29-03-2021

DE KUNST VAN HET OUD WORDEN

 Toen de Romeinse politicus en schrijver Marcus Tullius Cicero (106 - 41 v. Chr.) al zijn macht kwijt was geraakt en zelfs blij mocht zijn dat hij nog leefde, trok hij zich in zijn buitenhuis in Tusculum terug. Daar bedacht hij voor zichzelf een nieuwe opdracht. In de jaren 45 - 44 schreef hij een aantal filosofische werken, waarin hij de Griekse wijsbegeerte aan de Romeinen wilde voorstellen. Dat hij óók tot de ouderen behoorde, hinderde hem; het besef dat zijn carrière teneinde was, dreef  hem zelfs tot wanhoop.  Waarschijnlijk slaat hij daarom in De senectute (= Over de ouderdom, door Vincent Hunink omgedoopt in De kunst van het oud worden), een wel erg optimistische toon aan.  

Cicero gebruikt voor zijn overpeinzingen de dialoogvorm en neemt de lezer mee terug in de tijd, naar het jaar 150, want dan kan hij veel van zijn teksten in de mond leggen van Marcus Porcius Cato (234 - 149). Deze behoorde tot één van de machtigste personen van zijn tijd: politicus, militair, redenaar, schrijver. Hij voert langdurig het woord, af en toe eerbiedig onderbroken door twee jonge politici.

Cato ( waarschijnlijk vaak met instemming van Cicero) behandelt vier standpunten over ouderdom, en weerlegt ze allemaal.

1. Als je oud bent, moet je allerlei activiteiten opgeven. Natuurlijk, je lichaamskracht neemt af, maar wat zou dat? Je geestkracht blijft intact, als oudere heb je veel ervaring, dus vraag hem om raad, maak gebruik van zijn gezag en oordeelsvermogen. Is zijn geheugen wat minder? Dan traint hij het niet. Doet hij dat wel, dan kan hij nog op hoge leeftijd zijn toehoorders verbazen.

2. Je wordt fysiek zwak. Zeker, je bent geen jonge vent meer, maar maak gebruik van wat er nog is. Ben je een redenaar, besef dat je enthousiasme en je stem in kracht zijn afgenomen. Maar een oude man die kalm en ontspannen praat, neemt door zijn milde optreden het publiek voor zich in. Verlang niet terug naar wat verdwenen is. Elke leeftijd kent zijn eigen periode, benut de rijpheid van de ouderdom. Met oefening en maat kun je bovendien veel compenseren. En laat het paardrijden en het wapengekletter maar aan de jeugd over.

3. Je kunt niet meer zo veel genieten. Ja, gelukkig maar!  Haast elke misdaad of misstap is begaan door iemand die nadrukkelijk genot zocht. Ontucht, overspel, dronkenschap: als begeerte overheerst, is matigheid verdwenen. Heerlijk die oude dag! Al dat gezwelg, al die hitsige fantasieën, ze hoeven niet meer. Wie plezier vindt in kunst en cultuur heeft genoeg aan zichzelf.

4. De dood nadert. Eigenlijk moet je aan de dood helemaal geen aandacht besteden. Of hij dooft je ziel helemaal uit, en daar merk je dus niets van. Of hij voert je naar een onsterfelijk bestaan, en dan zal je eeuwig gelukkig zijn. Dus waarom bang? Wil je toch liever jong zijn? Ook jeugdige mensen kunnen sterven. En je bent ze in ieder geval op één punt voor: jij hebt bereikt wat zij zo graag willen. Voor allen geldt: wees tevreden met de tijd die je wordt gegeven. Herinner je de goede daden die je hebt verricht en de eerbied en het gezag dat je daardoor op je oude dag hebt gekregen. 

Aan het slot neemt Cicero zelf nadrukkelijk het woord. Een mens heeft genoeg geleefd als hij  voldoende aan zijn interesses is toegekomen. Verdwijnen ze als hij ouder wordt, dan is het tijd om te sterven. Met Plato en Socrates is Cicero van mening dat de ziel onsterfelijk is. Hoe het ook zij: de wijze accepteert dat zijn tijd gekomen is.

Cicero, De kunst van het oud worden. Vertaald en toegelicht door Vincent Hunink. Athenaeum - Polak & Van Gennep. Amsterdam 2019. 95 blz. 

