In het begin van de negentiende eeuw stonden in Engeland artsen uit de hogere klassen bovenaan in de pikorde. Op eerbiedige afstand volgden de chirurgen. Zij werden beschouwd als handwerkslieden, die buiten de universiteit in de praktijk het vak hadden geleerd. Na 1815 kreeg chirurgie wat meer aanzien. Een student moest college volgen, assisteren in het ziekenhuis en tenminste zes jaar in opleiding zijn geweest. En in die tijd gold: een goede chirurg is een snelle chirurg. Een van de beroemdste chirurgen was Robert Liston: in dertig seconden amputeerde hij je been.
Waarom moest dat zo snel? Voor 1842 kon men niet echt goed verdoven. In speelfilms over die tijd zie je dat mensen een fles jenever of whisky overhandigd kregen, maar helpen deed dat nauwelijks. Om de patiënt zo kort mogelijk te laten lijden, was een snelle behandeling gewenst. In 1842 werd in de V.S. voor het eerst verdoofd met ether, in Europa in 1846. In een operatiezaal die gevuld was met honderden toeschouwers liet Liston als een ware acteur zijn kunsten zien, met in dit geval een jongeman die een bacteriële infectie aan zijn knie had opgelopen, zodat zijn been eraf moest. Onder de talloze belangstellenden bevond zich ook de held van deze biografie: de jonge student Joseph Lister (Upton; 1827 - 1912). Hij zal de beroemdste chirurg van zijn tijd worden, en een oplossing weten te vinden voor twee levensbedreigende medische problemen: waarom ontstaan vooral na een operatie infecties, en hoe lossen we deze kwestie op?
Voor chirurgen was er altijd werk. De industrialisatie zorgde voor ongelukken met tandwielen, kranen en stoommachines. Mannen zagen hun vrouwen als persoonlijk bezit, zodat zij geregeld mishandeld werden. Syfilis en tbc konden niet behandeld worden, en armoede leidde tot scheurbuik, want men at eenzijdig voedsel. En in de ziekenhuizen lette geen mens op hygiëne, want niemand wist hoe besmettelijke ziektes werden overgebracht. Listers vader was altijd in de weer geweest met een microscoop; hijzelf zal er, aanvankelijk tot hoon van velen, optimaal gebruik van maken.
In 1864 wees een collega Lister op een onderzoek van de Franse microbioloog en scheikundige Louis Pasteur. Deze had ontdekt dat gisting geen chemisch, maar een biologisch proces was. Bovendien had hij vastgesteld dat microben, toen ook wel 'ziektekiemen' genoemd, door stofdeeltjes worden verspreid en rotting kunnen veroorzaken. Zouden die microben de oorzaak kunnen zijn van al die ziekenhuisinfecties? Zou het niet handig zijn als artsen hun handen wasten, hun instrumenten voortdurend schoonmaakten en hun kleding, vaak onder het bloed, verversten? Hij stelde dankzij zijn microscoop vast dat deze bacteriën in wonden zaten. Hoe vernietig je ze? Met carbolzuur (fenol) ontdekte hij. In 1867 publiceerde hij zijn onderzoek in het gezaghebbende tijdschrift The Lancet.
Originele geesten met splinternieuwe ideeën, die rotsvaste opvattingen omkegelen, worden verguisd. Zo ook Lister. Maar na jaren van strijd worden zijn inzichten erkend. Hij krijgt de erkenning en de roem die daarbij hoort, al zat hij daar niet op te wachten, want Lister was een bescheiden man. In 1877 benoemt men hem tot hoogleraar klinische heelkunde aan het prestigieuze King's College in Londen. Zijn theorieën en technieken worden overal geaccepteerd en ingevoerd; elke medische student wil bij hem college lopen. Hij wordt geridderd en mag zich baronet (Sir) noemen. In 1897 wordt hij zelfs in de adelstand verheven; hij krijgt de titel Lord Lister of Lyme Regis.
Lindsey Fitzharris, De kunst van het snijden. Vertaling Herman Meester. Het Spectrum, Houten, 2018. 302 blz.
26-10-2019
12-10-2019
DE AANSLAG
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog waarschuwden voormalige verzetsstrijders elkaar al. "Vertel bij sollicitaties niet dat je in het verzet gezeten hebt. Je wordt dan namelijk niet aangenomen." Veel Nederlanders zagen hen als waaghalzen, onverantwoordelijke types, die landgenoten opofferden om hun doel te bereiken. Die kon je in je bedrijf niet gebruiken. In De aanslag, Mulisch' beroemdste roman, wordt uiteengezet hoe mensen gebukt kunnen gaan onder schuld en verantwoordelijkheid.
Haarlem, januari 1945, 's avonds rond acht uur. Aan een kade liggen vier villa's naast elkaar: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht, Rustenburg. Plotseling klinken zes scherpe knallen. Twee verzetsmensen doden de gevreesde beul en hoofdinspecteur van politie Fake Ploeg. Zijn lichaam ligt voor Nooitgedacht. De bewoners, de heer Korteweg en zijn dochter Karin, slepen het lijk weg van hun huis en deponeren het voor Buitenrust, waar hoofdpersoon Anton (12 jaar) woont, met zijn ouders en broer Peter (17 jaar). Peter is de enige die de situatie doorheeft: de Duitsers zullen represaillemaatregelen nemen die vooral gericht zijn tegen de bewoners van het huis waar het lijk zich bevindt. Hij snelt naar buiten, pakt het pistool van Ploeg en raakt uit het zicht van Anton die zijn oudere broer staat na te kijken. Hun villa wordt in brand gestoken, zijn ouders en broer gedood; op zijn twaalfde is Anton wees. Een oom en tante ontfermen zich over hem. Jarenlang zal Anton zijn frustraties trachten te verwerken door nergens over te praten en niet op onderzoek uit te gaan, maar het toeval (of het noodlot) wil dat hij in een bestek van zo'n dertig jaar te weten komt wat er zich op die avond nu precies afgespeeld heeft.
"Schuld", verklaarde Mulisch in één van zijn vele interviews, "noem je dat wat niet goed is, over schuld gaan we praten als er gestraft moet worden. Schuld en verantwoordelijkheid moet je uit elkaar houden." Want voor verantwoordelijkheid geldt dat je rekenschap moet afleggen van je daden; bij schuld is dat niet het geval. De schuldige moet met zichzelf in het reine zien te komen. Wie in deze roman treft dat lot?
Om te beginnen de Duitsers, die onschuldige burgers executeerden. Vervolgens de mensen van het verzet die dat wisten, maar toch iemand als Ploeg doodden, omdat die door te martelen namen en adressen van andere verzetsstrijders te weten wilde komen. De heer Korteweg voelt zich zó schuldig, dat hij met dochter Karin helemaal naar de andere kant van de wereld, Nieuw - Zeeland, verhuist. Karin zelf was het liefste meteen doodgeschoten, vertelt ze veel later.
Moesten de verzetsmensen na de oorlog niet verantwoording afleggen voor hun daden? Verzetsman Cor Takes doet dat tegenover Anton Steenwijk. Het was oorlog, Ploeg had al zoveel slachtoffers gemaakt, door stom toeval lag hij voor jullie huis, wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. De Duitsers dus. Mulisch spreekt geen oordeel uit; de lezer moet zelf maar beslissen.
