Op de avond van 13 februari 1945 vliegen ruim 240 Engelse bommenwerpers boven Dresden en strooien in een half uur talloze bommen over de stad uit. Ongeveer vijftien vierkante kilometer staat in brand. Drie uur later komt een tweede golf, nu bestaande uit meer dan 500 bommenwerpers. Navigatie is dan al niet meer nodig. "Alsof we boven een vurige plattegrond vlogen", vertelde een piloot later. De vuurzee, de lekkende vlammen, overal stervende mensen en puinhopen, het geschreeuw en het geluid van suizend vuur en instortende gebouwen: de hel was nog nooit zo nabij, verklaarden overlevenden. Bij het aanbreken van 14 februari komt een vloot van Amerikaanse vliegtuigen alles nog eens dunnetjes overdoen. De stad die al in de negentiende eeuw bekendstond om zijn historische gebouwen, kunstschatten en architectonische schoonheid, is niet meer. Kurt Vonnegut, 22 jaar oud,was als Amerikaans krijgsgevangene getuige van deze vernietigingsslag.
Vonnegut (Indianapolis, 1922 - New York, 2007) schreef bijna twintig romans, korte verhalen, essays en toneelstukken. Maar Slaughterhouse-Five, verschenen in 1969, heeft hem blijvende, internationale roem verschaft, ook al omdat hij met deze roman nadrukkelijk Dresden gebruikte als hèt voorbeeld van zinloze vernietiging. Tien jaar daarvoor had Harry Mulisch dat trouwens al gedaan met Het stenen bruidsbed, maar Vonneguts verzekering dat hij zelfs nooit gehoord had van die Nederlandse schrijver, wil ik best accepteren.
In zijn roman windt Vonnegut er al meteen geen doekjes om. "Dit is een anti - oorlogsroman", deelt hij in het eerste hoofdstuk mee, en hij voegt eraan toe: "Dit is allemaal min of meer waar gebeurd." Als hoofdpersoon presenteert hij Billy Pilgrim, een tijd-spasticus, d.w.z. iemand die geen enkele macht heeft over waar hij heen gaat, en zijn uitstapjes zijn lang niet altijd plezierig. Hij kan in 1955 een deur openen en in 1941 door een andere naar buiten gaan. Hier is Vonnegut, de man van de sciencefiction, aan het werk.
Deze vondst biedt hem de gelegenheid periodes met elkaar te vergelijken en van verhaallijn te veranderen. Daarvan zijn er twee: Billy die in het leger gaat, eruit komt, een lelijke, rijke vrouw trouwt, opticien wordt en dankzij zijn schoonvader een goedlopende brillenzaak krijgt. Daarnaast loopt het verhaal over Dresden. Billy vecht als verkenner bij de infanterie in het Amerikaanse leger, wordt tijdens het Ardennenoffensief assistent van de aalmoezenier, in die functie door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt en op transport gesteld naar Dresden. Vonnegut laat niet na telkens weer te benadrukken hoe zinloos en gewelddadig oorlog is, hoe moedeloos en uitgeput de soldaten uiteindelijk ronddolen, hoe afschuwelijk en misdadig de bombardementen op Dresden zijn.
Pilgrim kreeg, voor hij afreisde naar Dresden, het Venetië aan de Elbe, te horen dat hij zich nergens ongerust over hoefde te maken: dat is een open stad, die geen verdedigingswerken, geen oorlogsindustrieën of troepenconcentraties van enig belang heeft. Enkele malen vermeldt Vonnegut dat er 135.000 slachtoffers te betreuren zijn. Moderne berekeningen houden het op zo'n 30.000.
Verontwaardigd is Vonnegut niet, wel gelaten. In een sobere, nog steeds heel leesbare stijl laat hij de feiten voor zich spreken, nu eens cynisch, dan weer spottend, wetend dat de mens nu eenmaal graag vernietigt en dat daar niet zoveel aan te doen is. So it goes (zo gaat het) is het zinnetje dat herhaaldelijk opduikt. De roman is losjes gecomponeerd; door het gespring in de tijd en de verandering van plaats (Billy mag graag op een verzonnen planeet bivakkeren) krijgt het boek een fragmentarisch karakter. Ook daarom vind ik Het stenen bruidsbed sterker.
Hoe zit het eigenlijk met de titel? De Amerikaanse krijgsgevangenen werden in Dresden naar een gebouw gebracht dat diende om de varkens te verzamelen die geslacht zouden worden. Dit gebouw was het vijfde van het totale complex. Het zal voor Billy en honderd anderen hun redding betekenen. Tijdens de bombardementen zaten zij in een vleeskelder die was uitgehouwen in de rotsen onder het slachthuis. Zo gaat het.
Kurt Vonnegut, Slachthuis vijf. Vertaling door Else Hoog van Slaughterhouse-Five or The Children's Crusade (New York, 1969). Amsterdam, 1970,2001. 189 blz.
