19-11-2022

DE EEUWIGE ECHTGENOOT

 Waarom Veltsjaninov zo hartstochtelijk verliefd was geweest op Natalja, de vrouw van Troesotski, wist hij zelf achteraf ook niet meer. Ze had geen knap maar wel een levendig gezicht, was mager, had harde ogen, kon zich uitstekend kleden. Ze beschikte nu eenmaal over het talent om mannen te manipuleren, om haar vingers te winden, met ze te spelen en vervolgens, na korte of langere tijd, weg te sturen. Zo was het de ervaren, imposante grootgrondbezitter Veltsjaninov ook vergaan. Als hij na negen jaar haar echtgenoot tegenkomt die hem vertelt dat zijn vrouw Natalja gestorven is, keren alle herinneringen weer terug.

Ja, die echtgenoot...wat weet hij? Hij is nog steeds ambtenaar, zit er financieel goed bij, blijkt nog steeds veel te veel te drinken. Hij laat zich glimlachend ontvallen dat hij "een eeuwige echtgenoot"  is, maakt tijdens een van de vele gesprekken met Veltsjaninov gebaren dat hij hoorntjes draagt, kent de naam van weer een andere minnaar van zijn vrouw. En wie is eigenlijk de biologische vader van Liza, zijn achtjarige dochtertje? 

Troesotski en Veltsjaninov, ze zijn voortdurend in elkaars nabijheid, of ze nu willen of niet. Ze slapen in dezelfde kamer, gaan samen op bezoek bij een familie met zes dochters; Troesotski is op de jongste verliefd en hoopt op steun van zijn voormalige rivaal. Want beide mannen zijn eigenlijk verwikkeld in een spiegelgevecht. Simon Vestdijk, die graag over schuld en boete mag filosoferen, ziet in de weduwnaar iemand die het niet aandurft om zijn wraakzucht te bevredigen, terwijl de voormalige minnaar van zijn vrouw wel wordt gekweld door onuitgesproken schuldgevoelens, maar die niet hardop durft uit te spreken. Erger nog: door zijn charmante optreden tegenover vrouwen stelt hij de onhandige Troesotski telkens weer in de schaduw, aldus de gevoelens van schuld tegenover deze hoorndrager alleen maar vergrotend. 

Komt het nog tot een climax? Wordt er toch nog wat openlijk uitgesproken? Jawel, maar kort, aan het slot. Troesotski blijkt flinker dan u dacht. Vestdijk noemde De eeuwige echtgenoot, dat uit 1870 stamt, Dostojevski's meest aangrijpende kortere roman. Dat is wel heel veel eer, maar een uitstekende en gevoelige psychologische roman is het zeker.

F.M. Dostojevski, De eeuwige echtgenoot. Verzamelde Werken deel 4, blz. 433 - 580. Vertaling Arthur Langeveld. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2022.

Simon Vestdijk, De Poolse Ruiter. Bert Bakker, Den Haag, 1958. 

05-11-2022

DE SPELER VAN DOSTOJEVSKI

 Omdat hij opnieuw in geldnood zit, tekent Fjodor Dostojevski (Moskou; 1821 - 1881) in 1865 een contract met uitgever Stellkovski voor een uitgave in drie delen van zijn verzamelde werken. Hij ontvangt daarvoor 2000 roebel, maar er zit wel een addertje onder het gras. Dostojevski moet vóór 1 november 1866 een nieuwe roman van zo'n 200 bladzijden inleveren. Doet hij dat niet, dan zal hij negen jaar lang alle rechten verliezen op alles wat hij geschreven heeft of nog zal schrijven. In oktober begint hij aan de omvangrijke roman  Misdaad en straf. Hij schiet lekker op, totdat hij hij zich eind september 1866 realiseert dat Stellkovski op de loer ligt. Hoewel hij niet in paniek raakt en aan twee boeken werken als een uitdaging ziet, begrijpt hij dat hij hulp nodig heeft. Die krijgt hij van Anna Snitkina, een twintigjarige stenografe, met wie hij tussen 4 en 29 oktober de beloofde roman, getiteld De speler, zal schrijven. 

Maar de ellende is nog niet helemaal voorbij. Stellkovski, aan wie het manuscript overhandigd moet worden, blijkt op 31 oktober onvindbaar. Op zijn kantoor weigert de bureauchef het manuscript te ontvangen, omdat hij geen volmacht heeft. Anna was te weten gekomen dat een handtekening van de dienstdoende chef van een politiebureau ook rechtsgeldig is. Pas 's avonds om tien uur lukt het om die te bemachtigen. Op 15 februari 1867 trouwen Anna en Fjodor; ondanks het leeftijdverschil van 25 jaar en dankzij haar rustige, standvastige karakter zal het een gelukkig huwelijk blijken. 