Ergens heeft Harry Mulisch eens verzucht: "Hoe meer ik van de Tweede Wereldoorlog af weet, hoe minder ik ervan begrijp." Dat geldt ook voor Anton Steenwijk, en uiteindelijk ook voor de lezer. Aan het slot weet Anton alles, zijn frustraties kan hij loslaten, als een, min of meer, bevrijd man loopt hij in de grote antikernwapenbetoging van 1981. Een van de velen nu, opgelucht. Maar van begrijpen is geen sprake. Waartoe mensen in staat zijn, wat hen drijft, waarom ze het kwaad omarmen: het is raadselachtig, niet te bevatten, volstrekt absurd.
Harry Mulisch, De aanslag. Eerste druk 1982,61ste druk oktober, 1917. 256 blz.
Sander Bax, De Mulisch Mythe. Amsterdam, 2015.
Haarlem, januari 1945, 's avonds rond acht uur. Aan een kade liggen vier villa's naast elkaar: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht, Rustenburg. Plotseling klinken zes scherpe knallen. Twee verzetsmensen doden de gevreesde beul en hoofdinspecteur van politie Fake Ploeg. Zijn lichaam ligt voor Nooitgedacht. De bewoners, de heer Korteweg en zijn dochter Karin, slepen het lijk weg van hun huis en deponeren het voor Buitenrust, waar hoofdpersoon Anton (12 jaar) woont, met zijn ouders en broer Peter (17 jaar). Peter is de enige die de situatie doorheeft: de Duitsers zullen represaillemaatregelen nemen die vooral gericht zijn tegen de bewoners van het huis waar het lijk zich bevindt. Hij snelt naar buiten, pakt het pistool van Ploeg en raakt uit het zicht van Anton die zijn oudere broer staat na te kijken. Hun villa wordt in brand gestoken, zijn ouders en broer gedood; op zijn twaalfde is Anton wees. Een oom en tante ontfermen zich over hem. Jarenlang zal Anton zijn frustraties trachten te verwerken door nergens over te praten en niet op onderzoek uit te gaan, maar het toeval (of het noodlot) wil dat hij in een bestek van zo'n dertig jaar te weten komt wat er zich op die avond nu precies afgespeeld heeft.
"Schuld", verklaarde Mulisch in één van zijn vele interviews, "noem je dat wat niet goed is, over schuld gaan we praten als er gestraft moet worden. Schuld en verantwoordelijkheid moet je uit elkaar houden." Want voor verantwoordelijkheid geldt dat je rekenschap moet afleggen van je daden; bij schuld is dat niet het geval. De schuldige moet met zichzelf in het reine zien te komen. Wie in deze roman treft dat lot?
Om te beginnen de Duitsers, die onschuldige burgers executeerden. Vervolgens de mensen van het verzet die dat wisten, maar toch iemand als Ploeg doodden, omdat die door te martelen namen en adressen van andere verzetsstrijders te weten wilde komen. De heer Korteweg voelt zich zó schuldig, dat hij met dochter Karin helemaal naar de andere kant van de wereld, Nieuw - Zeeland, verhuist. Karin zelf was het liefste meteen doodgeschoten, vertelt ze veel later.
Moesten de verzetsmensen na de oorlog niet verantwoording afleggen voor hun daden? Verzetsman Cor Takes doet dat tegenover Anton Steenwijk. Het was oorlog, Ploeg had al zoveel slachtoffers gemaakt, door stom toeval lag hij voor jullie huis, wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. De Duitsers dus. Mulisch spreekt geen oordeel uit; de lezer moet zelf maar beslissen.
Ergens heeft Harry Mulisch eens verzucht: "Hoe meer ik van de Tweede Wereldoorlog af weet, hoe minder ik ervan begrijp." Dat geldt ook voor Anton Steenwijk, en uiteindelijk ook voor de lezer. Aan het slot weet Anton alles, zijn frustraties kan hij loslaten, als een, min of meer, bevrijd man loopt hij in de grote antikernwapenbetoging van 1981. Een van de velen nu, opgelucht. Maar van begrijpen is geen sprake. Waartoe mensen in staat zijn, wat hen drijft, waarom ze het kwaad omarmen: het is raadselachtig, niet te bevatten, volstrekt absurd.
Harry Mulisch, De aanslag. Eerste druk 1982,61ste druk oktober, 1917. 256 blz.
Sander Bax, De Mulisch Mythe. Amsterdam, 2015.
28-09-2019
EEN AFREKENING
Zijn huisarts was er gauw klaar mee: "U heeft pfeiffer." Gerrit reageerde ontzet. "Dat krijgen toch alleen jonge mensen?" "Iedereen kan het krijgen. Het is een virusziekte waar we niks voor hebben. We zullen nog een bloedonderzoek laten doen, maar ga er maar vanuit dat ik gelijk heb. Bel uw werkgever maar. Gewoon veel slapen, niet werken en wachten tot het voorbij is."
Inderdaad, van werken kwam niets. Hij was constant moe, slaperig, lusteloos. Zijn keel was opgezwollen en zijn stem schor. In het onderwijs konden ze hem nu echt niet gebruiken. En nu? Hoe kom ik nou mijn dagen door? vroeg Gerrit zich af.
Hij was tot weinig in staat. Ging hij met zijn vrouw de stad in, dan maakte het rumoer van fietsers, toeterende auto's en pratende mensen hem al snel doodmoe. Dus gauw naar huis, op bed liggen, slapen. Thuis was het in ieder geval rustig, maar ook daar waren de mogelijkheden beperkt. Lezen ging niet: alle letters dwarrelden als sneeuwvlokjes voor zijn ogen. Televisiekijken lukte niet, omdat na een paar minuten de beelden begonnen te draaien en te wentelen. Wat overbleef was niet al te opzichtig voor het raam zitten en naar buiten kijken. Ondertussen maalden allerlei gedachten door zijn hoofd. Eén daarvan kwam telkens weer terug: waar blijven ze nou?
Met vier collega's had Gerrit beroepsmatig veel contact. Tot zijn privé - leven liet hij ze niet toe, maar op zijn werk had hij nu eenmaal voortdurend met hen te maken. Nu hij niets te doen had en maar voor zich uit zat te staren, ging hij in zijn gedachten geregeld met ze aan de slag.
Zo dacht hij 's morgens, zo rond elf uur, als hij net was opgestaan, vaak aan Kees. Terwijl hij de buurvrouwen met hun boodschappen zag slepen, zag hij hem voor zich: tamelijk lang, mager, harde stem. Zijn gevoelens wist hij meesterlijk te verbergen, en daarom had hij Gerrit een paar jaar geleden niet in het ziekenhuis opgezocht, toen hij er tien dagen verbleef. Hij was wel de leider van hun groep. Zou hij een bezoekje overwegen? Gerrit kon het zich nauwelijks voorstellen.
Dan had je Marriet, een hulpeloos mensje met een grote mond. De lichte minachting die Gerrit voor haar voelde zal ze weleens gemerkt hebben, maar aan de andere kant: toen zij eens overspannen thuis zat, had Gerrit haar belangstellend opgebeld. Dus nu een telefoontje van háár?
