25-09-2013
EEN BIOGRAFIE VAN DICKENS
Voor mij ligt Charles Dickens: A Life, geschreven door de ervaren biografe Claire Tomalin, uitgegeven in 2011 door de Penguin Group. Het ongeveer 550 bladzijden tellende boek ziet er schitterend uit. Een mooie grote letter, een gedegen inleiding van 47 pagina's, plattegronden van o.a. Dickens in Midden - Londen en Dickens in Noord - Londen, met een uitgebreide toelichting bij deze kaarten. De lezer moet zich niet alleen een goede voorstelling kunnen maken wie Dickens was, maar ook waar hij verbleef. Vervolgens word je verblijd met een cast list: wie is wie in de familie van Dickens en zijn vrouw, en de vrienden - en kennissenkring? Daar zijn 21 bladzijden aan gewijd. Op de binnenkanten van de harde kaft staan tekeningen van figuren uit zijn boeken, zoals Quilp en Pickwick. Achterin bevindt zich een volmaakte index van 30 pagina's, waarin alle personen en werken met bladzijdevermelding opgenomen zijn. Indien noodzakelijk is hier ook een onderverdeling; zo bevat Oliver Twist een aantal trefwoorden waarmee je allerlei wetenswaardigheden van dat boek kunt opzoeken. Dat deze biografie talloze tekeningen, foto's en illustraties bevat die verleiden tot gretig rondbladeren, zal u inmiddels niet verbazen. Aan alles is gedacht om het de lezer zo aangenaam mogelijk te maken.
Hoe ziet Tomalin Dickens eigenlijk? Ze neemt de typering over die Dickens zichzelf had gegeven: The Inimitable, de onnavolgbare. Aanvankelijk bedoeld als grapje, maar al gauw met een serieuze ondertoon, want hij wist dat hij duidelijk boven zijn collega - schrijvers uitstak. Daarnaast bleek hij ook voortreffelijk te kunnen speechen, over een goede zangstem te beschikken, leuk te dansen en bovenal kon hij zó goed acteren dat hij niet onderdeed voor een professional. Met Dickens in huis hoefde je je over de invulling van de avond geen zorgen te maken.
Gedurende zijn hele leven zal hij het, in woord en daad, opnemen voor de armen, de zwakkeren, de hongerlijders in de samenleving. Steeds ging hij de strijd aan met de rijken en machtigen, die met grote onverschilligheid neerkeken op het gewone volk. In dat kader paste het project dat hij opzette met de rijkste vrouw van Engeland, namelijk het Home for Homeless Women, een tehuis voor prostituees. Zij wilden ze de mogelijkheid te bieden om een nieuw bestaan op te bouwen. Tomalin raakt er haast niet over uitgepraat hoe bijzonder een dergelijk initiatief wel niet was in een tijd waarin een fatsoenlijk burger geacht werd niet te weten wat een vrouw van lichte zeden nu eigenlijk deed.
Wat armoede en vernedering inhielden, had Dickens in zijn jeugdjaren nadrukkelijk ondervonden. Op zijn twaalfde zat zijn vader wegens schulden in de gevangenis. Door ruim een jaar lang in een naargeestige ruimte, terwijl de ratten naar alle kanten wegvluchtten, simpele klusjes te verrichten in een schoensmeerfabriekje, kon hij het gezin aan wat inkomsten helpen. Hij was een geweldige causeur, maar hierover nam hij, pas na jaren, uitsluitend zijn allerbeste vriend in vertrouwen. In geen enkele andere roman dan David Copperfield schrijft hij erover. Toeval is het dus niet dat schulden, schuldeisers, pandjeshuizen, lege onverwarmde vertrekken, hongerige, armoedig geklede kinderen met grote regelmaat in zijn verhalen en romans terugkeren.
Gestart als parlementair verslaggever, populair als schrijver van korte stukjes onder het pseudoniem Boz, begon Dickens zijn fameuze carrière als romanauteur in 1836 met The Pickwick Papers. Wat hij hier met zijn uitgever uitgedacht had, was nieuw: zijn romans verschenen in goedkope, maandelijkse afleveringen, waardoor hij een publiek bereikte dat voor het eerst bereid was fictie te kopen. Personen uit zijn boeken groeiden uit tot algemeen bekende figuren. Iedereen wist wie er met Sam Weller, Uriah Heep, Scrooge, Micawber bedoeld werd.