Is het, literair gezien, allemaal de moeite waard geweest? Nou en of. Vertaler Arthur Langeveld spreekt van 'een juweeltje'  en ik ben graag bereid hem gelijk te geven. Dostojevski situeert zijn verhaal in Roulettenburg, waarmee hij Bad Homburg bedoelt. Hoofdpersoon en ik - verteller is de vijfentwintigjarige Aleksej, huisleraar bij een generaal die, zoals zo vaak bij Dostojevski, heel veel schulden heeft. Alle hoop is gevestigd op oma uit Moskou, grootgrondbezitter, huizeneigenares, dus schatrijk. Dostojevski schetst een fantastisch portret van haar: een onbuigzame, heerszuchtige oude vrouw, die erop staat om een casino vanbinnen te bekijken, en net zo lang aan de roulettetafel zit, totdat al haar geld op is. En de volgende dag gaat ze wéér. Aleksej is ondertussen hopeloos verliefd geworden op Polina, de stiefdochter van de generaal, die zichzelf weer belachelijk maakt door de jeugdige Blanche achterna te lopen, van wie de lezer weet dat ze een vrouw van vederlichte zeden is. 

Centraal staat dus de roulette. Je begint te spelen, raakt na verloop van tijd in een roes, en als je daar gevoelig voor bent, kom je er nooit meer van af. Telkens weer op zoek gaan naar die roes leidt namelijk tot verslaving; het geld zelf is eigenlijk minder belangrijk. Dat overkomt, min of meer, oma, in ieder geval Aleksej, en in hoge mate  ook onze Fjodor. In 1863 maakte hij al een ronde langs de speeltafels in West - Europa, en in de jaren 1867 - 1871 deed hij dat, tot wanhoop van zijn jonge vrouw, nog eens dunnetjes over. Een ervaringsdeskundige, zeg dat wel.

 Maar, net als Dickens, blijft hij de rasverteller, de man die onweerstaanbare types weet te creëren; die mensen, omstandigheden en situaties die je in het alledaagse, saaie leven niet tegenkomt, aan de dankbare lezer presenteert. Ik kan hem u aanbevelen.

F.M. Dostojevski, De speler. Verzamelde Werken deel 4, blz. 287 - 432. Vertaling Madeleine Mes. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2022. 

22-10-2022

HET RAMPJAAR 1672

 Als je van geschiedenis houdt en een tikkeltje nationalistisch bent, kun je je wellustig overgeven aan boeken die onze zeventiende eeuw behandelen. Je leest dan triomfantelijke verhalen over de vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden, Hollands heerschappij in de wereldhandel, schilders wier werk alom bewonderd werd en wordt. Natuurlijk, we waren toen niet altijd even netjes: de slavenhandel, onderdrukking en uitbuiting van inlanders, roof en plundering, ook dat heeft allemaal plaatsgevonden. Maar toch, de Nederlandse Republiek als één van de machtigste en rijkste landen ter wereld: je kunt er met welgevallen op terugkijken. 

Echter, eens komt de neergang. In het in 2009 verschenen boek Rampjaar 1672 (inderdaad, nu 350 jaar geleden) vertelt Luc Panhuysen wat en waarom er van alles fout ging. Hij doet dat door gebruik te maken van de zeer uitgebreide briefwisseling tussen Margaretha Turnor, haar man Godard Adriaan van Reede en hun zoon Godard. De familie Van Reede nam aan het slot van de zeventiende eeuw een vooraanstaande positie in de Republiek in. Godard Adriaan, baron, bewoonde met zijn vrouw het kasteel Amerongen en behoorde in 1672 tot de top van de Nederlandse diplomatie. Zoon Godard was kolonel in het leger en streefde met grote hartstocht een indrukwekkende militaire loopbaan na. 

Op basis van deze en andere gegevens gebruikt Panhuysen geraffineerd twee verhaallijnen: a) het wel en wee van de Van Reedes; b) de strijd van de Republiek in 1672 en daarna tegen Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen. De imperialistische verlangens van Lodewijk XIV, koning van Frankrijk (zeker, de Zonnekoning) hebben ervoor gezorgd dat 1672 een rampjaar werd. 