In de loop van de middag kwamen kinderen naar huis, fietsers en brommers reden langs en door die bedrijvigheid voelde hij zich minder eenzaam. Hij riep Nico op, de man die hem geregeld prees, maar toch ook onbarmhartig hard kon zijn. Hij praatte graag over zichzelf, waarbij hij telkens benadrukte over hoeveel talenten hij wel niet beschikte. Een kaartje met Beterschap ! ? Gerrit sloot het niet helemaal uit.
De avonden waren het ergst. Buiten was er niets te zien, vrouw en kinderen hadden hun werkzaamheden en hij had dus niets om handen. Alleen naar muziek luisteren bleef over. Als laatste van de Vier dook dan Johan op. Hij woonde bij hem in de buurt: elke dag reed of fietste Johan twee keer langs zijn huis. Hij mocht graag in het bijzijn van verschrikte vrouwen schuine moppen vertellen. Maar zou hij toch niet één keer op het idee komen om eens af of uit te stappen, en aan te bellen?
Drie maanden lang zat Gerrit te hopen op een telefoontje, een kaartje of een bezoekje van zijn naaste collega's en al die tijd hoorde hij helemaal niets. Gerrit besloot om het heft in eigen hand te nemen. Als de berg niet tot Mohamed wil komen, moet Mohamed naar de berg gaan, dacht hij. Op de dag dat er uitgebreid vergaderd werd en boeken gekeurd, fietste hij vroeg in de ochtend naar school.
Bij zijn onverwachte terugkeer werd hij hartverwarmend begroet. De directeur sprak een sympathiek welkomstwoordje, diverse collega's vroegen naar zijn gezondheid en drukten hem bemoedigend de hand. Opgewekt ging Gerrit op zoek naar de Vier. Waar was Kees? Aha, die zat daar verderop achter een bureautje. Gerrit liep ernaartoe en kuchte. Toen Kees opkeek en Gerrit zag, trok het bloed uit zijn gezicht weg. Versteend keek hij hem aan. Omdat een voorbijlopende vrouwelijke collega opmerkte dat het toch wel erg leuk van Gerrit was dat hij kwam kijken, knikte Kees kort en maakte vervolgens dat hij weg kwam. Dat was één. Ergens in de verte zag en hoorde hij Marriet en Johan bewegen, maar ze kwamen niet zijn kant uit. Dat waren dus twee en drie.
Ach, daar komt Nico aan. Klein, breed, kalend staat hij voor Gerrit. Hij ziet een kwaadaardige schittering in diens ogen. Vervolgens spreekt hij de zin uit die Gerrit nog jaren zal achtervolgen. "Als je gekomen bent om boeken te keuren, dan had je beter thuis kunnen blijven. Dat kunnen we zelf ook wel."
Nooit heeft Gerrit zich zó eenzaam gevoeld als toen. Het was of de grond onder hem werd weggeslagen. En hij begreep. Op deze plek was voor hem geen plaats meer.
Inderdaad, van werken kwam niets. Hij was constant moe, slaperig, lusteloos. Zijn keel was opgezwollen en zijn stem schor. In het onderwijs konden ze hem nu echt niet gebruiken. En nu? Hoe kom ik nou mijn dagen door? vroeg Gerrit zich af.
Hij was tot weinig in staat. Ging hij met zijn vrouw de stad in, dan maakte het rumoer van fietsers, toeterende auto's en pratende mensen hem al snel doodmoe. Dus gauw naar huis, op bed liggen, slapen. Thuis was het in ieder geval rustig, maar ook daar waren de mogelijkheden beperkt. Lezen ging niet: alle letters dwarrelden als sneeuwvlokjes voor zijn ogen. Televisiekijken lukte niet, omdat na een paar minuten de beelden begonnen te draaien en te wentelen. Wat overbleef was niet al te opzichtig voor het raam zitten en naar buiten kijken. Ondertussen maalden allerlei gedachten door zijn hoofd. Eén daarvan kwam telkens weer terug: waar blijven ze nou?
Met vier collega's had Gerrit beroepsmatig veel contact. Tot zijn privé - leven liet hij ze niet toe, maar op zijn werk had hij nu eenmaal voortdurend met hen te maken. Nu hij niets te doen had en maar voor zich uit zat te staren, ging hij in zijn gedachten geregeld met ze aan de slag.
Zo dacht hij 's morgens, zo rond elf uur, als hij net was opgestaan, vaak aan Kees. Terwijl hij de buurvrouwen met hun boodschappen zag slepen, zag hij hem voor zich: tamelijk lang, mager, harde stem. Zijn gevoelens wist hij meesterlijk te verbergen, en daarom had hij Gerrit een paar jaar geleden niet in het ziekenhuis opgezocht, toen hij er tien dagen verbleef. Hij was wel de leider van hun groep. Zou hij een bezoekje overwegen? Gerrit kon het zich nauwelijks voorstellen.
Dan had je Marriet, een hulpeloos mensje met een grote mond. De lichte minachting die Gerrit voor haar voelde zal ze weleens gemerkt hebben, maar aan de andere kant: toen zij eens overspannen thuis zat, had Gerrit haar belangstellend opgebeld. Dus nu een telefoontje van háár?
In de loop van de middag kwamen kinderen naar huis, fietsers en brommers reden langs en door die bedrijvigheid voelde hij zich minder eenzaam. Hij riep Nico op, de man die hem geregeld prees, maar toch ook onbarmhartig hard kon zijn. Hij praatte graag over zichzelf, waarbij hij telkens benadrukte over hoeveel talenten hij wel niet beschikte. Een kaartje met Beterschap ! ? Gerrit sloot het niet helemaal uit.
De avonden waren het ergst. Buiten was er niets te zien, vrouw en kinderen hadden hun werkzaamheden en hij had dus niets om handen. Alleen naar muziek luisteren bleef over. Als laatste van de Vier dook dan Johan op. Hij woonde bij hem in de buurt: elke dag reed of fietste Johan twee keer langs zijn huis. Hij mocht graag in het bijzijn van verschrikte vrouwen schuine moppen vertellen. Maar zou hij toch niet één keer op het idee komen om eens af of uit te stappen, en aan te bellen?
Drie maanden lang zat Gerrit te hopen op een telefoontje, een kaartje of een bezoekje van zijn naaste collega's en al die tijd hoorde hij helemaal niets. Gerrit besloot om het heft in eigen hand te nemen. Als de berg niet tot Mohamed wil komen, moet Mohamed naar de berg gaan, dacht hij. Op de dag dat er uitgebreid vergaderd werd en boeken gekeurd, fietste hij vroeg in de ochtend naar school.
Bij zijn onverwachte terugkeer werd hij hartverwarmend begroet. De directeur sprak een sympathiek welkomstwoordje, diverse collega's vroegen naar zijn gezondheid en drukten hem bemoedigend de hand. Opgewekt ging Gerrit op zoek naar de Vier. Waar was Kees? Aha, die zat daar verderop achter een bureautje. Gerrit liep ernaartoe en kuchte. Toen Kees opkeek en Gerrit zag, trok het bloed uit zijn gezicht weg. Versteend keek hij hem aan. Omdat een voorbijlopende vrouwelijke collega opmerkte dat het toch wel erg leuk van Gerrit was dat hij kwam kijken, knikte Kees kort en maakte vervolgens dat hij weg kwam. Dat was één. Ergens in de verte zag en hoorde hij Marriet en Johan bewegen, maar ze kwamen niet zijn kant uit. Dat waren dus twee en drie.