07-03-2020
22-02-2020
LAAT ME NOOIT ALLEEN
Met de kinderen en pubers die op het instituut Hailsham zitten, is iets vreemds aan de hand. Ze hebben geen ouders, broers of zussen, mogen het schoolterrein niet verlaten, kennen de buitenwereld slechts van plaatjes, kaarten of de verhalen van hun docenten. Juffrouw Lucy is wat loslippiger dan de anderen. Zij vertelt hun dat ze bijzonder zijn, zó bijzonder dat ze heel goed op hun gezondheid moeten letten; die is voor hen nog belangrijker dan voor haar. Kathy H., de verteller, kan zich bovendien nog goed herinneren dat ze al jong te horen kreeg dat niemand van hen kinderen kon krijgen. Ja, vanaf hun tiende begrepen ze dat ze anders waren dan de volwassenen op Hailsham en de mensen buiten. Hun leven is al uitgestippeld. "Voor jullie de middelbare leeftijd bereiken, gaan jullie je organen doneren", meldt Lucy, die het niet kan verdragen dat haar pupillen dromen van een gezin, of een reis naar Amerika, of een leuke baan in een supermarkt. Het woord 'donatie'wordt een sleutelbegrip in de levens van Kathy en haar maatjes Tom en Ruth. Dit is Engeland, eind jaren negentig, een tijd die u en ik ons goed kunnen herinneren, met alleen dit verschil:klonen van mensen bestáát.
Als je totaal geen familie hebt, zijn vriendschapsbanden onontbeerlijk. Er vormen zich op Hailsham stelletjes die elkaar als het even kan trouw blijven. De sportieve, wat sullige Tom wordt jarenlang gestuurd door Ruth, die over een scherpe tong beschikt, in idealen wil blijven geloven, en er nauwlettend op toeziet dat Kathy van Tommy afblijft. Na Hailsham gaat ieder zijn eigen weg, maar geregeld ontmoeten ze elkaar in het circuit, want dat is voor iedereen hetzelfde. Na Hailsham sturen ze je rond je zestiende naar de Cottages, een soort vooropleiding, en daarna word je verzorger. Dat houdt in: lotgenoten verzorgen die moeten doneren. Men kijkt hoe je je ontwikkelt; vervolgens komt onvermijdelijk het moment dat je zelf organen afstaat. Twee, drie, een enkeling vier. Dan is je lichaam wel op; uitgedoneerd heet dat.
Niemand komt in opstand, denkt daar zelfs niet aan. Zij leven, zodat anderen in leven kunnen blijven. Wie of wat alles organiseert en bepaalt, is onduidelijk. Een kafkaëske wereld doemt op, waarin gevoelens er niet toe doen, wensen niet tellen en mensen opgeofferd worden. Auteur Kazuo Ishiguro (zie ook 18-11-2017 en 03-02-2018) creëert een dystopie, waarin machteloze, misbruikte mensen lijden, hopen, verlangen. Dankzij zijn grote inlevingsvermogen krijgen we begrip voor de stekeligheden van Ruth, de fijngevoeligheid van Ruth, de woedeaanvallen van Tom. Nee, nergens wordt deze roman een schreeuwerig protestboek. Ishiguro toont slechts; de conclusies laat hij aan de lezer over. Een meesterwerk.
Kazuo Ishiguro, Laat me niet alleen. Vertaling Bartho Kriek. Oorspronkelijke titel: Never Let Me Go. Eerste druk 2005. 304 blz.
Als je totaal geen familie hebt, zijn vriendschapsbanden onontbeerlijk. Er vormen zich op Hailsham stelletjes die elkaar als het even kan trouw blijven. De sportieve, wat sullige Tom wordt jarenlang gestuurd door Ruth, die over een scherpe tong beschikt, in idealen wil blijven geloven, en er nauwlettend op toeziet dat Kathy van Tommy afblijft. Na Hailsham gaat ieder zijn eigen weg, maar geregeld ontmoeten ze elkaar in het circuit, want dat is voor iedereen hetzelfde. Na Hailsham sturen ze je rond je zestiende naar de Cottages, een soort vooropleiding, en daarna word je verzorger. Dat houdt in: lotgenoten verzorgen die moeten doneren. Men kijkt hoe je je ontwikkelt; vervolgens komt onvermijdelijk het moment dat je zelf organen afstaat. Twee, drie, een enkeling vier. Dan is je lichaam wel op; uitgedoneerd heet dat.
Niemand komt in opstand, denkt daar zelfs niet aan. Zij leven, zodat anderen in leven kunnen blijven. Wie of wat alles organiseert en bepaalt, is onduidelijk. Een kafkaëske wereld doemt op, waarin gevoelens er niet toe doen, wensen niet tellen en mensen opgeofferd worden. Auteur Kazuo Ishiguro (zie ook 18-11-2017 en 03-02-2018) creëert een dystopie, waarin machteloze, misbruikte mensen lijden, hopen, verlangen. Dankzij zijn grote inlevingsvermogen krijgen we begrip voor de stekeligheden van Ruth, de fijngevoeligheid van Ruth, de woedeaanvallen van Tom. Nee, nergens wordt deze roman een schreeuwerig protestboek. Ishiguro toont slechts; de conclusies laat hij aan de lezer over. Een meesterwerk.
