Instituut, toen hij in een antiquariaat de schat vond die hem jarenlang veel leesplezier zal verschaffen. De verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie  Regeringsbeleid 1940 - 1945 bevatten verklaringen van generaals, verzetsmensen, spionnen en parlementsleden, soms fantastische verhalen, en dikwijls volstrekt tegenstrijdig. Twee onderwerpen fascineerden hem dusdanig, dat hij ze verwerkt heeft in zijn beroemdste roman, De donkere kamer van Damokles, namelijk het Englandspiel en de zaak - Van der Waals.

Het Englandspiel was de strijd tussen de Engelse en de Duitse geheime dienst. De Engelsen hadden het plan opgevat om vanuit Engeland spionnen naar Nederland te sturen, waar ze allerlei sabotageacties moesten ondernemen. Maar alles was slecht voorbereid: de arme spionnen kregen slecht vervalste bonkaarten en paspoorten mee, en zilveren guldens die allang niet meer in omloop waren. Het zendverkeer kon makkelijk door de Duitsers beluisterd worden, zodat de Engelse agenten na de dropping meteen gearresteerd werden.

De zaak - Van der Waals inspireerde Hermans heel nadrukkelijk voor zijn roman. Anton van der Waals was van jongs af aan een leugenaar, verklikker en oplichter. In de oorlog ging hij al gauw voor de Duitsers aan de slag. Hij wist verzetsgroepen binnen te dringen, deed vervolgens volop mee, en als de tijd rijp was, verraadde hij alles en iedereen. Hij reisde door heel het land en werd uiteraard vorstelijk beloond. Na de oorlog, tijdens zijn berechting, hield hij maandenlang zijn onschuld vol. Ene Emile Verhagen zou zijn opdrachtgever geweest zijn. 

Hoewel de roman overloopt van avonturen en persoonsverwisselingen berust de inhoud op één duidelijk gegeven: de relatie tussen Henri Osewoudt, door wiens ogen we alles zien, en zijn dubbelganger Dorbeck. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, heeft Osewoudt weinig opwindends van het leven te verwachten: hij voorziet in zijn onderhoud als tabakswinkelier in Voorschoten, is getrouwd met zijn foeilelijke nicht, die zeven jaar ouder is en onvruchtbaar. Osewoudt moet het zelf trouwens ook niet van zijn uiterlijk hebben: klein, dun vlasblond haar, een piepstem en géén baardgroei. Als Dorbeck binnenloopt en vraagt of Osewoudt een filmrolletje voor hem wil ontwikkelen, weet hij niet wat hij ziet. Zijn evenbeeld, maar dan mannelijk! Dik zwart haar, een bronzen stem, een waas van haartjes rond wangen en kin. Zó had hij eruit willen zien. 

Dorbeck betrekt hem meteen bij verzetsactiviteiten, waarbij Osewoudt enkele mensen doodschiet. Pas in 1944 meldt Dorbeck zich weer. Henri doet wat hem wordt opgedragen, wordt door de Duitsers opgepakt en gemarteld. Foto's van Dorbeck doen de ronde, maar Henri wordt voor hem aangezien en van Dorbeck heeft niemand gehoord. Na de bevrijding arresteren de geallieerden hem. Hij staat bekend als verrader en provocateur die voor de vijand heeft gewerkt. Telkens weer beroept Henri Osewoudt zich op Dorbeck, geeft toe dat hij niets is zonder die man, maar iedereen die hem zou kunnen helpen, is dood of verdwenen. Het loopt dan ook uiteindelijk slecht met hem af.

Zelden werd een roman zo uitgeplozen als De donkere kamer van Damokles. Daarbij werd veelvuldig de vraag gesteld: bestáát Dorbeck eigenlijk wel? Osewoudt is namelijk een onbetrouwbare verteller: hij is gefascineerd door Dorbeck, voor wie hij alles wil doen; Henri is erfelijk belast, want zijn moeder zit niet voor niets in het gekkenhuis; af en toe heeft hij last van hallucinaties. Maar Hermans zelf is heel duidelijk: natuurlijk bestaat Dorbeck! Er zijn toch mensen die hem gezien hebben! Die dachten echter dat ze Osewoudt tegengekomen waren. Het nachtmerrie - achtige van dit boek wordt door deze duistere Dorbeck nadrukkelijk versterkt.