Ach, daar komt Nico aan. Klein, breed, kalend staat hij voor Gerrit. Hij ziet een kwaadaardige schittering in diens ogen. Vervolgens spreekt hij de zin uit die Gerrit nog jaren zal achtervolgen. "Als je gekomen bent om boeken te keuren, dan had je beter thuis kunnen blijven. Dat kunnen we zelf ook wel."
Nooit heeft Gerrit zich zó eenzaam gevoeld als toen. Het was of de grond onder hem werd weggeslagen. En hij begreep. Op deze plek was voor hem geen plaats meer.
14-09-2019
OVER LEIBNIZ EN HET OPTIMISME
De Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646 - 1716) was een optimistische denker. God staat buiten en boven de wereld. Hij is alwetend en door en door goed. Daarom heeft Hij een wereld geschapen die onder alle mogelijke werelden de beste is. Was een nog betere mogelijk geweest, dan had God die heus wel gekozen. Maar, kun je dan tegenwerpen, hoe komt het kwaad, het lijden, het leed dan in de wereld? De mens is onvolmaakt, hij heeft zijn fouten; hij kan niet aan God gelijk zijn. Daarom zal hij falen, zondigen, een ander ongelukkig maken. Dat we wel degelijk in "de beste van alle mogelijke werelden" leven, daar was Leibniz vast van overtuigd.
Voltaire (pseudoniem van Francois - Marie Arouet; 1694 - 1778) zag dit totaal anders. Deze Franse filosoof, literator en aartsspotter, die op het persoonlijke vlak al heel wat naars had meegemaakt, was, net als zovelen, geschokt door de aardbeving in Lissabon in 1755, die 30.000 mensen het leven kostte. Toen in 1756 op verschillende plekken in Europa de Zevenjarige Oorlog losbarstte, was er voor Voltaire alle reden om er een pessimistische levensvisie op na te houden. Hoezo 'de beste aller werelden' ? En hij publiceerde in 1759 de satirische avonturenroman Candide ou l'optimisme.
Een brave, zachtmoedige jongeman, die daarom Candide heet, wordt op het kasteel van een baron opgevoed, waar hij als huisonderwijzer Pangloss treft. De man is onder alle omstandigheden een overtuigd aanhanger van Leibniz. Altijd zal hij proberen de theorie van 'de beste aller werelden' te verdedigen. Dat is niet eenvoudig, omdat hij en Candide, soms samen, vaak ook apart, door de wereld trekken en de verschrikkelijkste avonturen meemaken. Oorlogen, natuurrampen, martelingen, executies. Of ze zich nu bevinden in Bulgarije, Venetië, Spanje, Argentinië of Suriname: machtsmisbruik, oplichting, diefstal, je komt het allemaal tegen. En telkens weer is er Pangloss die uitroept dat dit toch echt de beste wereld is die er mogelijk moet zijn. "Hoe zouden die andere werelden er dan uit hebben gezien?" vraagt een opstandig type zich weleens af. Uiteindelijk zitten Candide en enkele trouwe lotgenoten bij elkaar op een boerenhoeve en kijken op hun leven terug. Ze zijn het erover eens dat arbeid ze van de drie grootste plagen afhoudt, namelijk verveling, verdorvenheid en armoede. Als Pangloss weer eens over Leibniz begint, reageert de sceptisch geworden Candide slechts met: "Laten we onze tuin bewerken." Die is niet te groot, dus overzichtelijk, dat kan een mens nog wel aan.
De verzamelde werken van Voltaire zijn in 99 delen verschenen, maar ik heb het idee dat de Candide één van de weinige teksten is die de tand des tijds nadrukkelijk hebben doorstaan. Het is een vermakelijk en wijs boekje, waarin Voltaire Leibniz en eigenlijk ook al die andere rationalistische filosofen met hun abstracte systemen erop wijst dat er een tegenstelling bestaat tussen hun bedenksels en de barre werkelijkheid. Hij karakteriseerde optimisme als volgt: "Zo heet de waanzin, vol te houden dat alles goed gaat, als alles verkeerd gaat." Wanneer Candide op het aardse paradijs El Dorado vertoeft, ontstaat de volgende discussie met een autochtoon. Candide vraagt: "Hebt gij dan geen monniken die onderrricht geven, die redetwisten, heersen, kuipen en diegenen doen verbranden, die die het niet met hen eens zijn?" Hij krijgt als antwoord: "Dan moesten wij wel gek zijn. Wij zijn het hier allen met elkander eens en wij begrijpen niet wat u bedoelt met uw monniken." Niet alleen filosofie, ook religie en politiek krijgen van Voltaire behoorlijke tikken.
Voltaire hoorde bij de Verlichting en met hem waren er meer die argwanende geluiden lieten horen in de richting van dogmatische denkers als Leibniz, Descartes en Spinoza. En dat is prima zo. In de filosofie ben je nooit klaar met denken, en de stilte van je studeerkamer af en toe inruilen voor straatrumoer kan nooit kwaad.
Voltaire, Candide of het optimisme. Vertaling Hans van Pinxteren. Amsterdam, 2017. 139 blz.
Jabik Veenbaas, De Verlichting als kraamkamer. Amsterdam, 2013. 288 blz.
Voltaire (pseudoniem van Francois - Marie Arouet; 1694 - 1778) zag dit totaal anders. Deze Franse filosoof, literator en aartsspotter, die op het persoonlijke vlak al heel wat naars had meegemaakt, was, net als zovelen, geschokt door de aardbeving in Lissabon in 1755, die 30.000 mensen het leven kostte. Toen in 1756 op verschillende plekken in Europa de Zevenjarige Oorlog losbarstte, was er voor Voltaire alle reden om er een pessimistische levensvisie op na te houden. Hoezo 'de beste aller werelden' ? En hij publiceerde in 1759 de satirische avonturenroman Candide ou l'optimisme.
Een brave, zachtmoedige jongeman, die daarom Candide heet, wordt op het kasteel van een baron opgevoed, waar hij als huisonderwijzer Pangloss treft. De man is onder alle omstandigheden een overtuigd aanhanger van Leibniz. Altijd zal hij proberen de theorie van 'de beste aller werelden' te verdedigen. Dat is niet eenvoudig, omdat hij en Candide, soms samen, vaak ook apart, door de wereld trekken en de verschrikkelijkste avonturen meemaken. Oorlogen, natuurrampen, martelingen, executies. Of ze zich nu bevinden in Bulgarije, Venetië, Spanje, Argentinië of Suriname: machtsmisbruik, oplichting, diefstal, je komt het allemaal tegen. En telkens weer is er Pangloss die uitroept dat dit toch echt de beste wereld is die er mogelijk moet zijn. "Hoe zouden die andere werelden er dan uit hebben gezien?" vraagt een opstandig type zich weleens af. Uiteindelijk zitten Candide en enkele trouwe lotgenoten bij elkaar op een boerenhoeve en kijken op hun leven terug. Ze zijn het erover eens dat arbeid ze van de drie grootste plagen afhoudt, namelijk verveling, verdorvenheid en armoede. Als Pangloss weer eens over Leibniz begint, reageert de sceptisch geworden Candide slechts met: "Laten we onze tuin bewerken." Die is niet te groot, dus overzichtelijk, dat kan een mens nog wel aan.