Het resultaat is een geschiedkundig werk geworden dat leest als een historische roman en als een thriller. De lezer krijgt een haarscherp en daardoor schrijnend beeld van een land in oorlog. De trefzeker geschetste portretten van de drie hoofdpersonen, gevoegd bij de spijkerharde karakters van de Hollandse prins Willem III en zijn aartsvijand Lodewijk XIV, beiden gedreven door rancune en belust op roem, dragen ertoe bij dat je simpelweg wilt weten hoe het afloopt. Weet de jeugdige Willem de Republiek te redden? Krijgt die machtswellustige Lodewijk nu eens een flink pak slaag? Geeft Willem die dappere Godard eindelijk de hoge functie waar hij en zijn ouders zo naar smachten? Wordt dat prachtige kasteel Amerongen werkelijk platgebrand? 

Wat is mij vooral bijgebleven van dit meeslepende boek? Oorlog was in die tijd voor plattelanders het vreselijkst. Of er nu Fransen, Duitsers of Hollanders langskwamen, maakte niet uit: iedereen roofde, verkrachtte, vernietigde. Oorlog bleek ook voor de Republiek en Frankrijk in financieel opzicht uiteindelijk rampzalig. In 1715 kon de Nederlandse Republiek niet langer de rente uitbetalen aan de obligatiehouders. Het land ging bankroet. Lodewijk moest in 1712 het beroemde massieve zilveren meubilair van Versailles laten smelten om zijn soldaten te kunnen betalen. Oorlog is zinloos. 

Maar het Kasteel Amerongen kon voor 100.000 gulden weer prachtig uit zijn as herrijzen. In 1676 werd de kop op het Huis geplaatst. U kunt het nog steeds bezichtigen.

Luc Panhuysen, Rampjaar 1672. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam, 2009. 500 blz. 

08-10-2022

WIE DURFT?

Als je zelf twee linkerhanden hebt, is het wel zo prettig wanneer je buurmannen alles kunnen. Neem nou Jos: die timmert, zaagt en last alles wat daarvoor in aanmerking komt. En vlak ook Herman niet uit. Hij kan elk elektrisch apparaat repareren dat je hem voorlegt. Ze werken allebei heel graag in de tuin en kunnen me precies vertellen wat er mis is aan mijn auto als die weigert te starten. Technisch inzicht, vakmanschap en zelfvertrouwen: ik zou graag met ze willen ruilen.

Jos beschikt bovendien over de prettige eigenschap, vindt hij zelf, dat hij iedereen de waarheid durft te zeggen. "Ik zei toen tegen een collega: "Jong, wat jij daar beweert, klopt helemaal niet. Lees de stukken toch wat beter!"  Of: "Komt daar mijn chef met een belachelijk plan, dus dan zeg ik dat recht in zijn gezicht." Met mij valt niet te spotten, wil hij zijn toehoorders duidelijk maken. En omdat wij hem vooral kennen als vriendelijk en goedaardig, kost ons dat enige moeite.

Herman leidt op zijn bedrijf zo'n twintig mannen, die vooral uit Oost - Europa komen. Ze zijn zwijgzaam, knoestig, met opvallend grote handen. Het is niet eenvoudig ze te laten doen wat Herman wil, vertelt zijn vrouw geregeld met enige trots, mar als hij zich vierkant voor hen opstelt, zacht maar indringend op hen inpraat, zijn zo mak als schapen. Ik ben bereid haar te geloven.

Op een zomermiddag, zo rond vijf uur, hoor ik harde, felle geluiden en wat geschreeuw. Ik kijk door het raam en zie in de volkswijk schuin tegenover een hele oploop van duwende en dringende mensen. Er staan ook twee politieauto's. Zoals altijd belust op sensatie snel ik naar buiten. De menigte is stilgevallen, merk ik. Men zwijgt en kijkt. Wat is daar nu precies aan de hand? Eropaf! Dan hoor ik gekuch. Voor zijn huis staat Jos ook naar het gewoel te staren, geflankeerd door Herman en zijn vrouw. Ik loop haastig naar ze toe. "Gaan jullie mee?" vraag ik, naar de oploop wijzend.
"Ik gaon neet mei," schudt Jos met zijn hoofd. Hij is nogal kortaf; als emoties hoog oplopen spreken mensen dialect. Jos praat anders altijd Nederlands tegen me.
"Ik ga ook niet," meldt de vrouw van Herman. In gezelschap van vriendinnen en buurvrouwen straalt ze altijd een wat irriterend zelfvertrouwen uit.
Herman zelf reageert aanvankelijk niet. Hij moet er kennelijk nog even over nadenken. Dan zegt hij: "Goed, ik ga mee."