Kazuo Ishiguro, Laat me niet alleen. Vertaling Bartho Kriek. Oorspronkelijke titel: Never Let Me Go. Eerste druk 2005. 304 blz.
09-02-2020
MET GEBRUIKSAANWIJZING
Meneer Arthur was in zijn jonge jaren te bleek, te mager en vooral te jongensachtig om indruk te maken op de meisjes van zijn leeftijd. Als het er echt op aankwam, kozen ze voor breedgeschouderde knapen met bakkebaarden, die een motor of in ieder geval een opgevoerde brommer tot hun beschikking hadden. Maar Arthur leerde bij. Hij kleedde zich wat anders, bezocht een moderne kapper en praatte van zich af. Dat betekent hier: luid spreken, grappen maken, altijd bliksemsnel reageren. Hij acteerde dus eigenlijk, hij speelde de rol van de vlotte knul, terwijl hij in feite een zachtaardige, verlegen knaap was. Zijn act bleek goed genoeg om Suus te veroveren.
Suus was een jaar ouder dan hij, een kop groter, met rossig haar en veel sproeten. Waarom was niet helemaal duidelijk, maar de jongens liepen massaal achter haar aan. Ze kon je strak en verleidelijk aankijken, met een geamuseerd glimlachje als je begon te hakkelen. Door haar grote ervaring doorzag ze haar minnaars al snel, kende hun gevoelige plekken, en maakte daar gebruik van. Vriendjes had ze dus altijd wel. Dat ze op Arthur viel was niettemin een verrassing, ook voor hem. Hun verkering verliep echter anders dan Arthur verwacht had.
Suus hield niet van aanrakingen in het openbaar. Zaten ze buiten op een bank of ieder op een stoeltje, dan trok ze haar been bliksemsnel weg als haar knie beroerd werd door die van hem. Als Arthur probeerde haar hand vast te pakken, dan trok ze die ogenblikkelijk in. Het liefst zat ze een halve meter van hem vandaan. In hun beginperiode had ze dat ook als ze gingen wandelen. Ze bleef dan aan zijn rechterkant voorop lopen, keek af en toe over haar schouder, en als hij naast haar dreigde te komen, versnelde ze haar pas. Het lijkt wel of ze zich voor mij schaamt, dacht Arthur op een gegeven moment. Zo had hij ook wel meegemaakt dat ze een paar pasjes naar achteren deed als hij op haar toeliep.
Op erotisch gebied hoefde hij natuurlijk helemaal niet op iets te rekenen. Bij het afscheid voor haar tuinhekje stond ze stil, wachtte tot hij vlakbij stond, en draaide genadiglijk haar wang in zijn richting. Links, rechts en dat was het dan. Thuis kon hij dromen over vrijmoediger escapades.
Hoewel Arthur zich een verkering anders had voorgesteld, was hij toch gelukkig. Met enige trots liep hij met zijn Suus door de stad, genietend van de jaloerse blikken en bewonderende hoofdknikjes van jonge mannen en oudere heren. Want Suus wist zich aantrekkelijk te kleden en paradeerde als een volleerde mannequin. Haar gebaartjes, dure zonnebril en gebleekte tanden voltooiden de aanblik van een jonge vrouw die gezien wilde worden en daarin ook nadrukkelijk slaagde.
Speelt ze met me? Daagt ze me uit? Verwacht ze wat van mij? Arthur vroeg het zich af. Maar dat was het niet. Na maanden liet Suus wat meer toe. Ze flaneerden weleens hand in hand, ze streelde hem over zijn rug in het bijzijn van zijn ouders, en haar kusgedrag overtrof zelfs zijn stoutste verwachtingen. Zijn beheersing, zijn geduld, zijn toewijding aan haar werden eindelijk beloond. De hele affaire duurde hooguit een jaar, maar Arthur hield er een kijk op vrouwen aan over waar hij nog jaren op kon teren.
Suus was een jaar ouder dan hij, een kop groter, met rossig haar en veel sproeten. Waarom was niet helemaal duidelijk, maar de jongens liepen massaal achter haar aan. Ze kon je strak en verleidelijk aankijken, met een geamuseerd glimlachje als je begon te hakkelen. Door haar grote ervaring doorzag ze haar minnaars al snel, kende hun gevoelige plekken, en maakte daar gebruik van. Vriendjes had ze dus altijd wel. Dat ze op Arthur viel was niettemin een verrassing, ook voor hem. Hun verkering verliep echter anders dan Arthur verwacht had.
Suus hield niet van aanrakingen in het openbaar. Zaten ze buiten op een bank of ieder op een stoeltje, dan trok ze haar been bliksemsnel weg als haar knie beroerd werd door die van hem. Als Arthur probeerde haar hand vast te pakken, dan trok ze die ogenblikkelijk in. Het liefst zat ze een halve meter van hem vandaan. In hun beginperiode had ze dat ook als ze gingen wandelen. Ze bleef dan aan zijn rechterkant voorop lopen, keek af en toe over haar schouder, en als hij naast haar dreigde te komen, versnelde ze haar pas. Het lijkt wel of ze zich voor mij schaamt, dacht Arthur op een gegeven moment. Zo had hij ook wel meegemaakt dat ze een paar pasjes naar achteren deed als hij op haar toeliep.