De verzamelde werken van Voltaire zijn in 99 delen verschenen, maar ik heb het idee dat de Candide één van de weinige teksten is die de tand des tijds nadrukkelijk hebben doorstaan. Het is een vermakelijk en wijs boekje, waarin Voltaire Leibniz en eigenlijk ook al die andere rationalistische filosofen met hun abstracte systemen erop wijst dat er een tegenstelling bestaat tussen hun bedenksels en de barre werkelijkheid. Hij karakteriseerde optimisme als volgt: "Zo heet de waanzin, vol te houden dat alles goed gaat, als alles verkeerd gaat." Wanneer Candide op het aardse paradijs El Dorado vertoeft, ontstaat de volgende discussie met een autochtoon. Candide vraagt: "Hebt gij dan geen monniken die onderrricht geven, die redetwisten, heersen, kuipen en diegenen doen verbranden, die die het niet met hen eens zijn?" Hij krijgt als antwoord: "Dan moesten wij wel gek zijn. Wij zijn het hier allen met elkander eens en wij begrijpen niet wat u bedoelt met uw monniken." Niet alleen filosofie, ook religie en politiek krijgen van Voltaire behoorlijke tikken.
Voltaire hoorde bij de Verlichting en met hem waren er meer die argwanende geluiden lieten horen in de richting van dogmatische denkers als Leibniz, Descartes en Spinoza. En dat is prima zo. In de filosofie ben je nooit klaar met denken, en de stilte van je studeerkamer af en toe inruilen voor straatrumoer kan nooit kwaad.
Voltaire, Candide of het optimisme. Vertaling Hans van Pinxteren. Amsterdam, 2017. 139 blz.
Jabik Veenbaas, De Verlichting als kraamkamer. Amsterdam, 2013. 288 blz.
24-08-2019
EEN TEVREDEN MAN
Gerrit kende niemand die zo goed tegenslagen kon verwerken als Arthur. Ze hadden bij elkaar in alle klassen van de basisschool gezeten, waren beiden misdienaar geweest, speelden jaren in de jeugdelftallen van de plaatselijke amateurvoetbalclub. Rond hun twintigste stonden ze schouder aan schouder in de populaire cafés, dus Gerrit wist wat er in Arthurs leven misging en hoe hij daarop reageerde.
Zo kon Gerrit zich Arthurs opgewekte gezicht herinneren toen hij kwam melden dat zijn vriendinnetje Mandy zwanger was. Beiden waren negentien, studeerden nog, maar Arthur straalde bij de gedachte vader te zullen worden. "Ik hoop op een jongen", nam hij Gerrit in vertrouwen terwijl ze zijn armzalige flat bezichtigden. "Gezellig, hè? " vroeg hij glimlachend, en Gerrit wist dat hij het meende.
Die tevredenheid met alles wat het leven hem schonk, bleef Arthur altijd behouden. Toen hij ten onrechte ontslagen werd, verheugde hij zich op de sollicitatiegesprekken, die volgens hem altijd gunstig verliepen. Zijn vrouw kreeg borstkanker en hij was de enige die zeker wist dat de behandeling zou aanslaan, zodat niemand zich zorgen hoefde te maken. Als weduwnaar speelde hij met welbehagen moeder en vader, en dankzij zijn enthousiasme was de jonge Emilie bereid zijn tweede vrouw te worden.
Nadat zij enkele jaren later van hem scheidde, had hij het echt zwaar. Vrienden, de biljartclub en de carnavalsvereniging steunden hem, zijn jongste zoon bleek een begaafde voetballer te zijn, dus het leven werd weer leuk. Hij drukte overal handen, klopte op schouders en bezocht oudere eenzamen, want verdriet kon hij niet verdragen.
Toen hij met een ongeneeslijke ziekte werd opgenomen in het ziekenhuis, berustte hij snel. " Het leven was goed voor mij", placht hij tegen het bezoek te zeggen. Zat daar iemand bij die het zichtbaar moeilijk had, dan troostte hij hem of haar. Met een glimlach om de lippen sliep Arthur uiteindelijk in. Als er een hemel bestaat, dan zal hij de engelen vertellen dat het bij hen onmogelijk net zo leuk kan zijn als daar beneden.
Zo kon Gerrit zich Arthurs opgewekte gezicht herinneren toen hij kwam melden dat zijn vriendinnetje Mandy zwanger was. Beiden waren negentien, studeerden nog, maar Arthur straalde bij de gedachte vader te zullen worden. "Ik hoop op een jongen", nam hij Gerrit in vertrouwen terwijl ze zijn armzalige flat bezichtigden. "Gezellig, hè? " vroeg hij glimlachend, en Gerrit wist dat hij het meende.
Die tevredenheid met alles wat het leven hem schonk, bleef Arthur altijd behouden. Toen hij ten onrechte ontslagen werd, verheugde hij zich op de sollicitatiegesprekken, die volgens hem altijd gunstig verliepen. Zijn vrouw kreeg borstkanker en hij was de enige die zeker wist dat de behandeling zou aanslaan, zodat niemand zich zorgen hoefde te maken. Als weduwnaar speelde hij met welbehagen moeder en vader, en dankzij zijn enthousiasme was de jonge Emilie bereid zijn tweede vrouw te worden.
Nadat zij enkele jaren later van hem scheidde, had hij het echt zwaar. Vrienden, de biljartclub en de carnavalsvereniging steunden hem, zijn jongste zoon bleek een begaafde voetballer te zijn, dus het leven werd weer leuk. Hij drukte overal handen, klopte op schouders en bezocht oudere eenzamen, want verdriet kon hij niet verdragen.
Toen hij met een ongeneeslijke ziekte werd opgenomen in het ziekenhuis, berustte hij snel. " Het leven was goed voor mij", placht hij tegen het bezoek te zeggen. Zat daar iemand bij die het zichtbaar moeilijk had, dan troostte hij hem of haar. Met een glimlach om de lippen sliep Arthur uiteindelijk in. Als er een hemel bestaat, dan zal hij de engelen vertellen dat het bij hen onmogelijk net zo leuk kan zijn als daar beneden.
10-08-2019
DE BROERS KARAMAZOV
Sommige vaders zijn een ramp. Neem nu Fjódor Pávlovitsj Karamazov. Hij heeft drie zoons en mogelijk nog een bastaardzoon. Zijn kinderen liet hij op het achtererf opgroeien en hij keek verder niet naar ze om. Geboren als edelman, begon hij zijn carrière als straatarme uitvreter, wist zich dankzij een toevallig kapitaaltje op te werken van kleine schurk tot een woekeraar van enige importantie. Nu, als oude man, een vrouwenjager, een drinkebroer, een onverbeterlijke egoïst. Wat hebben zijn zoons, de broers Karamazov, van hem meegekregen?
Dmitri is de oudste. Opgeleid tot officier in het leger wordt hij vanwege zijn onstuimige gedrag een tijdlang naar een grensstadje verbannen, waar hij zijn geld verbrast, zodat hij zijn vader om geld smeekt. Als hun moeder sterft, betaalt pa hem te weinig van de erfenis uit, vindt Dmitri. Eenmaal terug in hun dorp Skotoprigonjevesk (niet opzoeken, bestaat niet) spreekt hij zijn vader daar nadrukkelijk op aan. We leven in Rusland, 1866, eind augustus tot begin november. In die periode heeft de hitsige, driftige, hartstochtelijke Dmitri nog een ander appeltje met zijn vader te schillen. Beiden zijn uitzinnig verliefd op Gróesjenka, 22 jaar, een blozende, mollige, Russische schoonheid, ongenaakbaar als het moet, een femme fatale als ze daar zin in heeft.