Claire Tomalin bekent dat zij van kindsbeen af een grote passie heeft voor het werk van Dickens, daarin gesteund door moeder en grootmoeder. Dat neemt niet weg dat zij bij de behandeling van zijn veertien romans wel degelijk kritisch kan zijn. Haar is opgevallen dat hij vaak toneelmatig schrijft, d.w.z. zijn boeken bevatten scènes die zo in het theater opgevoerd kunnen worden, wat in Engeland trouwens ook gebeurd is. Het nadeel hiervan is, dat hij nog weleens doorslaat naar melodrama en pathos, omdat hij, door zijn veelvuldig bezoek van schouwburgen, weet dat het publiek daarvan houdt. Ze bewondert zijn haast Shakespeariaanse fantasie die talloze curieuze figuren heeft voortgebracht; ze adoreert zijn poëtische stijl, die dient om steden, landschappen, rivieren, sfeer op te roepen; ze geniet van de sardonische humor waarmee hij politici en magistraten op hun arrogantie en onkunde wijst.
Haar favoriete werken zijn David Copperfield, Bleake House, Great Expectations. Van Nicolas Nickleby vindt ze het laatste kwart onverteerbaar, de laatste helft van Dombey and Son in vergelijking met het eerste gedeelte zwaar teleurstellend, de romans Barnaby Rudge en Hard Times ver beneden zijn niveau.
Hoe was Dickens als echtgenoot en vader? In 1836 trouwde hij met Catherine; zij was gelukkig met hem, maar al na enkele jaren vond hij deze verbintenis de grootste fout van zijn leven. Ze kregen tien kinderen, hoewel hij drie eigenlijk al genoeg vond en het aantal jongens, zeven, aan de hoge kant. Hij had moeite om zijn vaderliefde te tonen, trad streng tegen hen op. In het gezelschap van zijn vrienden was hij waarschijnlijk aangenamer dan thuis. Toen hij in 1857 de achttienjarige Nelly Ternan leerde kennen, scheidde hij van zijn vrouw en trachtte met haar een relatie te beginnen. Dat lukte uiteindelijk, maar niet nadat hij Catherine meermalen beledigd en beschadigd had, waardoor zijn gezin uit elkaar viel. De man met het grote, sociale hart toonde hier nadrukkelijk zijn duistere kant.
De laatste jaren van zijn leven trok hij door Engeland, Schotland en Noord - Amerika om voor te lezen uit eigen werk. Dit leverde financieel nog meer op dan de verkoop van boeken en tijdschriften, want de mensen stroomden massaal toe. Hij was een begenadigd entertainer; als hypnotiseerde hij ze, zo liet hij zijn toehoorders lachen, huilen en griezelen. Deze optredens, hoe vermoeiend ook, had Dickens nodig om zich gelukkig te voelen.
Charles Dickens: A Life is een goudmijn voor iedereen die belangstelling heeft voor het Engeland van de negentiende eeuw, de literaire loopbaan van de populairste schrijver van toen en het privé - leven van The Inimitable. Bovenal zet dit rijke boek aan tot lezen en herlezen. De romans van Dickens zijn zó rijk aan verrassende gebeurtenissen en kleurrijke figuren dat je telkens weer iets nieuws ontdekt, waardoor je weer geboeid raakt. Zijn oeuvre is een schatkamer waar je eindeloos in kunt ronddwalen.
En Claire Tomalin? Als ìk dat heldere Engels van haar kan lezen, dan kunt ù dat ook.
24-09-2013
HANNAH AHRENDT, DE FILM
Een storm van opwinding stak er in de westelijke wereld op toen de Israëliërs in 1960 bekendmaakten dat ze Adolf Eichmann te pakken hadden. Eindelijk kon de man die de transporten naar de concentratiekampen organiseerde, berecht worden. Alle vooraanstaande kranten en tijdschriften stuurden hun deskundigste verslaggevers naar Jeruzalem. De jonge Harry Mulisch was er namens Elseviers Weekblad ; The New Yorker benaderde Hannah Ahrendt (1906 - 1975), die gretig 'ja' zei. Als journaliste, publiciste en filosofe had ze in de Verenigde Staten al enige bekendheid verworven.
Geboren in Linden bij Hannover was Hannah als Jodin al enkele malen voor de nazi's op de vlucht geslagen. Uiteindelijk kwam ze in 1941, samen met haar tweede man, in Amerika terecht. Nieuwsgierig reist ze naar Jeruzalem af om het monster van dichtbij te aanschouwen. Tot haar verbijstering ziet ze onder die glazen koepel een onbeduidend, mager mannetje zitten. Hij doet alle beschuldigingen af door te verwijzen naar trouw, eer, bevel en kantoorwerk. Hem trof dus geen enkele schuld. Hij was slechts een klein radertje in een machtig stelsel geweest, beweerde dat kereltje, dat praatte en redeneerde als een middelmatig getalenteerde boekhouder.