Op erotisch gebied hoefde hij natuurlijk helemaal niet op iets te rekenen. Bij het afscheid voor haar tuinhekje stond ze stil, wachtte tot hij vlakbij stond, en draaide genadiglijk haar wang in zijn richting. Links, rechts en dat was het dan. Thuis kon hij dromen over vrijmoediger escapades.
Hoewel Arthur zich een verkering anders had voorgesteld, was hij toch gelukkig. Met enige trots liep hij met zijn Suus door de stad, genietend van de jaloerse blikken en bewonderende hoofdknikjes van jonge mannen en oudere heren. Want Suus wist zich aantrekkelijk te kleden en paradeerde als een volleerde mannequin. Haar gebaartjes, dure zonnebril en gebleekte tanden voltooiden de aanblik van een jonge vrouw die gezien wilde worden en daarin ook nadrukkelijk slaagde.
Speelt ze met me? Daagt ze me uit? Verwacht ze wat van mij? Arthur vroeg het zich af. Maar dat was het niet. Na maanden liet Suus wat meer toe. Ze flaneerden weleens hand in hand, ze streelde hem over zijn rug in het bijzijn van zijn ouders, en haar kusgedrag overtrof zelfs zijn stoutste verwachtingen. Zijn beheersing, zijn geduld, zijn toewijding aan haar werden eindelijk beloond. De hele affaire duurde hooguit een jaar, maar Arthur hield er een kijk op vrouwen aan over waar hij nog jaren op kon teren.
26-01-2020
IK WIL WEG
"In de zomer kan ik je niet verlaten. In die maanden hebben we al die jaren veel te veel ondernomen. We zijn op de fiets door Europa getrokken, door bossen, langs rivieren, over hoge bergen. We lagen zó lang aan het strand dat jij chocoladebruin werd, en ik rood als een kreeft me voor de zon moest verbergen. Een zomer lang dreven we zelfs een strandtentje in Scheveningen, waarmee we genoeg geld verdienden om de droomreis naar Florida te bekostigen. Nee, in de zomer kan ik het niet.
In de herfst kan ik je niet verlaten. De kortere dagen, de kalende bomen, de regen die tegen de ruiten slaat, jij wordt daar melancholiek van. Je slikt pillen, staart uren voor je uit, zegt dagenlang geen woord. Maar juist dan wil je gezelschap: vertrouwde gezichten, aangename stemmen, hulpvaardige handen. Een trooster moet er zijn, iemand met schouders waar je tegenaan kunt liggen. Nee, in de herfst ga ik niet.
In de winter kan ik je niet verlaten. Het opruimen van de sneeuw, vroeger het knutselen aan de sneeuwpop, eens het onderbinden van de schaatsen: al die herinneringen maken een mens week. Trouwens: feestdagen als Kerstmis, Nieuwjaar en natuurlijk Sinterklaas, dat zijn toch de dagen waar jij het meest van houdt? Cadeautjes bedenken, ze inpakken, mensen verrassen, daar verheug jij je toch op, meer dan wie ook van onze families? En dan zou ik...? Nee, in de winter doe ik het niet.
Maar nu het lente is, ga ik bij je weg. Waarom? Al het leven begint opnieuw. De dagen worden steeds langer, de vogels zijn weer terug, de planten schieten de grond uit, de bomen dragen vol trots hun bladeren. En jij bulkt van energie en levenslust. Elke dag ben je bezig om alles schoon te maken, te herstellen, op te hangen, klaar te leggen. Je kunt best zonder mij. En ik? Ik staar naar de lucht, die steeds helderder wordt, zie de vogels hun eindeloze tochten maken, ruik onbestemde geuren die lokken, telkens weer. Waar zijn de glanzende meren, verre bossen, eenzame dorpjes? Ik luister naar de weemoedigste liedjes van Udo Jürgens, terwijl ik ons ouwe trouwe autootje klaarmaak voor een verre tocht. Want ik weet: nu moet ik gaan. Adieu. Goodbye. Vaarwel."
13-01-2020
EEN VERSTOTEN BRUID
Op 24 augustus 1561 trad hertogin Anna van Saksen te Leipzig in het huwelijk met Willem van Oranje. Zij was zestien, hij 28 jaar. Beiden zagen deze verbintenis als een uiterst gelukkige keuze. Anna was weliswaar luthers en Willem katholiek, maar Willem had beloofd dat zijn vrouw vanzelfsprekend haar geloof mocht blijven belijden. Het belangrijkste was dat nu drie dynastieën met elkaar verbonden werden: Hessen, Saksen en Nassau. Willem verheugde zich bovendien op een geweldige bruidsschat, terwijl Anna een knappe man tot haar echtgenoot kon rekenen, die bovendien als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht onder de machtige koning Filips II van Spanje een prachtige carrière tegemoet kon zien. Het paar vestigde zich in oktober 1561 in Breda.