Ivan is de middelste en de intelligentste. Hij is nu 23 jaar, en net zo'n ruziezoeker als zijn oudste broer en zijn vader. Toch een ontwikkeld man, een op het westen gerichte vrijdenker, die niet in God gelooft, maar de overtuiging huldigt: als God niet bestaat, is alles geoorloofd en valt dus het onderscheid tussen goed en kwaad weg. Een mening die grote droefheid veroorzaakt bij de enige beminnelijke, beheerste, haast engelachtige Karamazov: Aljosja. Hij is negentien, heeft enige tijd in een Russisch - orthodox klooster gezeten, maar op verzoek van een oudere monnik en biechtvader uitgetreden 'om het leven te leren kennen'. Hoofdschuddend, geregeld voor hen biddend, zegt hij over zijn familieleden: " Mijn broers richten zichzelf te gronde, en mijn vader ook. En zij richten behalve zichzelf ook anderen te gronde."
Blijft over de vermoedelijke bastaardzoon: Smerdjakóv. Hij heeft tot taak allerlei simpele, huishoudelijke karweitjes bij pa Karamazov op te knappen. Hij blijkt een goed mensenkenner te zijn, voelt zich broer met de broers, maar dat is niet wederzijds en daarom wordt hij kwaadaardig, wraakzuchtig en jaloers. Smerdjakóv lokt Ivan in een val, uitroepend: "U heeft mij toch al uw hele leven als niet meer dan een vlieg beschouwd, niet als een mens."
Dat er in dit explosieve milieu een moord gepleegd wordt, zal geen verbazing wekken. Alleen: wie heeft het gedaan? Er zijn geen getuigen, wel mensen die iets gehoord en gezien hebben. Op basis daarvan gaan de officier van justitie en een advocaat uitvoerig met elkaar in debat, waarbij ze uitgebreid psychologiseren en fantaseren. Dostojevski weet overtuigend twee diametraal tegenover elkaar staande pleidooien weer te geven, waarbij hij het juridische taaleigen van de advocaat en de officier van justitie knap nabootst. En je vraagt je af: wie heeft er gelijk? En later: is er sprake van een gerechtelijke dwaling? Ook Dostojevski kan actueel zijn.
Dostojevski is trouwens sterk bezig in De broers Karamazov. Compositorisch fraai is het zoals hij de luidruchtige hoofdintrige (de Karamazovs) afwisselt met verstilde gedeeltes over het kloosterleven, en de tragiek van het jongetje Iljoesja (hier laat hij zien dat hij van Dickens houdt) afzet tegen de spanning over de rechtszaak van Dmitri.
Dostojevski zou Dostojevski niet zijn als hij zijn geloofsovertuiging zou verzwijgen. Bij hem is de liefde een kracht die uit God voortkomt. In de Russisch - orthodoxe Kerk betekent dit dat de liefde een middel is om van jezelf los te komen, zodat je je kunt verenigen met de mensheid en met God. Zo zou een zondeloos bestaan al tijdens je leven, als monnik bijvoorbeeld, mogelijk kunnen worden. Ook daarover laat de auteur de broers debatteren.
En ja, natuurlijk is dit een roman vol extatische taferelen. Dat is het verwijt dat Dostojevski altijd gemaakt wordt. Zijn personages brullen, schelden, wentelen zich vol woede of verdriet over het tapijt, delen kaakslagen uit, haten of beminnen elkaar met de grootst mogelijke hartstocht. Zulke types ontmoet je uiterst zelden in het alledaagse leven; dus goed dat we Fjodor hebben.
Fjodor Dostojevski, De broers Karamazov. Vertaling Arthur Langeveld. Van Oorschot, Amsterdam, 2014. 966 blz.
Dmitri is de oudste. Opgeleid tot officier in het leger wordt hij vanwege zijn onstuimige gedrag een tijdlang naar een grensstadje verbannen, waar hij zijn geld verbrast, zodat hij zijn vader om geld smeekt. Als hun moeder sterft, betaalt pa hem te weinig van de erfenis uit, vindt Dmitri. Eenmaal terug in hun dorp Skotoprigonjevesk (niet opzoeken, bestaat niet) spreekt hij zijn vader daar nadrukkelijk op aan. We leven in Rusland, 1866, eind augustus tot begin november. In die periode heeft de hitsige, driftige, hartstochtelijke Dmitri nog een ander appeltje met zijn vader te schillen. Beiden zijn uitzinnig verliefd op Gróesjenka, 22 jaar, een blozende, mollige, Russische schoonheid, ongenaakbaar als het moet, een femme fatale als ze daar zin in heeft.
Ivan is de middelste en de intelligentste. Hij is nu 23 jaar, en net zo'n ruziezoeker als zijn oudste broer en zijn vader. Toch een ontwikkeld man, een op het westen gerichte vrijdenker, die niet in God gelooft, maar de overtuiging huldigt: als God niet bestaat, is alles geoorloofd en valt dus het onderscheid tussen goed en kwaad weg. Een mening die grote droefheid veroorzaakt bij de enige beminnelijke, beheerste, haast engelachtige Karamazov: Aljosja. Hij is negentien, heeft enige tijd in een Russisch - orthodox klooster gezeten, maar op verzoek van een oudere monnik en biechtvader uitgetreden 'om het leven te leren kennen'. Hoofdschuddend, geregeld voor hen biddend, zegt hij over zijn familieleden: " Mijn broers richten zichzelf te gronde, en mijn vader ook. En zij richten behalve zichzelf ook anderen te gronde."
Blijft over de vermoedelijke bastaardzoon: Smerdjakóv. Hij heeft tot taak allerlei simpele, huishoudelijke karweitjes bij pa Karamazov op te knappen. Hij blijkt een goed mensenkenner te zijn, voelt zich broer met de broers, maar dat is niet wederzijds en daarom wordt hij kwaadaardig, wraakzuchtig en jaloers. Smerdjakóv lokt Ivan in een val, uitroepend: "U heeft mij toch al uw hele leven als niet meer dan een vlieg beschouwd, niet als een mens."
Dat er in dit explosieve milieu een moord gepleegd wordt, zal geen verbazing wekken. Alleen: wie heeft het gedaan? Er zijn geen getuigen, wel mensen die iets gehoord en gezien hebben. Op basis daarvan gaan de officier van justitie en een advocaat uitvoerig met elkaar in debat, waarbij ze uitgebreid psychologiseren en fantaseren. Dostojevski weet overtuigend twee diametraal tegenover elkaar staande pleidooien weer te geven, waarbij hij het juridische taaleigen van de advocaat en de officier van justitie knap nabootst. En je vraagt je af: wie heeft er gelijk? En later: is er sprake van een gerechtelijke dwaling? Ook Dostojevski kan actueel zijn.
Dostojevski is trouwens sterk bezig in De broers Karamazov. Compositorisch fraai is het zoals hij de luidruchtige hoofdintrige (de Karamazovs) afwisselt met verstilde gedeeltes over het kloosterleven, en de tragiek van het jongetje Iljoesja (hier laat hij zien dat hij van Dickens houdt) afzet tegen de spanning over de rechtszaak van Dmitri.