Hannah keert al na drie dagen weer terug naar New York, omdat het circus rond Eichmann haar te zeer aan een showproces doet denken. In vijf krantenartikelen ontvouwt ze haar theorie van "de banaliteit van het kwaad." Het is mogelijk om zes miljoen Joden te vergassen door al die werkzaamheden op te delen in kleine stukjes en administratieve handelingen. Mensen hadden geen overzicht van het geheel, hoefden alleen hun denkvermogen uit te schakelen en te gehoorzamen. Van kwade opzet was geen sprake, wel van oppervlakkigheid en gemakzucht. De reacties waren furieus.Men las slecht en praatte elkaar na: "Ze verdedigt Eichmann!" Ook had Hannah de moed om de houding van Joodse leiders tijdens de Tweede Wereldoorlog te kritiseren. "Ze valt haar eigen volk aan!" luidden de verwijten.
In 1963 verschijnt haar boek "Eichmann in Jerusalem. A Report on The Banality of Evil", waarin ze alles nog eens uitlegt. Inmiddels had ze veel beledigingen moeten slikken en kwade vrienden zien weglopen. Maar gewend als ze is om volstrekt onafhankelijk te denken en te handelen, blijft ze bij haar opvattingen. Harry Mulisch, die haar ideeën niet kende, komt in zijn beschouwingen over Eichmann opmerkelijk genoeg tot dezelfde gevolgtrekkingen. Lees daarvoor maar "De zaak 40/61" ( eerste druk 1962).
In 2012 verfilmde Margarethe von Trotta deze woelige periode uit het leven van Hannah Ahrendt, met Barbara Sukowa in de hoofdrol. Prima vakwerk, met intrigerende, originele beelden van Eichmann in zijn glazen huisje. En we weten nu ook dat Ahrendt niet alleen verslaafd was aan lezen en discussiëren, maar ook aan roken.
Geboren in Linden bij Hannover was Hannah als Jodin al enkele malen voor de nazi's op de vlucht geslagen. Uiteindelijk kwam ze in 1941, samen met haar tweede man, in Amerika terecht. Nieuwsgierig reist ze naar Jeruzalem af om het monster van dichtbij te aanschouwen. Tot haar verbijstering ziet ze onder die glazen koepel een onbeduidend, mager mannetje zitten. Hij doet alle beschuldigingen af door te verwijzen naar trouw, eer, bevel en kantoorwerk. Hem trof dus geen enkele schuld. Hij was slechts een klein radertje in een machtig stelsel geweest, beweerde dat kereltje, dat praatte en redeneerde als een middelmatig getalenteerde boekhouder.
Hannah keert al na drie dagen weer terug naar New York, omdat het circus rond Eichmann haar te zeer aan een showproces doet denken. In vijf krantenartikelen ontvouwt ze haar theorie van "de banaliteit van het kwaad." Het is mogelijk om zes miljoen Joden te vergassen door al die werkzaamheden op te delen in kleine stukjes en administratieve handelingen. Mensen hadden geen overzicht van het geheel, hoefden alleen hun denkvermogen uit te schakelen en te gehoorzamen. Van kwade opzet was geen sprake, wel van oppervlakkigheid en gemakzucht. De reacties waren furieus.Men las slecht en praatte elkaar na: "Ze verdedigt Eichmann!" Ook had Hannah de moed om de houding van Joodse leiders tijdens de Tweede Wereldoorlog te kritiseren. "Ze valt haar eigen volk aan!" luidden de verwijten.
In 1963 verschijnt haar boek "Eichmann in Jerusalem. A Report on The Banality of Evil", waarin ze alles nog eens uitlegt. Inmiddels had ze veel beledigingen moeten slikken en kwade vrienden zien weglopen. Maar gewend als ze is om volstrekt onafhankelijk te denken en te handelen, blijft ze bij haar opvattingen. Harry Mulisch, die haar ideeën niet kende, komt in zijn beschouwingen over Eichmann opmerkelijk genoeg tot dezelfde gevolgtrekkingen. Lees daarvoor maar "De zaak 40/61" ( eerste druk 1962).
In 2012 verfilmde Margarethe von Trotta deze woelige periode uit het leven van Hannah Ahrendt, met Barbara Sukowa in de hoofdrol. Prima vakwerk, met intrigerende, originele beelden van Eichmann in zijn glazen huisje. En we weten nu ook dat Ahrendt niet alleen verslaafd was aan lezen en discussiëren, maar ook aan roken.
14-09-2013
MOORD IN DE BLOEDSTRAAT
We kennen haar als die goed
uitziende jonge vrouw met stralend witte tanden en bescheiden stem. Ze zat bij
Pauw & Witteman en De Wereld Draait Door om haar boeken “Sonny Boy”,
“Bernhard” en de biografie van Annie M.G. Schmidt te presenteren. Maar wie
wist dat ze vijf jaar lang misdaadverslaggeefster geweest is en in staat bleek
mensen van allerlei slag aan het praten te krijgen over vooral minder
opvallende criminele gebeurtenissen?