Al spoedig doken er geruchten op over wrijvingen binnen het huwelijk. Willem ging met enige regelmaat vreemd; Anna trad wel heel arrogant op tegen Willems kinderen uit diens eerste huwelijk en tegen het personeel. Al van jongs af aan had zij de reputatie over een sterk eigen willetje te beschikken en zich door niemand, ik herhaal: niemand, iets te laten zeggen. Ze was een hertogin! Haar man maar een graaf! En wat stelden die lage landen nu eigenlijk voor? Haar woedeaanvallen werden met enige verbijstering gadegeslagen, haar depressies met religieuze teksten bestreden.
Ondertussen werd het conflict dat Willem en zijn broers hadden met Filips II steeds heftiger. Het ging om vrijheid van godsdienst en onafhankelijkheid van Spanje, later de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) genoemd. Maar dat hield wel in dat Filips II in 1567 Alva met een leger naar de Nederlanden stuurde, zodat Willem, met achterlating van al zijn bezittingen, Breda moest het verlaten en introk bij zijn broer Jan van Nassau op het slot Dillenburg. Voor het huwelijk tussen Anna en Willem betekende dit het begin van het einde.
Omdat er geen inkomsten waren, moesten ze namelijk leven op kosten van Jan. Dus geen eigen kasteel, weinig personeel, geen bezittingen.Voor de trotse Anna was deze afhankelijke situatie onhoudbaar. Haar humeur verslechterde alleen maar, ze begon te drinken en vervolgens te tieren. In de herfst van 1568 vertrok Anna naar Keulen, samen met haar hof en haar kinderen, onder wie Maurits.
Tot aan haar dood in 1577 zal Anna van woonplaats wisselen en constant strijden voor een financiële regeling waarop ze recht meende te hebben. Willem bleef achter op Dillenburg en eiste dat ze terugkwam. Een vrouw hoorde gehoorzaam bij haar man te blijven. Anna, op haar beurt, wees telkens op haar hoge geboorte, verlangde trouw en onderdanigheid. De algemene opvatting dat ook een vrouw van hoge geboorte ondergeschikt was aan haar man, werd door haar resoluut afgewezen.
Anna zocht juridische en mentale steun bij Jan Rubens, de vader van de schilder, met wie ze in mei 1570 naar Kassel reisde om haar financiële eisen kracht bij te zetten. Aan het eind van dat jaar hoorde Willem dat zijn vrouw zwanger was. Rubens bleek de vader, ook al ontkende Anna dat later. Overspel was strafbaar; Jan kwam in de gevangenis, Anna's reputatie lag in gruzelementen. Niemand van enig aanzien wilde iets met haar te maken hebben. De eerste tekenen van pure waanzin werden bij haar zichtbaar.
Eind 1576 is ze zo onhandelbaar en zelfs gevaarlijk voor het personeel, dat ze wordt overgebracht naar een kasteel in Dresden. Ze krijgt drie kamers, wordt voortdurend bewaakt, kan zonder toestemming haar vertrekken niet verlaten. In de zomer van 1577 gaat haar gezondheid sterk achteruit, op 18 december sterft ze.
Wat opvalt: de kille, calculerende houding van Willem van Oranje. Hij wilde van haar af, dus haar overspel kwam hem goed uit. Zijn buitenechtelijke escapades wuifde hij weg: haar misstap schond zijn eer. Wat er verder met haar gebeurde, interesseerde hem kennelijk niets.
Femke Deen, Anna van Saksen. Verstoten bruid van Willem van Oranje. Amsterdam - Antwerpen, 2018. 416 blz.
Al spoedig doken er geruchten op over wrijvingen binnen het huwelijk. Willem ging met enige regelmaat vreemd; Anna trad wel heel arrogant op tegen Willems kinderen uit diens eerste huwelijk en tegen het personeel. Al van jongs af aan had zij de reputatie over een sterk eigen willetje te beschikken en zich door niemand, ik herhaal: niemand, iets te laten zeggen. Ze was een hertogin! Haar man maar een graaf! En wat stelden die lage landen nu eigenlijk voor? Haar woedeaanvallen werden met enige verbijstering gadegeslagen, haar depressies met religieuze teksten bestreden.
Ondertussen werd het conflict dat Willem en zijn broers hadden met Filips II steeds heftiger. Het ging om vrijheid van godsdienst en onafhankelijkheid van Spanje, later de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) genoemd. Maar dat hield wel in dat Filips II in 1567 Alva met een leger naar de Nederlanden stuurde, zodat Willem, met achterlating van al zijn bezittingen, Breda moest het verlaten en introk bij zijn broer Jan van Nassau op het slot Dillenburg. Voor het huwelijk tussen Anna en Willem betekende dit het begin van het einde.
Omdat er geen inkomsten waren, moesten ze namelijk leven op kosten van Jan. Dus geen eigen kasteel, weinig personeel, geen bezittingen.Voor de trotse Anna was deze afhankelijke situatie onhoudbaar. Haar humeur verslechterde alleen maar, ze begon te drinken en vervolgens te tieren. In de herfst van 1568 vertrok Anna naar Keulen, samen met haar hof en haar kinderen, onder wie Maurits.