 



15-03-2021

DE STILLE KRACHT

Begin maart 1899 vertrok Louis Couperus met zijn vrouw Elisabeth van Genua naar Indonesië. Geruime tijd logeerden zij bij Louis' zuster Trudy en haar man Gerard Valette, die toen resident was van Tegal en nog tijdens hun verblijf dezelfde functie ging bekleden in Pasoeroean. Al pratend over binnenlands bestuur en het leven in dit exotische land, zal Couperus het idee hebben opgevat een Indische roman te schrijven. Op 8 oktober 1899 begon hij eraan, gebruikmakend van de indrukken die hij inmiddels op Oost - Java had opgedaan. Tevens paste hij wat pikante anekdotes uit de familiegeschiedenis in: zijn vader, grootvader, enkele ooms en tantes hadden jaren in Indonesië gewoond. Het werk vlotte uitstekend; in juni 1900 kon Elisabeth al beginnen met haar gebruikelijke taak, namelijk het met de hand overschrijven van de hele roman, zodat de uitgeverij aan de slag kon gaan.

De hoofdpersoon in De stille kracht is Otto van Oudijck, resident van Laboewanggi op Java. Een resident is de hoogste bestuursambtenaar in een bepaald gebied; hij vertegenwoordigt het Nederlandse gezag en is daarom oppermachtig. Zijn belangrijkste tegenspeler is de regent; deze representeert de oude, deftige Javaanse adel. De resident zal, als hij verstandig is, behoedzaam met de regent omgaan, want de inlanders zullen de laatste blind gehoorzamen. Van Oudijck is een broodnuchtere Hollander, vol plichtsbesef, een harde werker, het belang van zijn land maar ook dat van de Javaan in het oog houdend. Maar hij begrijpt de inlandse bevolking niet echt en thuis loopt hij met oogkleppen op. Zijn jonge, tweede vrouw, Léonie, mooi, charmant, volstrekt onverschillig, is voortdurend uit op erotische avontuurtjes, o.a. met haar tien jaar jongere stiefzoon Theo. Iedereen weet ervan, ook zijn dochter Doddy, maar Van Oudijck is uitsluitend bezig met besturen. Daarbij maakt hij een fout die zijn hele leven overhoop gooit. Hij ontslaat de volledig ontspoorde broer van de regent, wat in de ogen van zijn adellijke familie maar ook van de Javaanse bevolking een reusachtige vernedering betekent. Er rest hun nog één wapen: de stille kracht.

Wat houdt die stille kracht nu eigenlijk in? Couperus omschrijft die zó: "Onder al die schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in de grond en als haat en mysterie in het hart." Want de inlander haat de westerling, lees de Hollander, die overheerst, mishandelt, uitbuit. De oosterling blijf buigen en glimlachen, maar ondergronds ondergraaft hij het wettige gezag. Dat uit zich in deze roman door onverklaarbare steentjes die door de lucht suizen; onzichtbare monden die sirihsap naar de ontzette Léonie spugen; urenlang stampende geluiden op zolder. 

De kortzichtige resident, zijn overspelige vrouw, zelfs de begripvolle, kunstzinnige Eva Eldersma: ze gaan allen ten onder. De Hollanders hebben niets te zoeken in een land dat ze ook niet willen begrijpen, omdat ze alleen maar gekomen zijn om zo snel mogelijk rijk te worden. Couperus had een vooruitziende blik: het Hollandse kolonialisme is in verval, de wereld die hij tekent in deze geweldige roman staat op het punt om te verdwijnen.

Louis Couperus, De stille kracht. Uitgeverij LJ Veen Klassiek. 2013, 272blz. Eerste druk: 1900.

06-03-2021

DE VIER ZUSTERS MAKIOKA

 Van oktober 1936 tot april 1941 was Ashiya een welvarende forensengemeente, gelegen tussen Osaka en Kobe. De eens zo vooraanstaande familie Makioka heeft weliswaar haar glans verloren, maar blijft toch krampachtig zoeken naar een echtgenoot van hoog niveau voor de derde dochter, Yukiko, die al dertig jaar is. Ook de jongste dochter, Taeko, 25, westers georiënteerd, zou een huwelijk in hoge mate toejuichen, maar zij mag pas als haar oudere zus de stap gewaagd heeft. En dat kan nog wel even duren.