Dostojevski zou Dostojevski niet zijn als hij zijn geloofsovertuiging zou verzwijgen. Bij hem is de liefde een kracht die uit God voortkomt. In de Russisch - orthodoxe Kerk betekent dit dat de liefde een middel is om van jezelf los te komen, zodat je je kunt verenigen met de mensheid en met God. Zo zou een zondeloos bestaan al tijdens je leven, als monnik bijvoorbeeld, mogelijk kunnen worden. Ook daarover laat de auteur de broers debatteren.
En ja, natuurlijk is dit een roman vol extatische taferelen. Dat is het verwijt dat Dostojevski altijd gemaakt wordt. Zijn personages brullen, schelden, wentelen zich vol woede of verdriet over het tapijt, delen kaakslagen uit, haten of beminnen elkaar met de grootst mogelijke hartstocht. Zulke types ontmoet je uiterst zelden in het alledaagse leven; dus goed dat we Fjodor hebben.
Fjodor Dostojevski, De broers Karamazov. Vertaling Arthur Langeveld. Van Oorschot, Amsterdam, 2014. 966 blz.
27-07-2019
EEN BIJZONDERE VRIENDSCHAP
"Zullen we bij Piet gaan zitten?" Gerrit vroeg het zijn vrouw toen ze die warme zondagmiddag een plaatsje op het terras zochten. Piet zat al vanuit de verte naar hen te zwaaien. Ze kenden hem oppervlakkig van het buurtcafé. Af en toe bezocht Gerrit, soms begeleid door zijn Ineke, de kroeg om wat te kaarten of over voetbal te praten. Piet was een wat oudere man, een weduwnaar met veel tijd die graag mensen om zich heen had en over een opgewekt humeur beschikte. Ze schoven aan, bestelden wat en begonnen, zoals dat hoort in Nederland, over het weer te klagen.
Ze praatten, lachten, discussieerden en de gesprekken werden nog geanimeerder toen de eerste pilsjes op tafel kwamen. Na enige tijd viel Gerrit iets op. Ineke lachte zo hard! Dat kwam door het bier, zeker, maar er was nog wat. Ze keek Piet zo indringend aan. Ze vond zijn grapjes zo leuk. Tot Gerrits lichte verbijstering kreeg ze zelfs kleine blosjes toen Piet haar onverwacht aansprak. En zag hij het goed? Knipoogde Piet naar haar? Gerrit kon het niet geloven. Begon het bier nu te veel te werken? Werd hij jaloers? Natuurlijk, Ineke wàs aantrekkelijk; genoeg mannelijke kennissen hadden hem in de loop der jaren gecomplimenteerd. Maar Ineke bleef onder vleiende opmerkingen en bewonderende blikken van vrienden en bekenden heel nuchter, terwijl gefluit op straat en getongklikklak van vreemden haar slechts amuseerden. Gerrit was haar man; daar hoefde niemand aan te twijfelen. En nu: blosjes, overdreven stralende lachjes? Wat moest dat? Piet was zeker vijftien jaar ouder, aan de dikke kant en al flink grijs. Gerrit begon zich op te winden.
Toen Ineke zich excuseerde en op weg naar het toilet een kennis begroette, kon Gerrit zich niet meer inhouden. Hij boog zich voorover en voegde Piet op zachte toon toe: " Zie ik dat goed? Ineke valt op jou! Hoe kan dat?"
Piet reageerde anders dan Gerrit verwachtte. Hij keek niet verbaasd, schoot niet in een daverend gelach, vroeg niet ongelovig: "Waar heb je het over?" Nee, hij keek een beetje schuw op; er lag iets van schrik in zijn ogen, terwijl hij mompelde: " Hoezo?" Kreeg hij een kleur, of verbeeldde Gerrit zich dat maar? Er viel een ongemakkelijke stilte tussen beide mannen.
Ineke schoof aan. Ze keek in het rond en vroeg verwonderd: "Wat zijn jullie zwijgzaam? Gaat het weer over voetbal? Het is toch niet zo erg dat Ajax kampioen geworden is?"
Gerrit heeft iets in de gaten", bromde Piet.
"Wat heeft hij in de gaten?"
"Van ons."
Geschrokken keek ze beurtelings haar mannen aan.
"Hoezo?"
"Dus er ìs wat tussen jullie", stelde Gerrit, kalmer dan hijzelf gedacht had, vast.
"Het is niet wat je denkt, schat."
"Dat zeggen ze allemaal, liefje. Leg het me maar eens uit."
Ineke haalde diep adem. Gerrit had het idee dat ze eigenlijk wel blij was dat ze eindelijk haar verhaal kon vertellen. "Het begon allemaal toen ik mijn eerste baan kreeg als secretaresse op een makelaarskantoor, dus lang voordat ik jou leerde kennen. Ik vond alles spannend, deed met veel plezier wat me werd opgedragen en kon van mijn salaris allerlei leuke kleren kopen. En ik werd al gauw verliefd op mijn chef. En dat was Piet."
" Ineke was een verademing", vulde Piet aan. "Ze was jong, altijd vrolijk, zong veel en liep al dansend over de afdelingen rond. En: ze zag er goed uit."
" Maar wat zag jij in godsnaam in Piet?"
Ineke keek nadenkend voor zich uit. "Hij was zo anders. Hij flirtte niet met mij, maakte geen flauwe grappen over mijn jurken, mijn kapsel, mijn make - up. Hij was serieus, zwijgzaam, veel ouder dan ik, had al wat grijze haren. Ja, wat zag ik in hem? Juist omdat hij zo verschilde van die jonge knulletjes, werd ik smoorverliefd, denk ik. Een echte vent, hè, een volwassen kerel."
Weer viel er een stilte. Iedereen was bezig met zijn eigen gedachten. Gerrit had hier nooit wat van geweten, maar waardeerde hun eerlijkheid. Het luchtte hun ook wel op, vermoedde hij.
"Jij was toen nog getrouwd?" vroeg hij aan Piet.
"Ja, en daar is onze verhouding ook eigenlijk op afgeknapt. Ik moest thuis liegen en bedriegen, en dat viel me steeds zwaarder. Ik heb mijn vrouw nooit iets verteld, ze heeft ook nooit wat vermoed. Ineke en ik besloten te stoppen."
" Ik heb ontslag genomen en ben ergens anders gaan werken. En toen kwam ik jou tegen. Jij was mijn tweede grote liefde."
Gerrit kende zijn vrouw door en door. Als ze zo iets zei, meende ze dat ook. Hij begon nu nieuwsgierig te worden. "Hoe heftig was jullie relatie?"
Piet en Ineke keken elkaar vragend aan. Zullen ze het zeggen?
"Je hebt er recht op het antwoord te weten. Ja, heel hartstochtelijk. Een echte, volwassen, seksuele relatie".
Opnieuw zwijgen ze met zijn drieën. Gerrit zit toch wel even na te duizelen. Zijn Ineke! "En nu? Wat is de stand van zaken?"
Beiden aarzelen. Dan neemt Piet het woord: " Zo'n jaar geleden kwamen we elkaar weer tegen in ons buurtcafé. We keken elkaar in de ogen, en wisten: we moeten praten. Dat hebben we gedaan. Ik geloof dat ik ook namens Ineke mag zeggen dat we niet echt verliefd meer zijn, maar we mogen elkaar nog altijd erg, erg graag." Ineke knikt instemmend.