Tot aan haar dood in 1577 zal Anna van woonplaats wisselen en constant strijden voor een financiële regeling waarop ze recht meende te hebben. Willem bleef achter op Dillenburg en eiste dat ze terugkwam. Een vrouw hoorde gehoorzaam bij haar man te blijven. Anna, op haar beurt, wees telkens op haar hoge geboorte, verlangde trouw en onderdanigheid. De algemene opvatting dat ook een vrouw van hoge geboorte ondergeschikt was aan haar man, werd door haar resoluut afgewezen.
Anna zocht juridische en mentale steun bij Jan Rubens, de vader van de schilder, met wie ze in mei 1570 naar Kassel reisde om haar financiële eisen kracht bij te zetten. Aan het eind van dat jaar hoorde Willem dat zijn vrouw zwanger was. Rubens bleek de vader, ook al ontkende Anna dat later. Overspel was strafbaar; Jan kwam in de gevangenis, Anna's reputatie lag in gruzelementen. Niemand van enig aanzien wilde iets met haar te maken hebben. De eerste tekenen van pure waanzin werden bij haar zichtbaar.
Eind 1576 is ze zo onhandelbaar en zelfs gevaarlijk voor het personeel, dat ze wordt overgebracht naar een kasteel in Dresden. Ze krijgt drie kamers, wordt voortdurend bewaakt, kan zonder toestemming haar vertrekken niet verlaten. In de zomer van 1577 gaat haar gezondheid sterk achteruit, op 18 december sterft ze.
Wat opvalt: de kille, calculerende houding van Willem van Oranje. Hij wilde van haar af, dus haar overspel kwam hem goed uit. Zijn buitenechtelijke escapades wuifde hij weg: haar misstap schond zijn eer. Wat er verder met haar gebeurde, interesseerde hem kennelijk niets.
Femke Deen, Anna van Saksen. Verstoten bruid van Willem van Oranje. Amsterdam - Antwerpen, 2018. 416 blz.
31-12-2019
DE DOOD VAN IVAN ILJITSJ
Over het lot van Ivan Iljitsj hoef je je als lezer geen zorgen te maken: in de allereerste regels krijg je al te horen dat hij overleden is, en wel op 4 februari 1882. Zijn collega's op het gerechtshof, waar hij als officier van justitie werkzaam was, tonen zich geschokt en bedroefd, want ze mochten hem graag. Toch bekruipt hen al snel de triomfantelijke gedachte: beter hij dan ik. Sommigen gaan snel na of er nu een promotie in het verschiet ligt. Ivans oude vriend Peter Ivanowitsj bezoekt de vrouw van Ivan, condoleert haar, en merkt, tot zijn ontsteltenis, dat ze het vooral over geld heeft, en uitstekend op de hoogte is van eventuele toelagen van de staat. Wat was Ivan Iljitsj eigenlijk voor man?
Volstrekt normaal, heel gewoon.Verstandig, levendig, prettig in de omgang. Al op de rechtsschool drong hij zich bij niemand op, maar hij had wel een neusje voor mensen die op belangrijke posities zaten. Het talent om hun vriendschap te winnen, benutte hij ook toen hij na zijn afstuderen een betrekking zocht en vond in de provincie. Hij deed zijn werk keurig, gedroeg zich altijd waardig, trad onder alle omstandigheden beschaafd op. Twee jaar na zijn benoeming aan het gerechtshof ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote; Praskovja Fjodorovna was het aantrekkelijkste en intelligentste meisje in zijn omgeving. Zij raakte verliefd, en hij trouwde omdat hij het aangenaam vond een vrouw zoals zij te verwerven. Bovendien behoorde een man in zijn positie gehuwd te zijn. Kortom: Ivan handelde en dacht zoals iedereen. Zo moet het leven verlopen: luchtig, prettig en keurig.
Een ernstige ziekte hoort daar dus niet bij, maar het lot besliste anders. Na een lichte botsing in zijn zij voelt hij korte tijd later een stekende, constante pijn, terwijl hij een onaangename smaak in zijn mond proeft. Blindedarm? Een wandelende of beschadigde nier? Dokters komen en gaan, doen gewichtig, gedragen zich arrogant. Men zegt hem dat hij alleen maar ziek is, slechts rust moet houden en zijn medicijnen op tijd innemen. Over doodgaan spreekt niemand en hij mag er zelf niet over beginnen. Maar hij denkt er vaak aan, later zelfs voortdurend. In drie maanden tijd wordt hij een eenzaam mens, liggend op de divan, te midden van een drukke stad en talrijke kennissen. Zijn geestelijk lijden is nog erger dan zijn lichamelijk lijden, want Ivan blikt terug. Hoe heeft hij eigenlijk geleefd? Een altijd klagende vrouw, een vlucht in dossiers en wetboeken, elke dag dezelfde tredmolen, onbenullige pleziertjes. Hoe hol! Hoe onbetekenend! Aan God, een hiernamaals wijdt Ivan geen enkele gedachte. Hem rest slechts het zoeken naar een manier om de dood te accepteren.