Yukiko is weliswaar mooi, elegant en aantrekkelijk, maar ze belichaamt ook de traditioneel opgevoede Japanse vrouw: stil in gezelschap, zeer terughoudend tegenover vreemde mannen, gehoorzaam uitvoerend wat men haar opdraagt. Niettemin weet ze op haar eigen onmerkbare wijze haar zin door te drijven. Als er zich mannen aandienen die haar willen huwen, is het voor haar zusters al snel duidelijk of ze hem al of niet wil. Het is haast altijd het laatste. Omdat de familie Makioka haar aanzien verloren heeft en Yukiko toch hoge eisen blijft stellen, drijft ze met name haar oudste, gelukkig getrouwde, zuster Tsuruko en haar favoriete zus Sachiko tot wanhoop.

De jacht op een fatsoenlijke man met liefst veel geld loopt als een rode draad door Stille sneeuwval, maar vormt niet het hoofdthema. Dat is de herinnering aan vervlogen tijden, de weemoed die deze herinneringen oproepen en het besef dat het geluk van toen waarschijnlijk nooit meer terugkomt. Eens waren er nooit geldzorgen in de familie, waren de huwelijkskandidaten van hoog niveau, waren de uitstapjes om de kersenbloesems te bewonderen zoveel uitbundiger, vrolijker, gezelliger.

 Daarbij valt het westerse lezers op dat de familie niet echt streeft naar iets hogers, iets spiritueels, iets wat boven het alledaagse uitstijgt. Volgens vertaler Jacques Westerhoven, die ook het nawoord schreef, komt dat omdat Tanizaki uitgaat van de opvattingen van Boeddha en Confucius, waarin veel meer waarde wordt gehecht aan sociale verplichtingen dan aan persoonlijke, geestelijke rijkdom. Het was voor mij verrassend om te lezen hoe empathisch deze mensen in deze roman zijn. Hoe zal die hierop reageren, zal hij niet boos zijn, komen we niet te vroeg, valt mijn grapje niet verkeerd, moeten we haar wel uitnodigen enz. Je zorgt voor je familie, collega's, buren, kennissen. Je onderhoudt je sociale netwerk constant, en dat is vermoeiend, want iedere bewezen dienst schept een verplichting. Eerst bied je een geschenk aan, daarna vraag je, buigend en complimenten mompelend, om een gunst.

Junichiro Tanizaki (Tokio; 1886 - 1965) is een prachtige schrijver: glasheldere, altijd soepel lopende volzinnen, geweldige portretten van zijn hoofdpersonen, fascinerende beschrijvingen van de overstroming en storm.in 1938. .Hoe een familie langzaam maar zeker afglijdt, is beschreven door literaire grootheden als Louis Couperus en Thomas Mann. Tanazaki doet niet voor hen onder.
Junichiro Tanazaki, Stille sneeuwval. Oorspronkelijke titel "Sasame yuki" (1946). Nederlandse vertaling en nawoord Jacques Westerhoven. Uitgeverij L.J.Veen Klassiek, Amsterdam/Antwerpen. Zevende druk augustus 2020.607 blz. 

19-02-2021

LIEVER ALLEEN

 De ouders van Klaartje vroegen zich weleens af waarom hun oudste dochtertje zo teruggetrokken was, maar ze vergaten dan naar zichzelf te kijken. Hun manier van opvoeden bestond er toch vooral uit constant te corrigeren, te berispen en te straffen. Dat maakte het meisje schichtig en bangelijk. Bovendien waren pa en ma beiden krachtige persoonlijkheden met luide stemmen, die zich door hun partner niets lieten zeggen. Als Klaartje 's avonds al vroeg naar bed moest, kroop ze geregeld diep onder de dekens om de ruzies die van onderen tot haar doordrongen, vooral niet te hoeven horen.

Veel buiten spelen, dat was haar redding; in de jaren vijftig kon dat dan ook volop. Hinkelen, touwtje springen, zwemmen, Klaartje was overal voor in. Toen haar buurmeisje ging hockeyen, meldde ze zich ook aan bij de club, en ook daar lukte het aardig. Maar vriendinnen mee naar huis nemen...nee. Moeder wilde vooral rust en orde; Klaartje lachte en praatte met iedereen, fietste hier en daar met iemand mee op, en dat was het dan. Thuis las ze heel veel, luisterde naar de radio, tekende. Vervelen deed ze zich nooit. 