Ik ben vooral verbaasd. Zo gevaarlijk is het toch niet? Sinds wanneer ben ik de meest heldhaftige? We steken het plein voor ons huis over. Herman loopt een paar meter achter mij aan en doet zijn mond niet open.
Bij de menigte aangekomen blijft hij bij de buitenste rand staan. Je ziet daar haast niets, dus ik wurm me door die rijen zwijgende mensen heen, tot vlak bij het huis waar de voordeur open staat. Agenten lopen in en uit. Uit navraag blijkt dat de bewoner van het huis doodgeschoten is; hij heeft een kogel door het hoofd gekregen en ligt in zijn eigen woonkamer opgebaard. Ik wil hem zien, want, ik vertelde het al, bij relletjes, aanrijdingen, vechtpartijen wil ik vooraan staan. Het leven is toch al zo saai. En een man met een gaatje in zijn voorhoofd is me nog nooit aangeboden. Ik dring dus naar voren, weet het raam te bereiken, en inderdaad, daar ligt hij. Hij heeft iets om zijn hoofd, maar een agent duwt me beschaafd maar beslist een paar meter terug. Toch voel ik me voldaan.

Als we teruglopen, vraagt Herman niets. Hij maakt de indruk blij te zijn dat hij het allemaal zonder kleerscheuren overleefd heeft. Jos en Hermans vrouw staan nog op dezelfde plek. Als ik mijn verhaal vertel, reageren ze nauwelijks. Ze willen allemaal zo gauw mogelijk terug naar hun huisje. 
 En ik vraag me geruime tijd af: stel, er is een pittige brand of een gruwelijke overstroming of echt oorlog. Wat heb je dan aan de mensen die je omringen?

24-09-2022

BOEKEN ZIJN VRIENDEN

Op 5 oktober 1949 schrijft Helene Hanff vanuit New York City een brief aan de medewerkers van  het antiquariaat Marks & Co 84, Charing Cross Road in Londen. Ze had de advertentie gelezen van het bedrijf in de Saturday Review of Literature, waarin stond dat Marks & Co gespecialiseerd was in boeken die niet meer in druk zijn. Ze is dol op tweedehands werk, heeft geen geld voor dure, nieuwe exemplaren, en stuurt alvast een lijst mee van boeken die ze graag zou willen hebben. Na drie weken krijgt ze bericht terug dat tweederde van haar wensen vervuld kan worden. Op 3 november meldt Helene opgewekt  dat de boeken in goede conditie aangekomen zijn.

Aangemoedigd door dit succes blijft ze bestellen. Haar toon wordt  al snel informeler; de Engelsen reageren wat terughoudend. Van "Mijne Heren", schakelt ze over naar "Mijnheer", en ze wil graag weten wie FDP is die de brieven steeds ondertekent. Dat blijkt de belangrijkste man bij Marks te zijn: Frank Doel (rijmt op het Franse Noël). Ze zal twintig jaar, tot zijn dood, met hem, zijn vrouw en dochters corresponderen.

In Engeland is zo kort na de oorlog gebrek aan alles. Een half ons vlees per gezin per week, en één ei de man per maand, dat soort maatregelen. De zwarte markt is voor het personeel niet te betalen. Ze stuurt hun ham en eieren toe en later andere lekkernijen; Helene krijgt er zes nieuwe vrienden uit het verre Londen bij. 

Haar andere vrienden zijn toch vooral boeken. Ze let op innerlijk èn uiterlijk. Graag bezit ze werken met een lederen band; de kartonnen omhulsels waar in die tijd Amerikaanse uitgevers mee kwamen aanzetten, vindt ze heel erg. Het geweldige aan tweedehandsboeken is dat je kunt zien welke passages het vaakst gelezen zijn: leg zo'n boek maar op tafel en het valt op die plaatsen open. Aantekeningen in de kantlijn zijn een feest, want die zorgen voor een band met de vorige bezitter. Wat ze het liefste leest? Poëzie (John Donne!), essays, geschiedenis. Aan fictie heeft ze een hekel. "Ik kan maar niet geïnteresseerd raken in dingen die niet echt gebeurd zijn met mensen die nooit bestaan hebben." Later zal ze overigens wel Pride & Prejudice van Jane Austen verslinden. En als haar iets wordt toegestuurd wat tegenvalt, dan kan ze op een originele manier hard uitpakken.