Tolstoj laat een mens zien zoals wij eigenlijk allemaal zijn. Men heeft Ivan daarom wel met Elckerlyc (Middelnederlands voor "iedereen") vergeleken. De auteur kruipt in de huid van zijn hoofdpersoon, met camera en microfoon bekijkt hij zijn gedrag en beluistert hij Ivans gedachten. Zijn angst, hoop, vertwijfeling, zijn vragen over de zin van zijn leven maken tegelijkertijd van Iwan ook een bijzonder mens. Uiteindelijk legt ieder van ons zijn levensweg af op zijn eigen, unieke wijze.
Lev Tolstoj, De dood van Ivan Iljitsj. Vertaald door Arthur Langeveld. Amsterdam, 2007. 109 blz.
Volstrekt normaal, heel gewoon.Verstandig, levendig, prettig in de omgang. Al op de rechtsschool drong hij zich bij niemand op, maar hij had wel een neusje voor mensen die op belangrijke posities zaten. Het talent om hun vriendschap te winnen, benutte hij ook toen hij na zijn afstuderen een betrekking zocht en vond in de provincie. Hij deed zijn werk keurig, gedroeg zich altijd waardig, trad onder alle omstandigheden beschaafd op. Twee jaar na zijn benoeming aan het gerechtshof ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote; Praskovja Fjodorovna was het aantrekkelijkste en intelligentste meisje in zijn omgeving. Zij raakte verliefd, en hij trouwde omdat hij het aangenaam vond een vrouw zoals zij te verwerven. Bovendien behoorde een man in zijn positie gehuwd te zijn. Kortom: Ivan handelde en dacht zoals iedereen. Zo moet het leven verlopen: luchtig, prettig en keurig.
Een ernstige ziekte hoort daar dus niet bij, maar het lot besliste anders. Na een lichte botsing in zijn zij voelt hij korte tijd later een stekende, constante pijn, terwijl hij een onaangename smaak in zijn mond proeft. Blindedarm? Een wandelende of beschadigde nier? Dokters komen en gaan, doen gewichtig, gedragen zich arrogant. Men zegt hem dat hij alleen maar ziek is, slechts rust moet houden en zijn medicijnen op tijd innemen. Over doodgaan spreekt niemand en hij mag er zelf niet over beginnen. Maar hij denkt er vaak aan, later zelfs voortdurend. In drie maanden tijd wordt hij een eenzaam mens, liggend op de divan, te midden van een drukke stad en talrijke kennissen. Zijn geestelijk lijden is nog erger dan zijn lichamelijk lijden, want Ivan blikt terug. Hoe heeft hij eigenlijk geleefd? Een altijd klagende vrouw, een vlucht in dossiers en wetboeken, elke dag dezelfde tredmolen, onbenullige pleziertjes. Hoe hol! Hoe onbetekenend! Aan God, een hiernamaals wijdt Ivan geen enkele gedachte. Hem rest slechts het zoeken naar een manier om de dood te accepteren.
Tolstoj laat een mens zien zoals wij eigenlijk allemaal zijn. Men heeft Ivan daarom wel met Elckerlyc (Middelnederlands voor "iedereen") vergeleken. De auteur kruipt in de huid van zijn hoofdpersoon, met camera en microfoon bekijkt hij zijn gedrag en beluistert hij Ivans gedachten. Zijn angst, hoop, vertwijfeling, zijn vragen over de zin van zijn leven maken tegelijkertijd van Iwan ook een bijzonder mens. Uiteindelijk legt ieder van ons zijn levensweg af op zijn eigen, unieke wijze.
Lev Tolstoj, De dood van Ivan Iljitsj. Vertaald door Arthur Langeveld. Amsterdam, 2007. 109 blz.
07-12-2019
MIJN EERSTE MOORD
"Het terugkerende thema is de manier waarop mensen zich gedragen als ze geconfronteerd worden met het noodlot of iets waarvan ze alleen al denken dat het onontkoombaar is. Vaak is dat noodlot de dood, die me erg bezighoudt." Dat zei Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 1954) in 1918 over zijn pas verschenen verhalenbundel Mijn eerste moord en andere verhalen. Wat zijn dat voor verhalen, en wat doen die mensen dan?
Het zijn er in totaal elf, variërend in lengte van enkele bladzijden tot een vertaling uit het Duits van Aquis submersus, een novelle uit 1876 van Theodor Storm, die 85 bladzijden omvat. Ik zal er enkele verhalen uitlichten die mij in hoge mate bevielen.
In Orpheus speelt de auteur een geraffineerd spel met leven en dood (zie titel!), heden en verleden. Lydia beseft dat dit de laatste dag is in het leven van haar minnaar Menno. Hij blinkt in alles uit, maar wil geen kinderen en ook geen vaste relatie, deelt hij haar nu mee. Haar houding bij het afscheid (hij weet van niets) is die van een koel calculerende vrouw; ze rekent erop dat het leven haar nog genoeg kansen zal bieden. Slim, origineel, dit verhaal.