Annejet van der Zijl (geboren
in 1962) selecteerde de tien
geschiedenissen die haar het meest bevielen en bracht ze in 2013 bij elkaar
onder de titel “Moord in de Bloedstraat en andere verhalen”. Als rechtgeaard
journaliste start zij elk stuk met de feiten: plaats, datum, misdaad.
Vervolgens gaat ze op onderzoek uit. Ze spreekt met iedereen die wat zou kunnen
weten over de toedracht en de achtergronden: daders, slachtoffers,
familieleden, buurtbewoners, vrienden, rechercheurs, rechters, advocaten. Dan
blijkt dat een misdrijf nooit op zichzelf staat. Jeugdtrauma’s, verstoorde
familieverhoudingen, immigratieproblemen, ze kunnen er allemaal toe bijdragen
dat een uiterlijk normaal mens tot daden komt die hem de rest van zijn leven
zullen achtervolgen.
Neem nu Koos uit “De duivel
en de bollenkweker”, mijn favoriete verhaal omdat de raadselachtigheid van de
mens hier in volle omvang duidelijk wordt.
Een wat oudere, door en door keurige, voormalige bollenkweker die al
bijna 25 jaar getrouwd is, wordt ervan verdacht gedurende enkele maanden zijn
vrouw aan het vergiftigen te zijn. Koos dient haar in piepkleine hoeveelheden
het spul toe, ziet hoe haar gezondheid verslechtert, zit erbij als ze pijn
lijdt en overgeeft, weet dat de dood haar tegemoet snelt. Een braaf, ordentelijk
huwelijk, een fatsoenlijke, wat onderdanige echtgenote. Koos toont geen berouw,
voelt zich eigenlijk een slachtoffer. Zijn vrouw vraagt zich af of ze niet al
die jaren een monster in huis heeft gehad.
Ook fascinerend vind ik “De
honkballer”, met wie Judsel Baranco bedoeld wordt, eens Nederlands meest
getalenteerde speler. Annejet zoekt hem op in de Arnhemse koepelgevangenis; hij
is dan pas 28 jaar, maar heeft al veel meegemaakt. Op zijn twaalfde kwam hij
van Curacao naar Nederland. Altijd in de watten gelegd vanwege zijn charme en
zijn enorme talent lukte het hem hele reeksen verzorgers, pleegouders,
bestuursleden, trainers telkens weer teleur te stellen. Hij beloofde van alles,
maar hield zich aan geen enkele afspraak en deed alleen waar hij zin in had.
Antilliaanse trots en Nederlands plichtsgevoel botsten op elkaar. Zijn
cocaïneverslaving bracht hem tot diefstal, berovingen, gevangenisstraf. Hij
schaamt zich, maar uiteindelijk kotsen
zelfs de Antillianen hem uit. Het lijkt wel of zelfvernietiging hem drijft.
Dit is een goede bundel. Dit
zijn indrukwekkende verhalen. Annejet van der Zijl kan in een beperkt aantal
bladzijden een hele, voor velen onbekende, wereld oproepen vol misstanden,
onbegrip, daders en slachtoffers. Omdat
volwassenen vaak net zijn als kleine kinderen die ook willen weten hoe het nu
verder gegaan is: elke geschiedenis rondt zij af met een epiloog. En als u
een hekel heeft aan een happy end: in elk verhaal loopt het slecht met iemand af.
26-08-2013
BEVRIJDINGSFEEST
"Na zo'n bezetting kon men weer jaren mee: niets telde, alles kon men zich veroorloven." In 1945, ongeveer vier maanden na de bevrijding, in een land waar het feestgedruis vol zang, dans en vrijpartijen nog volop voortduurt, is het begrijpelijk dat ook een voormalig verzetsman zo denkt. Jonkheer Evert Hoeck van Linden tot Kruytbergen, 35 jaar, vat zijn huidige bestaan luchthartig op. Getrouwd, drie kinderen, beschikt hij over een eveneens gehuwde vriendin, Jeanne, die van hem in verwachting is. Niets gebeurt er in het geniep, iedereen mag alles weten. Tevens loopt er iemand rond, ene Harkman, die het vaste voornemen heeft Evert te blijven chanteren. Alleen dat proces dat die rijke, in de oorlog onbetrouwbare inktfabrikant hem wil aandoen, ligt Evert toch wat zwaar op de maag. Maar met volle teugen genieten, elke dag weer, en ondertussen door Nederland in alle opzichten een frisse wind laten waaien, hij is er helemaal voor.