Ook op de middelbare school leefde ze haar eigen leventje, met voldoende oppervlakkige contacten om zich niet eenzaam te voelen. Daarnaast zonk ze geregeld weg in een fantasiewereld vol dromen,  lievelingsboeken, favoriete films en door haar bewonderde acteurs en actrices. Was ze misschien toch ook bang voor de superkritische mening van haar moeder en de cynische grappen van pa dat ze daar nooit over praatte? Vriendinnen die langs kwamen bleven een zeldzaamheid. 

En de jongens? Ze zag ze op school, ze ontmoette ze op dansles, en aanvankelijk bloosde ze vooral als ze tegen haar spraken. Maar Klara had geluk met haar uiterlijk. Lang, 1.80 m, blond, fraai gebit, leuke lach, hoefde ze niet zo heel veel moeite te doen. De jongemannen kwamen toch wel, en bleven na enige tijd, tot haar grote opluchting, weer weg. Die kerels wilden altijd bij je zijn! Afspreken, ergens naartoe, altijd hand in hand, zo opdringerig allemaal. Klara vond het benauwend. Lekker alleen, met niemand rekening hoeven houden, gaan en staan waar en wanneer je wil...wat is er mooier dan dat?  Zo op haar vijfentwintigste ontdekte ze dat relaties, samenwonen, constant met mensen optrekken aan haar niet besteed was. "Je bent een einzelgänger", zei haar vader eens afkeurend.

Toen kwam Gerrit in haar leven. Hij was net zo solistisch als zij, maar had wel een zwak voor vrouwelijk schoon. Een knappe, lieve man zo af en toe om je heen beviel Klara ook wel, dus zochten ze naar een een manier van samenleven die bij hen paste. Dat werd dus een latrelatie, en die zou, tot beider tevredenheid, vele jaren duren. Nee, nee, natuurlijk geen kinderen.

Nu zit ze in een soort verzorgingshuis met vooral vrouwen die net weduwen zijn. Lotgenoten dus, ieder is een eenling, je moet het zelf allemaal opknappen. Dat kan Klara best, ook al mist ze Gerrit. En straks in de hemel, als Petrus haar binnenlaat, zal hij haar ongetwijfeld een plekje aanwijzen waar ze, los van alle anderen, behaaglijk plaatsneemt in een stil hoekje met een prachtig boekje.


05-02-2021

BERGEN, SNEEUW EN VROUWEN

Het grootste eiland van Japan is Honshu, waarop u ook Tokio en de slapende vulkaan Fuji  kunt vinden. Wie weg wil vluchten uit de jachtige, overbevolkte hoofdstad, trekt naar het Ougebergte in het noorden. Shimamura, gehuwd, kinderen, financieel onafhankelijk, heeft in de winter een week door de bergen gezworven en reist per trein naar een dorpje waar warme bronnen zijn en plekken om te skiën. In de trein ontmoet hij een jong, bloedmooi meisje, met prachtige ogen en een opvallend warme stem. Ze blijkt Yoko te heten en stapt in hetzelfde dorp uit. Koud is het daar; 's winters kan het wel twintig graden vriezen en er vallen pakken sneeuw van wel twee of drie meter. Bij een pittige sneeuwstorm vluchten fazanten en hazen de huizen van de bewoners binnen. 

De bergen, de sterren, de sneeuw: ze hebben een speciale uitwerking op de nietsnut, zoals Shimamura zich vaak voelt. De natuur overweldigt hem, reinigt hem, want hij heeft een uitgesproken gevoel voor schoonheid; daarom is hij ook een groot liefhebber van dans en toneel. Je kunt hem een dromer en een estheet noemen, maar aardse genoegens schuwt hij niet: in het dorp leert hij een jonge geisha kennen, Komako, die haast obsessief verliefd op hem wordt.