Van Een ware held zijn sinds 2013 al enkele drukken verschenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vechten de broers Luigi en Beppo nabij de rivier de Isonzo, aan het Oostenrijks - Hongaarse front. Daar maken ze mee hoe een generaal een manier bedenkt om de vechtlust van de troepen te verhogen: elke tiende man wordt doodgeschoten. Zij ontsnappen deze keer, maar als hun compagnie een bergpas niet heeft verdedigd, dreigt wederom een executie: elke vierde man wordt gedood. Een officier gaat langs, de aangewezen mannen moeten een stukje verderop bij elkaar gaan staan, wachtend op het vuurpeloton. Luigi kan de spanning niet verdragen, Beppo is beheerst, standvastig, moedig. Wie is de ware held? Het slot zal u verrassen.
De hulpeloosheid van de mens zit in het ironische verhaaltje De zon. Willem trotseert de dwangarbeid in Japan; de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft hij; als het vliegtuig dat hem naar huis brengt neerstort, verdrink iedereen, behalve hij. Veel later zal een onbenullige fout hem het leven kosten. We blijven nietige wezentjes.
Vanaf 1992 vertaalde Driessen (ook acteur en regisseur) toneelstukken in het Duits, waaronder Lucifer van Vondel. De laatste jaren neemt hij ook werk van Theodor Fontane en Theodor Storm onder handen. De laatste leefde in Noord - Duitsland en situeerde zijn novelles ook aldaar. Dus woeste winden, polderlandschappen, heidevelden, kleine stadjes en verre uitzichten in Aquis submersus (= in het water verzonken) dat Driessen vooral aangesproken zal hebben om de dreiging, onuitgesproken maar altijd aanwezig, dat eens het onheil zal toeslaan. Een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde, kunstenaarschap, noodlot, schuld en boete. Driessen schrijft niet autobiografisch, mijdt gezeur over de middelbare school en strenge ouders, maar zoekt zijn onderwerpen ver weg, zowel qua afstand als qua tijd. On - Nederlands dus, en ook daarom heel lezenswaardig. Wordt vervolgd!
Martin Michael Driessen, Mijn eerste moord en andere verhalen. Amsterdam, 2018. 251 blz.
Het zijn er in totaal elf, variërend in lengte van enkele bladzijden tot een vertaling uit het Duits van Aquis submersus, een novelle uit 1876 van Theodor Storm, die 85 bladzijden omvat. Ik zal er enkele verhalen uitlichten die mij in hoge mate bevielen.
In Orpheus speelt de auteur een geraffineerd spel met leven en dood (zie titel!), heden en verleden. Lydia beseft dat dit de laatste dag is in het leven van haar minnaar Menno. Hij blinkt in alles uit, maar wil geen kinderen en ook geen vaste relatie, deelt hij haar nu mee. Haar houding bij het afscheid (hij weet van niets) is die van een koel calculerende vrouw; ze rekent erop dat het leven haar nog genoeg kansen zal bieden. Slim, origineel, dit verhaal.
Van Een ware held zijn sinds 2013 al enkele drukken verschenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vechten de broers Luigi en Beppo nabij de rivier de Isonzo, aan het Oostenrijks - Hongaarse front. Daar maken ze mee hoe een generaal een manier bedenkt om de vechtlust van de troepen te verhogen: elke tiende man wordt doodgeschoten. Zij ontsnappen deze keer, maar als hun compagnie een bergpas niet heeft verdedigd, dreigt wederom een executie: elke vierde man wordt gedood. Een officier gaat langs, de aangewezen mannen moeten een stukje verderop bij elkaar gaan staan, wachtend op het vuurpeloton. Luigi kan de spanning niet verdragen, Beppo is beheerst, standvastig, moedig. Wie is de ware held? Het slot zal u verrassen.
De hulpeloosheid van de mens zit in het ironische verhaaltje De zon. Willem trotseert de dwangarbeid in Japan; de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft hij; als het vliegtuig dat hem naar huis brengt neerstort, verdrink iedereen, behalve hij. Veel later zal een onbenullige fout hem het leven kosten. We blijven nietige wezentjes.
Vanaf 1992 vertaalde Driessen (ook acteur en regisseur) toneelstukken in het Duits, waaronder Lucifer van Vondel. De laatste jaren neemt hij ook werk van Theodor Fontane en Theodor Storm onder handen. De laatste leefde in Noord - Duitsland en situeerde zijn novelles ook aldaar. Dus woeste winden, polderlandschappen, heidevelden, kleine stadjes en verre uitzichten in Aquis submersus (= in het water verzonken) dat Driessen vooral aangesproken zal hebben om de dreiging, onuitgesproken maar altijd aanwezig, dat eens het onheil zal toeslaan. Een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde, kunstenaarschap, noodlot, schuld en boete. Driessen schrijft niet autobiografisch, mijdt gezeur over de middelbare school en strenge ouders, maar zoekt zijn onderwerpen ver weg, zowel qua afstand als qua tijd. On - Nederlands dus, en ook daarom heel lezenswaardig. Wordt vervolgd!
Martin Michael Driessen, Mijn eerste moord en andere verhalen. Amsterdam, 2018. 251 blz.
Abonneren op:
Posts (Atom)