Voor Evert kwam het verzet als geroepen. Klein van gestalte, neerbuigend behandeld door zijn twee broers die wel konden studeren, als jonker slechts van kleine adel, kon hij zich in de oorlog laten gelden. Persoonsbewijzen vervalsen, voedselbonnen regelen, joden en Engelse parachutisten een onderkomen bezorgen: wat een spanning, kameraadschap, heldenmoed! En nu is het allemaal voorbij. De dagen lijken op elkaar, de verveling begint toe te slaan. Chanteur Harkman kent gelukkig de weg in het Amsterdamse uitgaansleven, en drie nieuwe, jonge, aantrekkelijke vrouwen melden zich. Het leven begint weer lekker gevaarlijk te worden.
Simon Vestdijk (1898 - 1971) is flink op schot in "Bevrijdingsfeest" ( 1949). Terwijl hij een nuchter, relativerend beeld schetst van het Nederlandse verzet, trakteert hij zijn lezers op twee moorden, een zelfmoord, een abortus, een geheimzinnige, zwijgende huisknecht, een onvervalste communist en twee vrouwen die niet jaloers zijn wanneer hun man en minnaar een ander heeft. Zoals altijd gaat hij diep op de psyche van zijn hoofpersonen in, hij schildert een treffend tijdsbeeld en vergeet daarbij niet de verschillende verhaallijnen zó met elkaar te verbinden dat er een spannende roman ontstaat. Aan zijn stijl zult u aanvankelijk moeten wennen: lange, breed uitgesponnen volzinnen, uitvoerige beschrijvingen van mens, huis en natuur, maar uiteindelijk zult u zich beloond voelen.
Voor Evert kwam het verzet als geroepen. Klein van gestalte, neerbuigend behandeld door zijn twee broers die wel konden studeren, als jonker slechts van kleine adel, kon hij zich in de oorlog laten gelden. Persoonsbewijzen vervalsen, voedselbonnen regelen, joden en Engelse parachutisten een onderkomen bezorgen: wat een spanning, kameraadschap, heldenmoed! En nu is het allemaal voorbij. De dagen lijken op elkaar, de verveling begint toe te slaan. Chanteur Harkman kent gelukkig de weg in het Amsterdamse uitgaansleven, en drie nieuwe, jonge, aantrekkelijke vrouwen melden zich. Het leven begint weer lekker gevaarlijk te worden.
Simon Vestdijk (1898 - 1971) is flink op schot in "Bevrijdingsfeest" ( 1949). Terwijl hij een nuchter, relativerend beeld schetst van het Nederlandse verzet, trakteert hij zijn lezers op twee moorden, een zelfmoord, een abortus, een geheimzinnige, zwijgende huisknecht, een onvervalste communist en twee vrouwen die niet jaloers zijn wanneer hun man en minnaar een ander heeft. Zoals altijd gaat hij diep op de psyche van zijn hoofpersonen in, hij schildert een treffend tijdsbeeld en vergeet daarbij niet de verschillende verhaallijnen zó met elkaar te verbinden dat er een spannende roman ontstaat. Aan zijn stijl zult u aanvankelijk moeten wennen: lange, breed uitgesponnen volzinnen, uitvoerige beschrijvingen van mens, huis en natuur, maar uiteindelijk zult u zich beloond voelen.
07-08-2013
OP BEZOEK
Het had heel wat voeten in de aarde gehad, maar ruim een jaar geleden was het Gerrit toch gelukt om zijn ouders in een bejaardentehuis onder te brengen. Hoewel beiden geestelijk en lichamelijk weinig mankeerden, leek het hem toch raadzaam ze met professionele zorg te omringen. De instelling heette weliswaar Avondrood, maar de kamers zagen er schoon uit en de meeste oudjes zaten er tevreden bij. Wat wil een zorgzame zoon nog meer?
Gerrit had niet zulke prettige herinneringen aan zijn ouders. Als kind was hij een beetje bang voor ze geweest. Ze maakten vaak ruzie met elkaar, waarbij weleens borden sneuvelden en portretten van de muur vielen. Pa en ma spraken hem als jongetje geregeld op luide en strenge toon toe, waarbij ze met verwijten aan kwamen zetten die hem met verbazing vervulden. Had hij...? Moest hij...? Mocht hij niet...? Omdat beiden van het standpunt uitgingen dat hun kind vooral blij moest zijn dat het in hun gezin geboren was, verlangden ze geregeld uitingen van dankbaarheid. Kwamen die niet terstond, dan werd Gerrit demonstratief terechtgewezen.