" De afgelopen maanden hebben we een paar keer afgesproken, gewoon, ergens in een restaurant. We praten, we lachen, we zijn ook vaak serieus ", neemt ze het woord over. "Er is sympathie over en weer, vriendschap die ik niet zou willen missen." Piet knikt. "Dat geldt ook voor mij. Vrouwen praten anders dan mannen. Ze hebben meer zelfspot, willen zich niet telkens bewijzen, zijn meer in andere mensen geïnteresseerd dan mannen. Ik zou het vreselijk vinden als mijn vriendschap met Ineke verloren ging. Maar ze is jouw vrouw, Gerrit."
"Echte, eerlijke, oprechte vriendschap is heel veel waard in het leven", besluit Gerit opgelucht. Hij wendt zich om: "Ober, drie bier. Misschien hebben we wat te vieren."
Ze praatten, lachten, discussieerden en de gesprekken werden nog geanimeerder toen de eerste pilsjes op tafel kwamen. Na enige tijd viel Gerrit iets op. Ineke lachte zo hard! Dat kwam door het bier, zeker, maar er was nog wat. Ze keek Piet zo indringend aan. Ze vond zijn grapjes zo leuk. Tot Gerrits lichte verbijstering kreeg ze zelfs kleine blosjes toen Piet haar onverwacht aansprak. En zag hij het goed? Knipoogde Piet naar haar? Gerrit kon het niet geloven. Begon het bier nu te veel te werken? Werd hij jaloers? Natuurlijk, Ineke wàs aantrekkelijk; genoeg mannelijke kennissen hadden hem in de loop der jaren gecomplimenteerd. Maar Ineke bleef onder vleiende opmerkingen en bewonderende blikken van vrienden en bekenden heel nuchter, terwijl gefluit op straat en getongklikklak van vreemden haar slechts amuseerden. Gerrit was haar man; daar hoefde niemand aan te twijfelen. En nu: blosjes, overdreven stralende lachjes? Wat moest dat? Piet was zeker vijftien jaar ouder, aan de dikke kant en al flink grijs. Gerrit begon zich op te winden.
Toen Ineke zich excuseerde en op weg naar het toilet een kennis begroette, kon Gerrit zich niet meer inhouden. Hij boog zich voorover en voegde Piet op zachte toon toe: " Zie ik dat goed? Ineke valt op jou! Hoe kan dat?"
Piet reageerde anders dan Gerrit verwachtte. Hij keek niet verbaasd, schoot niet in een daverend gelach, vroeg niet ongelovig: "Waar heb je het over?" Nee, hij keek een beetje schuw op; er lag iets van schrik in zijn ogen, terwijl hij mompelde: " Hoezo?" Kreeg hij een kleur, of verbeeldde Gerrit zich dat maar? Er viel een ongemakkelijke stilte tussen beide mannen.
Ineke schoof aan. Ze keek in het rond en vroeg verwonderd: "Wat zijn jullie zwijgzaam? Gaat het weer over voetbal? Het is toch niet zo erg dat Ajax kampioen geworden is?"
Gerrit heeft iets in de gaten", bromde Piet.
"Wat heeft hij in de gaten?"
"Van ons."
Geschrokken keek ze beurtelings haar mannen aan.
"Hoezo?"
"Dus er ìs wat tussen jullie", stelde Gerrit, kalmer dan hijzelf gedacht had, vast.
"Het is niet wat je denkt, schat."
"Dat zeggen ze allemaal, liefje. Leg het me maar eens uit."
Ineke haalde diep adem. Gerrit had het idee dat ze eigenlijk wel blij was dat ze eindelijk haar verhaal kon vertellen. "Het begon allemaal toen ik mijn eerste baan kreeg als secretaresse op een makelaarskantoor, dus lang voordat ik jou leerde kennen. Ik vond alles spannend, deed met veel plezier wat me werd opgedragen en kon van mijn salaris allerlei leuke kleren kopen. En ik werd al gauw verliefd op mijn chef. En dat was Piet."
" Ineke was een verademing", vulde Piet aan. "Ze was jong, altijd vrolijk, zong veel en liep al dansend over de afdelingen rond. En: ze zag er goed uit."
" Maar wat zag jij in godsnaam in Piet?"
Ineke keek nadenkend voor zich uit. "Hij was zo anders. Hij flirtte niet met mij, maakte geen flauwe grappen over mijn jurken, mijn kapsel, mijn make - up. Hij was serieus, zwijgzaam, veel ouder dan ik, had al wat grijze haren. Ja, wat zag ik in hem? Juist omdat hij zo verschilde van die jonge knulletjes, werd ik smoorverliefd, denk ik. Een echte vent, hè, een volwassen kerel."
Weer viel er een stilte. Iedereen was bezig met zijn eigen gedachten. Gerrit had hier nooit wat van geweten, maar waardeerde hun eerlijkheid. Het luchtte hun ook wel op, vermoedde hij.
"Jij was toen nog getrouwd?" vroeg hij aan Piet.
"Ja, en daar is onze verhouding ook eigenlijk op afgeknapt. Ik moest thuis liegen en bedriegen, en dat viel me steeds zwaarder. Ik heb mijn vrouw nooit iets verteld, ze heeft ook nooit wat vermoed. Ineke en ik besloten te stoppen."
" Ik heb ontslag genomen en ben ergens anders gaan werken. En toen kwam ik jou tegen. Jij was mijn tweede grote liefde."
Gerrit kende zijn vrouw door en door. Als ze zo iets zei, meende ze dat ook. Hij begon nu nieuwsgierig te worden. "Hoe heftig was jullie relatie?"
Piet en Ineke keken elkaar vragend aan. Zullen ze het zeggen?
"Je hebt er recht op het antwoord te weten. Ja, heel hartstochtelijk. Een echte, volwassen, seksuele relatie".
Opnieuw zwijgen ze met zijn drieën. Gerrit zit toch wel even na te duizelen. Zijn Ineke! "En nu? Wat is de stand van zaken?"
Beiden aarzelen. Dan neemt Piet het woord: " Zo'n jaar geleden kwamen we elkaar weer tegen in ons buurtcafé. We keken elkaar in de ogen, en wisten: we moeten praten. Dat hebben we gedaan. Ik geloof dat ik ook namens Ineke mag zeggen dat we niet echt verliefd meer zijn, maar we mogen elkaar nog altijd erg, erg graag." Ineke knikt instemmend.
" De afgelopen maanden hebben we een paar keer afgesproken, gewoon, ergens in een restaurant. We praten, we lachen, we zijn ook vaak serieus ", neemt ze het woord over. "Er is sympathie over en weer, vriendschap die ik niet zou willen missen." Piet knikt. "Dat geldt ook voor mij. Vrouwen praten anders dan mannen. Ze hebben meer zelfspot, willen zich niet telkens bewijzen, zijn meer in andere mensen geïnteresseerd dan mannen. Ik zou het vreselijk vinden als mijn vriendschap met Ineke verloren ging. Maar ze is jouw vrouw, Gerrit."
"Echte, eerlijke, oprechte vriendschap is heel veel waard in het leven", besluit Gerit opgelucht. Hij wendt zich om: "Ober, drie bier. Misschien hebben we wat te vieren."
Abonneren op:
Posts (Atom)