Want beroepshalve schrijft en beoordeelt ze film - en tv - scripts. Op 15 augustus 1959 barst ze haast uit haar voegen van geestdrift omdat ze een beurs van 5000 dollar van CBS heeft gewonnen, waarmee ze een jaar lang toneelstukken, gebaseerd op de Amerikaanse geschiedenis, kan schrijven. In haar brieven komt geen enkele vriend voor, hier en daar wordt de naam van een vriendin genoemd. Geregeld kondigt ze aan dat ze haar vrienden van Marks & Co in Londen van de zomer komt opzoeken, maar dat zal nooit gebeuren. Dit is veiliger, lekker op afstand, fantaseren over de goede eigenschappen van vriendelijke, onzichtbare mensen. Al die prachtige boeken om haar heen, waar ze zo heerlijk in kan verdrinken, vormen een alleraardigst surrogaat.

In 1970 verschenen de brieven van Helene, Frank en andere betrokkenen in boekvorm. Het succes was zo groot, dat er vervolgens een toneelstuk (1983, Broadway, hoofdrol Ellen Burstyn) en een film (1987, met Anne Bancroft en Anthony Hopkins) van gemaakt werden.

Helene Hanff, Charing Cross Road 84. Vertaling in 1982 van Barbara van Kooten. Tweede druk 2021, Rainbow, Amsterdam. 134 blz. 

10-09-2022

WILMINK IS WEEMOED

 Toen Willem Wilmink (Enschedé; 1936 - 2003) na het gymnasium in Amsterdam Nederlands ging studeren, voelde hij zich aanvankelijk doodongelukkig. Begrijpelijk, want verlegen en wat kinderlijk was hij nog steeds; hij sprak bovendien met een duidelijk Twents accent, en van zijn studie begreep hij aanvankelijk weinig. Verhalen schrijven en dichten deed hij toen al, en geleidelijk aan, o.a. door lid te worden van een studentenvereniging, waar hij later ook cabaretteksten voor schreef, kwam hij terecht in een wereldje van creatieve geesten.

 In de tijd dat Wilmink als wetenschappelijk medewerker op het Instituut voor Neerlandistiek van 1961 - 1978 zijn brood verdiende, publiceerde hij in literaire tijdschriften als Tirade en Maatstaf. In de literatuur maakte hij in 1966  zijn debuut met de dichtbundel Brief van een Verkademeisje. Hij zocht nu graag de gezelligheid op, vertelde verhalen en droeg gedichten voor, en speelde vol overgave op zijn accordeon. Het universitaire leven was hem een gruwel: te intellectualistisch voor een man die het moest hebben van associatieve invallen. Toen hij begreep dat hij best kon leven van schrijfopdrachten, stapte hij op. Hij schreef teksten voor Herman van Veen en Boudewijn de Groot, en  tv - programma's als De Stratemakersopzeeshow, Sesamstraat, De film van Ome Willem. De vondst " Luister even wat ik roep, lust jij ook een broodje poep" is van hem, evenals "Deze vuist op deze vuist." Naar eigen zeggen is Willem nooit ouder dan elf jaar geworden.

De bloemlezing 't Kon minder is thematisch geordend in een afdeling `Verhalen` en `Liedjes en gedichten`. Wilmink schreef voor kinderen en volwassenen, maar dat is aan toon en stijl niet echt te merken: voor iedereen begrijpelijk, en vaak weemoedig. Hij meldt dat meisjes  verre prinsessen zijn, vraagt zich af of de oude school nog wel bestaat, betreurt al die lieve mensen die "zich voor eeuwig uit de voeten maakten" , zoals Harry Bannink, Harry Mooten en Jules de Corte. Geliefden kunnen je trouwens ook in de steek laten, en waar zijn die leuke meisjes gebleven?

De meisjes uit vervlogen dagen,

we weten niet meer waar ze wonen.

Nooit zullen die zich meer vertonen

waar wij weleer hun lichaam zagen.                                                                                                                                                                          .

Het hinderde Wilmink onuitsprekelijk dat men hem vaak als dichter voor kinderen zag, en zelden als een serieuze poëet die wel degelijk ook volwassenen wat te bieden heeft. Inmiddels worden diverse gedichten in bloemlezingen opgenomen en als klassiekers erkend: De oude school, Frekie, Ben Ali Libi, Televisie. Ik raad u aan elke dag een paar verzen tot u te nemen, en daarbij mag u zeker het gedicht niet vergeten dat hij aan het eind van zijn leven aan vrouw en kinderen heeft opgedragen. De eerste strofe gaat zo: 

Als ik dood ben, moeten jullie

mijn verhalen doorvertellen.