Hun onvoorspelbare gedrag maakte hem onzeker en zwijgzaam. Als hij hun niet vertelde waar en met wie hij speelde, dan konden ze hem ook niets verbieden. Als hij hun niet meedeelde dat hij de film "High Noon" wilde zien, dan hoefden ze hem ook niet thuis te houden. Geruisloos sloop hij telkens het ouderlijk huis uit, blij weer even vrij te zijn.
Natuurlijk begreep Gerrit wel dat hij het zijn ouders niet makkelijk maakte. Als kind stilletjes en teruggetrokken; als puber iemand die zoveel mogelijk zijn eigen weg ging en zich weinig van de andere gezinsleden aantrok; als jongeman een bewoner van enkele kamers, die in het weekend de gewoonte had eerst tegen het ochtendkrieken thuis te komen, een doordringende bierlucht met zich meedragend.
Ook toen hij getrouwd was en kinderen kreeg, bleven ze hem nadrukkelijk gadeslaan. Zijn kinderen verwende hij, zijn grasveld diende vaker gesnoeid te worden, zijn vrouw bekommerde zich niet om het huishouden. Maar nu verweerde hij zich, schreeuwde ook, zodat ze een paar weken wegbleven. Terug kwamen ze altijd, want zijn ouders hadden weinig om handen; Gerrit met zijn gezin was eigenlijk hun enige hobby.
Toen zijn ouders bejaarden werden en dus steeds meer hulp nodig hadden, verwachtte Gerrit een wat mildere houding, maar dat was helaas niet het geval. De relatie veranderde nauwelijks. Gerrit, Truus en de kinderen bezochten de ouwelui geregeld, sleepten boodschappen aan, namen ze mee voor korte tochtjes, maar krediet bouwden ze daarmee niet op. Een zonnige zondagmiddag die ze oversloegen, op een verjaardag een cadeautje dat wat ongelukkig gekozen was, een kleinkind dat even niet de vereiste eerbied aan de dag legde: allemaal redenen om boos te worden, kwaad weg te lopen, felle beschuldigingen te uiten.
Nu zijn vader sinds kort eenzaam op zijn kamertje in Avondrood zat, ging Gerrit hem één keer in de week bezoeken, op zaterdag. Zonder zich daar zelf aanvankelijk van bewust te zijn, vroeg hij dan altijd iemand mee, zijn vrouw of één van zijn zoons. Pas later begreep hij waarom. Hij wilde niet alleen zijn met zijn vader. Zo dicht bij de man te moeten aanschuiven die hem zo vaak gekwetst had, nee, dat moest hij vermijden. Natuurlijk had zijn vader veel goeds voor hem gedaan. Hij had Gerrit geholpen om een eigen zaak op te bouwen, had hem in financieel zware tijden geld geleend, maar toch...echt vertrouwelijk waren ze nooit geworden. En als hij, zittend aan het bed, naar die kille grijze ogen en dat hooghartige gezicht keek, dan schoten hem weer allerlei botte opmerkingen door het hoofd: "Nee jongen, daar heb jij geen verstand van", "Kom, kom, ben jij nou zo intelligent?", "Wat jij voor ons doet is niks bijzonders, dat doet elk kind". Daarom manoeuvreerde Gerrit de medebezoeker naar vaders bed en ging hij zelf triomfantelijk in de verste hoek zitten.
Gerrit zuchtte. Misschien was hij te gevoelig voor deze wereld. Gelukkig hoefde zijn vrouw deze zaterdagmiddag niet te werken.
Gerrit had niet zulke prettige herinneringen aan zijn ouders. Als kind was hij een beetje bang voor ze geweest. Ze maakten vaak ruzie met elkaar, waarbij weleens borden sneuvelden en portretten van de muur vielen. Pa en ma spraken hem als jongetje geregeld op luide en strenge toon toe, waarbij ze met verwijten aan kwamen zetten die hem met verbazing vervulden. Had hij...? Moest hij...? Mocht hij niet...? Omdat beiden van het standpunt uitgingen dat hun kind vooral blij moest zijn dat het in hun gezin geboren was, verlangden ze geregeld uitingen van dankbaarheid. Kwamen die niet terstond, dan werd Gerrit demonstratief terechtgewezen.
Hun onvoorspelbare gedrag maakte hem onzeker en zwijgzaam. Als hij hun niet vertelde waar en met wie hij speelde, dan konden ze hem ook niets verbieden. Als hij hun niet meedeelde dat hij de film "High Noon" wilde zien, dan hoefden ze hem ook niet thuis te houden. Geruisloos sloop hij telkens het ouderlijk huis uit, blij weer even vrij te zijn.