 Nee, geachte lezer, een geisha heeft niets met prostitutie te maken. Ze wordt uitgenodigd op feestjes, danst en maakt muziek. Ze moet de gasten entertainen, daar wordt ze voor betaald. Wel is het zo dat Komako zich graag laat omringen door mannen met geld, dat ze vaak dronken thuiskomt en al vrij snel het bed deelt met Shimamura. Drie jaar lang reist hij één keer per jaar naar het dorpje om haar te bezoeken. Maar is hij verliefd? Nee, want daar is hij niet toe in staat. Of, om auteur Yasunari Kawabata te citeren: "De hele Komako stroomde naar hem over, maar het leek uitgesloten dat er van Shimamura ook maar iets naar háár uit zou gaan. Een geluid als klopte Komako tegen holle wanden weerklonk op de bodem van zijn hart en hoopte zich daar op als gestadig vallende sneeuw." Ja, dit soort pareltjes treft u in Sneeuwland veelvuldig aan.

Hoofdpersoon Shimamura staat tussen twee vrouwen: één die hem hartstochtelijk liefheeft maar hem niet boeit, en één die hij nauwelijks kent maar hem intrigeert. Ik vind dat de schrijver met het personage Yoko te weinig gedaan heeft, haar te schimmig heeft gehouden. Ook over het slot ben ik niet tevreden. Het lijkt wel of hij geen geschikt einde wist te bedenken, en daarom maar zijn toevlucht zocht in een volkomen onverwachte, uiterst dramatische, verschrikkelijke gebeurtenis. Het is vooral een dromerige roman, vol treffende natuurbeschrijvingen, sfeervolle situaties en drie mensen die besluiteloos om elkaar heen draaien.   

Yasunari Kawabata (Osaka, Japan; 1899 - 1972) ontving in 1968 de Nobelprijs voor literatuur.

Yasunari Kawabata, Sneeuwval. Vertaald uit het Japans door Cornelis Ouwehand. Oorspronkelijke druk 1947. Eerste druk Nederlandse vertaling 1979, tiende druk 2020. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam. 157 blz.

22-01-2021

DE VERGISSING VAN TROELSTRA

Om zes uur 's morgens rijdt op zondag 10 november 1918 een stoet van negen auto's naar de grenspost Eijsden in Zuid - Limburg. De belangrijkste inzittende is de Duitse keizer Wilhelm II, die voor zichzelf en zijn mensen in Nederland asiel komt vragen. De keizer moest in eigen land namelijk aftreden, omdat de Eerste Wereldoorlog verloren was. In 1917 hadden de communisten in Rusland de tsaar en zijn gezin vermoord; nu, een jaar later, heerst er enorme onrust in Duitsland. Ook in Nederland slaat de paniek toe. Troelstra, de leider van de SDAP (sociaal - democratische arbeiderspartij), ruikt zijn kans. 

Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918). Noch Engeland, noch Duitsland zag iets in een bezetting van ons land. Niettemin had onze regering problemen genoeg: er was voedselschaarste, grote werkloosheid en de genadeloos rondwarende Spaanse griep maakte veel slachtoffers. Daarom ook hier veel onrust in de vorm van relletjes, demonstraties, stakingen. De SDAP zat niet in de regering; de partij had achttien van de honderd zetels in de Tweede Kamer, werkte nauw samen met de socialistische vakcentrale NVV, en hoopte de arbeiders weg te lokken van de traditionele confessionele partijen. 

Pieter Jelles Troelstra (Leeuwarden; 1860 - 1930), in zijn vrije tijd dichter, van beroep advocaat, was een begenadigd spreker, maar zijn revolutionaire hart kon hem weleens verleiden tot grootse visioenen en uitspraken waar hij later spijt van kreeg. Maar hij kon de massa bezielen, en dus voor stemmen zorgen. Toen op 25 oktober in de kazerne De Harskamp relletjes uitbraken en de onrust oversloeg naar andere kazernes, rook Troelstra zijn kans. Ook in Nederland moesten de socialisten in opstand komen tegen het wettig gezag en de macht grijpen.

Eind oktober, begin november vergadert het partijbestuur van de SDAP, waarin hij bevlogen het woord voert, maar tot zijn teleurstelling krijgt hij heel weinig steun. Op 5 november vertelt hij in de Tweede Kamer dat het leger en de arbeidersbeweging klaar staan om de macht over te nemen. Op 11 november wordt de Eerste Wereldoorlog beëindigd door het sluiten van een wapenstilstand, zodat premier Ruijs de Beerenbrouck de bevolking bemoedigend kan toespreken. Hij benadrukt dat vóór alles de orde gehandhaafd dient te blijven. En dat lukt wonderwel. Oproepen van communistische kant tot staken en protestdemonstraties vinden nauwelijks gehoor. Ook de SDAP- Kamerfractie kritiseert Troelstra.