Het gevaar dreigt dat de strekking van Hermans roman uit het zicht verdwijnt als we Dorbeck zoveel aandacht geven. Het dubbelgangersmotief dient om intieme vragen te stellen, verlangens te uiten, wensen te vervullen.  Wat Henri in Dorbeck ziet, waarom hij een dubbelganger nodig heeft, is inmiddels wel duidelijk. Hermans  heeft vooral uitdrukking willen geven aan zijn sombere levensvisie. De mens leeft onder een voortdurende bedreiging, omdat hij niet weet wie of wat hem bedreigt. Een oorlogssituatie maakt dat gevoel alleen nog maar erger. Hij is trouwens niet in staat om zichzelf en anderen goed te begrijpen. Dit alles maakt het leven onbegrijpelijk, doelloos, absurd.

Dus, beste lezer, is deze roman, verschenen in 1958, nog altijd, ook na 67 jaar, een meesterwerk, een fascinerende literaire gebeurtenis. 

Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles. Eerste druk 1958. Vijfentwintigste druk 1983. G.A. van Oorschot, Amsterdam. 335 blz. 

Willem Otterspeer, Dorbeck, waar ben je? De Bezige Bij. Amsterdam, 2012. 142 blz.


15-09-2025

HET VERHAAL VAN HORACIO

 Niemand voelt zich eenzaam in de wereld van Horacio. Waarom zou je ook? Horacio zelf heeft zes meisjes en één zoon, de hondsbrutale Jerónimo. Zijn vrouw Margarita wordt zeer geregeld bezocht door haar vijf zussen, terwijl hij dan graag de wijk mag nemen naar broer Elías, de schrijver, of broer Alvaro, de zwijgzame, die toch ook goed is voor acht kinderen. Ze zijn eigenlijk de belangrijkste personen in zijn leven, waarin Elías als oudste een vaderrol speelt. Broers en zussen, ooms en tantes, allen met hun kinderen: ze komen voortdurend bij elkaar over de vloer, en de jeugd verbaast zich erover dat die vaders elkaar steeds "Pacho Luis" noemen. En dat is weer één van die vele verhalen waar deze roman vol van staat.

Wat is Horacio eigenlijk voor een man? Van middelbare leeftijd, nerveus, snel in paniek, handelaar in alles wat met kunst, antiek of zogenaamd antiek te maken heeft. Hij kent twee obsessies: de dood en zijn oude Volkswagen. In zijn heftige dromen komen beide veelvuldig voor. Een hartpatiënt, onze Horacio, maar dat zijn zijn broers ook. Het is een familiekwaal, waar ieder op zijn eigen manier mee omgaat. En die broers, wat zijn dat eigenlijk voor mannen?  

Alvaro is handelsreiziger in de meest uiteenlopende artikelen, maar het meest verdient hij aan zijn loterijagentschap. Achter zijn wat norse voorkomen vindt u een gevoelig man. Hij kan ontroerd raken van een pasgeboren kalfje dat dampend in het ochtendlicht baadt, of van sommige gedichten, of van de rondzwermende zaden van een balsaboom. Elías, de literator, de filosoof, de observeerder, ziet het allemaal aan, kent zijn geliefde broers, beschermt ze, helpt ze waar mogelijk, ook financieel.

Nu mogen we de bloedmooie vrouw van Horacio niet vergeten. Hij kan af en toe maar niet begrijpen dat ze hem wilde, maar dat komt omdat hij in zijn verlegenheid niet weet dat hij voor vrouwen een knappe man is. Margarita is op en top een zakenvrouw. Geregeld reist ze met haar zus van het Colombiaanse platteland naar Miami. Voor aanvang van de reis is ze al haar vrienden en kennissen langsgegaan om de bestellingen te noteren. Ze heeft een goed oog voor niet al te dure nieuwe snufjes, zodat bij terugkomst het geld binnenstroomt. 

In deze wereld vol geurige oranjebloesems en sinaasappelbomen, met een huisarts die ook laat in de avond patiënten aan de deur krijgt die pilletjes willen, haalt iedereen uit het leven wat er maar te halen valt. Natuurlijk is de dood in de buurt, Horacio weet daar alles van en het slot van deze roman is op indrukwekkende wijze gewijd aan zijn ongelijke strijd. Maar genieten van het leven doen ze allemaal, het liefst te midden van familie, vrienden en bekenden. 

Tomás González, Horacio's verhaal. Vertaling uit het Spaans door Jos den Dekker. Merediaan Uitgevers, Amsterdam, 2024. 219 blz. Oorspronkelijke titel: La historia de Horacio, uitgegeven in 2000.