Natuurlijk begreep Gerrit wel dat hij het zijn ouders niet makkelijk maakte. Als kind stilletjes en teruggetrokken; als puber iemand die zoveel mogelijk zijn eigen weg ging en zich weinig van de andere gezinsleden aantrok; als jongeman een bewoner van enkele kamers, die in het weekend de gewoonte had eerst tegen het ochtendkrieken thuis te komen, een doordringende bierlucht met zich meedragend.
Ook toen hij getrouwd was en kinderen kreeg, bleven ze hem nadrukkelijk gadeslaan. Zijn kinderen verwende hij, zijn grasveld diende vaker gesnoeid te worden, zijn vrouw bekommerde zich niet om het huishouden. Maar nu verweerde hij zich, schreeuwde ook, zodat ze een paar weken wegbleven. Terug kwamen ze altijd, want zijn ouders hadden weinig om handen; Gerrit met zijn gezin was eigenlijk hun enige hobby.
Toen zijn ouders bejaarden werden en dus steeds meer hulp nodig hadden, verwachtte Gerrit een wat mildere houding, maar dat was helaas niet het geval. De relatie veranderde nauwelijks. Gerrit, Truus en de kinderen bezochten de ouwelui geregeld, sleepten boodschappen aan, namen ze mee voor korte tochtjes, maar krediet bouwden ze daarmee niet op. Een zonnige zondagmiddag die ze oversloegen, op een verjaardag een cadeautje dat wat ongelukkig gekozen was, een kleinkind dat even niet de vereiste eerbied aan de dag legde: allemaal redenen om boos te worden, kwaad weg te lopen, felle beschuldigingen te uiten.
Nu zijn vader sinds kort eenzaam op zijn kamertje in Avondrood zat, ging Gerrit hem één keer in de week bezoeken, op zaterdag. Zonder zich daar zelf aanvankelijk van bewust te zijn, vroeg hij dan altijd iemand mee, zijn vrouw of één van zijn zoons. Pas later begreep hij waarom. Hij wilde niet alleen zijn met zijn vader. Zo dicht bij de man te moeten aanschuiven die hem zo vaak gekwetst had, nee, dat moest hij vermijden. Natuurlijk had zijn vader veel goeds voor hem gedaan. Hij had Gerrit geholpen om een eigen zaak op te bouwen, had hem in financieel zware tijden geld geleend, maar toch...echt vertrouwelijk waren ze nooit geworden. En als hij, zittend aan het bed, naar die kille grijze ogen en dat hooghartige gezicht keek, dan schoten hem weer allerlei botte opmerkingen door het hoofd: "Nee jongen, daar heb jij geen verstand van", "Kom, kom, ben jij nou zo intelligent?", "Wat jij voor ons doet is niks bijzonders, dat doet elk kind". Daarom manoeuvreerde Gerrit de medebezoeker naar vaders bed en ging hij zelf triomfantelijk in de verste hoek zitten.
Gerrit zuchtte. Misschien was hij te gevoelig voor deze wereld. Gelukkig hoefde zijn vrouw deze zaterdagmiddag niet te werken.
10-07-2013
DRAMA OP DE JACHT
Van de paar honderd korte
verhalen die Anton Tsjechov (1860 – 1904) geschreven heeft, hebben een aantal
de klassieke status verworven, zoals “De dame met het hondje”, “Het
duel”, “De Zweedse lucifer”. Karel van het Reve vond ze zo bijzonder, omdat ze
tegelijkertijd zeer reëel en zeer fantastisch zijn, altijd met een vleugje
humor, vaak met een tamelijk tragische afloop. Toneelstukken schrijven kon
Tsjechov ook: “De Meeuw”, “De drie zusters”, “De kersentuin”, Oom Wanja”, ze
worden nog steeds over de hele wereld gespeeld.
In 1884 waagde hij zich aan
zijn enige roman, “Drama op de jacht”. Je kunt het een echte detectiveroman,
een ‘whodunnit’, noemen. Er komt een moord in voor, er zijn aanwijzingen, enkele
verdachten, een onderzoek, een rechtszaak, een veroordeling. En je denkt als
lezer, betrekkelijk kort voor het einde: die dader, wat moet ik met die man?
Ergens in een uithoek van
Rusland, op een afgelegen landgoed dat eigendom is van een alcoholistische
graaf, loopt Olga rond, een beeldschoon meisje dat het mooist in het rood
gekleed gaat; je stuit op haar krankzinnige vader, lastige bedienden, een
enkele orgie, hier en daar een bacchanaal. De verteller en de man door wiens
ogen we alles en iedereen zien, is Kamyshev, gerechtelijk rechercheur. Door
zijn beroep wordt hij nadrukkelijk bij het drama op de jacht betrokken. De
vrouwen vallen op zijn grote, krachtige gestalte, wat hem ijdel en cynisch
maakt. De invloedrijke graaf, die hij eigenlijk minacht, biedt hem zijn
vriendschap aan en die laat hij zich uit gemakzucht welgevallen.