Als op zondag 17 november koningin Wilhelmina haar kerk in Den Haag bezoekt, demonstreren katholieke organisaties op andere plaatsen in de stad voor het koningshuis. De volgende dag stroomt het Malieveld overvol met duizenden mensen uit het hele land, die komen getuigen van hun liefde voor Oranje. Troelstra had zich inderdaad vergist, zoals hijzelf ook spoedig toegeeft. Het leger, de politie, de arbeiders willen helemaal niet de macht grijpen. Het volk vertrouwt zijn leiders, het koningshuis is erg geliefd, dus met een revolutie wenst vrijwel geen enkele Nederlander ook maar iets te maken hebben.
Rob Hartmans, De revolutie die niet doorging. Uitgeverij Omniboek, Utrecht. 2018. 206 blz. 


08-01-2021

WOLF HALL

 Dat de hartvochtige vader van Thomas Cromwell (Putney; 1485 - 1540) slechts bierbrouwer en smid was, zal zijn zoon altijd worden nagedragen. De adel zal er geregeld spottende opmerkingen over maken, het gewone volk ziet in hem een overloper, die je dus moet wantrouwen. Hij lijdt daar niet onder, want zijn zelfvertrouwen is groot en zijn kwaliteiten overweldigend. In zijn jonge jaren zwierf hij door Italië, sprak vloeiend Latijn, Italiaans, Frans, en een beetje Nederlands, was op de hoogte van moderne boekhouding en had voor het Vaticaan gewerkt. Ook daarom mocht hij, toen hij in 1514 terugkeerde naar Engeland, bij de machtige kardinaal Wolsey in dienst treden. 

Wolsey is door vorst Henry VIII aan een klus gezet die hem uiteindelijk noodlottig zal worden: Henry wil dat de paus zijn huwelijk met Katherine van Aragon ongeldig verklaart, omdat zij hem geen zoon kan bezorgen. Hij wil officieel, met alle pronk en praal, de jeugdige Anne Boleyn huwen. Cromwell, die sociaal zo handig is dat hij met iedereen kan omgaan, moet Wolsey assisteren bij besprekingen, onderhandelingen, bedreigingen, bestraffingen. Hij maakt gebruik van spionnen, is op de hoogte van buitenechtelijk affaires, kent de grote financiële zorgen van de edelen. Het duurt Henry allemaal te lang, Anne haat Wolsey, zodat hem uiteindelijk vrijwel al zijn bezittingen en zijn macht worden afgenomen. Maar Cromwell blijft zijn kardinaal tot diens dood trouw; Henry waardeert dat zozeer, dat hij hem  in dienst neemt. Opnieuw zal hij stijgen op de maatschappelijke ladder, jaloers nagekeken door al die hertogen, graven en prinsen. Hoffelijkheid is zijn handelsmerk, charme zijn kracht, meedogenloosheid zijn wapen. 

Maar ook Henry geeft hem een gecompliceerde opdracht mee: zorg dat Thomas More mijn tweede huwelijk steunt. En More, gevreesd, gerespecteerd, zó trouw aan paus en Kerk dat hij martelingen goedkeurt, doet dat absoluut niet. De befaamde staatsman, humanist en filosoof weigert koppig de beslissende eed aan de vorst af te leggen, en wordt uiteindelijk onthoofd. Want een vorst heeft in de zestiende eeuw absolute macht: hij schenkt kastelen en neemt ze weer af, maakt en breekt reputaties, beslist over huwelijken en beveelt over executies. Maar een zoon kan Anne niet baren.

Hilary Mantel biedt de lezer met haar historische roman een overtuigend beeld van de zestiende eeuw. Het boek staat (over)vol met sappige details, geestige dialogen, schijnbaar terloops gelardeerd met karakterbeschrijvingen van de zelfverzekerde Cromwell, de hardvochtige More, de alles eisende Henry, de ziekelijk jaloerse Anne. Er volgen nog twee delen. U hoort nog van me.

Hilary Mantel, Wolf Hall. Vertaling Ine Willems. Oorspronkelijke uitgave 2009, Nederlandse vertaling 2010, elfde druk 2020, Mediaan uitgevers. 813 blz.