Als iemand getroost moet worden

kunnen jullie altijd bellen.

Zichzelf relativeren, dat kon hij ook.

Willem Wilmink, 't Kon minder. Bloemlezing, samengesteld door Vic van de Reijt. Uitgeverij Van Oorschot. Amsterdam,2022. 303 blz.

Elsbeth Etty, In de man zit nog een jongen. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Amsterdam, 2019. 552 blz.                                                                                                                                                                                                                                                    

                          

                                                                                                 

                        

                                                                                                                                                                                                                                                                    


27-08-2022

HET WONDER VAN BETEKENIS

 

Eind augustus 2020 gaf filosoof Paul van Tongeren gedurende een week op Kreta een cursus, die ging over geluk bij Aristoteles. Journalist Marc van Dijk reisde mee en interviewde hem. Hieruit kwam het boek Het wonder van betekenis voort. Aristoteles (384 - 322 v. Chr.) is zo'n denker van wie je blijmoedig wordt. Hij ziet in alles de orde, de regelmaat. De natuur, de mens, de maatschappij: het zit allemaal goed in elkaar. De mens streeft naar geluk, en in een wereld waar uiteindelijk alles klopt, moet dat, als het wat meezit, echt wel lukken.

Volgens Aristoteles is geluk voor de mens het hoogste doel. Maar waar bestaat dat geluk nu eigenlijk uit? Hij omschrijft het als `optimale zelfverwerkeling ', en bevat vier elementen. 1) Zó denken dat je echt inzicht verwerft. 2) Zó handelen dat je met recht erkenning krijgt. 3) Zó voelen dat je gevoelens niet met je op de loop gaan, maar passen bij dát waardoor ze worden opgewekt. 4) Ervan genieten als je dat alles weet te realiseren. Kortom: met streven naar geluk ben je je hele leven bezig. 

Er bestaat nog een andere filosoof die Van Tongeren mateloos interesseert: Friedrich Nietzsche (1844 - 1900). Door in de wetenschap, de politiek en de religie constructies te verzinnen die zin geven aan het bestaan, tracht de mens te verdoezelen dat hij zichzelf bedriegt. Laten we de waarheid onder ogen zien, zegt Nietzsche. God is dood, het leven zinloos, de werkelijkheid die ons omringt ellendig. Paul van Tongeren (1950) pendelt tussen beiden heen en weer. Aristoteles bevalt hem het beste, Nietzsche dient als sparringpartner.

Ondanks het grote verschil tussen onze denkwereld en die van Aristoteles is er alle reden om zijn teksten te lezen als levenslessen om een geslaagd leven te leiden. Hij helpt je bij het ontwikkelen van je eigen vormproces. Onthoud daarbij: alles wat je doet, denkt, ziet, waarop je reageert, wie je ontmoet, draagt bij aan je vorming. Geregeld momenten van rust en bezinning inplannen, helpt daarbij. Eigenlijk is filosofie één grote oefening in zelfkennis. 

Moet je uiteindelijk kiezen voor één filosofie, voor één levensvisie, die je voor waar houdt?Aristoteles is daar heel duidelijk in. Een mens moet zichzelf vormen naar één bepaald ideaalbeeld, hij dient een mens uit één stuk te worden. Nietzsche ziet dat helemaal anders. De mens heeft meerdere kanten in zich, die totaal van elkaar verschillen. Dat levert een strijd op die nooit ophoudt, ook al omdat hij geen enkele moraal erkent. Nietzsche is zelf aan deze visie ten onder gegaan. Zijn filosofische opvattingen noemt Van Tongeren, ook al bewondert hij ze, een schitterende mislukking.

Wat heeft het zoeken naar geluk nu te maken met 'het wonder van betekenis' ? De strijd tussen levensidealen, politieke overtuigingen, moralen, gaat altijd om betekenissen, Want alles wat we horen, zien, lezen, meemaken, levert betekenissen op. Ook onheil, noodlot, tegenslagen horen daarbij. We gebruiken vervolgens interpretaties die veranderlijk, dus onzeker zijn. Discussies zullen er altijd blijven, De mens is een betekeniswezen, en er woedt dus een strijd buiten en in hem. En dat is goed zo.

Paul van Tongeren en Marc van Dijk, Het wonder van betekenis. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2021. 159 blz.