Tsjechov speelt een
geraffineerd spel met de lezer. Hij wijst opvallend vaak vooruit, geeft
zichzelf de rol van redacteur die het manuscript, ‘een ware geschiedenis’, van
Kamyshev moet beoordelen. Met behulp van veel voetnoten levert hij commentaar
op stijl, inhoud en personen. Is hij ook parodistisch bezig? Deze techniek geeft het verhaal een extra lading,
een bepaalde ondertoon, met name aan het slot. Acht jaar na de dramatische
gebeurtenissen heeft Kamyshev zijn tekst ingeleverd bij Tsjechov en nu komt hij
eens langs om te informeren of zijn roman gepubliceerd kan worden. Hij voelt
zich oud en versleten, het leven is zonder smaak en kleur. Maar zijn bureau
wordt gedomineerd door het portret van ‘het meisje in het rood’, en dat roept
tedere gevoelens en melancholieke herinneringen bij hem op.
Het einde tilt het boek uit
het misdaadgenre en plaatst “Drama op de jacht” in de categorie ‘de mens
als raadsel’. Redacteur Tsjechov krijgt het er benauwd van.
10-06-2013
HOTEL VERTIGO
Je kunt de laatste roman van Kees ’t Hart pas echt omarmen als je ook van Hitchcock houdt. Dat betekent dat je al zijn films diverse malen gezien, nee, opgeslorpt hebt; dat je zijn hoofdrolspelers beschouwt als vrienden en vriendinnen; dat je nauwkeurig op de hoogte bent van Hitchcocks privéleven en gedachtewereld. Tja, en “Vertigo”, met James Stewart en Kim Novak, heb je zo vaak bekeken dat je die film tot je geestelijk eigendom rekent.
Hoofdpersoon Vincent van Zandt, een zestiger, is namelijk zo iemand. Als jongen van zeventien deed hij mee aan een uitwisselingsprogramma van middelbare scholieren. Eén jaar lang woonde de Nijmegenaar in San Francisco. Hij maakte in die tijd alles mee wat nodig is om van jongen tot man te worden: de eerste echte liefde, onverbloemde seks, werken voor de kost, illegale praktijken, vriendschap. Maar vooral: hij ontmoette daar de beroemde filmregisseur Alfred Hitchcock. Een kleine, dikke man met worstvingertjes, die nadrukkelijk geaffecteerd Engels sprak, en Vincent in dienst nam omdat die zo goed kon tekenen.
Als deze naar Nederland terugkeert, blijft Hitchcock jarenlang in hem rondspoken. Hij gaat bouwkunde studeren, raakt verzeild in de wereld van architectuur en stedenbouw. Hij zal over de hele wereld trekken om miljoenenprojecten binnen te slepen en uit te voeren. Maar daarnaast schrijft Vincent artikelen en houdt hij lezingen waarin hij Hitchcocks ideeën over wonen weet te verbinden met de rol die gebouwen, huizen en straten in diens films spelen. Nu hij een leeftijd heeft bereikt waarop een mens gaat terugblikken, reist hij opnieuw naar San Francisco. Hij neemt zijn intrek in Hotel Vertigo, loopt rond, kijkt, informeert, want hij is op zoek naar iets en iemand.
Bekwaam weeft Kees ’t Hart allerlei Hitchcockiaanse elementen door zijn roman. Zo is Gus Van Sant de naam van de filmproducer die in 1998 een wel zeer nauwkeurige remake van “Psycho” op de markt bracht. Ook Vincent lijdt aan duizelingen, net als James Stewart in “Vertigo”. Alle vrouwen in die film hebben iets hoerigs, vindt Vincent; dat geldt ook voor enkele dames met wie hij vroeger en nu contact heeft, valt de lezer op. Overigens hebben Van Zandt en Hitchcock de neiging om de leden van het vrouwelijk geslacht te idealiseren: zij zien ze als boodschappers, tekenbrengers, tussenpersonen van goden.
Het leukste van de roman “Hotel Vertigo” ( 2012) vind ik de documentaire kant ervan: de werkzaamheden, voorafgaand aan de filmopnames; Hitchcock en architectuur; de geheimzinnige sekte Synanon; het leven op een high school. De intrige zelf is redelijk spannend, soms wat langdradig, hoewel de melancholie die hier en daar doorbreekt het verhaal een aangename glans verleent. Niet iedereen zal het slot waarderen, maar voor mij heeft het einde het aantrekkelijke van een sprookje en de charme van een kleine verrassing.
Hotel Vertigo bestaat overigens echt: zie www.hotelvertigosf.com
Abonneren op:
Posts (Atom)