07-12-2019

MIJN EERSTE MOORD

"Het terugkerende thema is de manier waarop mensen zich gedragen als ze geconfronteerd worden met het noodlot of iets waarvan ze alleen al denken dat het onontkoombaar is. Vaak is dat noodlot de dood, die me erg bezighoudt." Dat zei Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 1954) in 1918 over zijn pas verschenen verhalenbundel Mijn eerste moord en andere verhalen. Wat zijn dat voor verhalen, en wat doen die mensen dan?

Het zijn er in totaal elf, variërend in lengte van enkele bladzijden tot een vertaling uit het Duits van Aquis submersus, een novelle uit 1876 van Theodor Storm, die 85 bladzijden omvat. Ik zal er enkele verhalen uitlichten die mij in hoge mate bevielen.

In Orpheus speelt de auteur een geraffineerd spel met leven en dood (zie titel!), heden en verleden. Lydia beseft dat dit de laatste dag is in het leven van haar minnaar Menno. Hij blinkt in alles uit, maar wil geen kinderen en ook geen vaste relatie, deelt hij haar nu mee. Haar houding bij het afscheid (hij weet van niets) is die van een koel calculerende vrouw; ze rekent erop dat het leven haar nog genoeg kansen zal bieden. Slim, origineel, dit verhaal.

Van Een ware held zijn sinds 2013 al enkele drukken verschenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vechten de broers Luigi en Beppo nabij de rivier de Isonzo, aan het Oostenrijks - Hongaarse front. Daar maken ze mee hoe een generaal een manier bedenkt om de vechtlust van de troepen te verhogen: elke tiende man wordt doodgeschoten. Zij ontsnappen deze keer, maar als hun compagnie een bergpas niet heeft verdedigd, dreigt wederom een executie: elke vierde man wordt gedood. Een officier gaat langs, de aangewezen mannen moeten een stukje verderop bij elkaar gaan staan, wachtend op het vuurpeloton. Luigi kan de spanning niet verdragen, Beppo is beheerst, standvastig, moedig. Wie is de ware held? Het slot zal u verrassen.

De hulpeloosheid van de mens zit in het ironische verhaaltje De zon. Willem trotseert de dwangarbeid in Japan; de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft hij; als het vliegtuig dat hem naar huis brengt neerstort, verdrink iedereen, behalve hij. Veel later zal een onbenullige fout hem het leven kosten. We blijven nietige wezentjes.

Vanaf 1992 vertaalde Driessen (ook acteur en regisseur) toneelstukken in het Duits, waaronder Lucifer van Vondel. De laatste jaren neemt hij ook werk van Theodor Fontane en Theodor Storm onder handen. De laatste leefde in Noord - Duitsland en situeerde zijn novelles ook aldaar. Dus woeste winden, polderlandschappen, heidevelden, kleine stadjes en verre uitzichten in Aquis submersus (= in het water verzonken) dat Driessen vooral aangesproken zal hebben om de dreiging, onuitgesproken maar altijd aanwezig, dat eens het onheil zal toeslaan. Een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde, kunstenaarschap, noodlot, schuld en boete. Driessen schrijft niet autobiografisch, mijdt gezeur over de middelbare school en strenge ouders, maar zoekt zijn onderwerpen ver weg, zowel qua afstand als qua tijd. On - Nederlands dus, en ook daarom heel lezenswaardig. Wordt vervolgd!
Martin Michael Driessen, Mijn eerste moord en andere verhalen. Amsterdam, 2018. 251 blz.

23-11-2019

EEN FILMKLASSIEKER: THE STING

Toen scenarioschrijver David S. Ward aan het onderzoeken was hoe zakkenrollers eigenlijk werkten, stuitte hij op het boek The Big Con (Het grote bedrog) van David W. Maurer, uitgekomen in 1940. Maurer beschrijft daarin de trucs en oplichterijen van bedriegers als Fred en Charley Gondorff, JJ Singleton en Eddie Niles. Deze bron gebruikte Ward bij het schrijven van het script van The Sting. Nadat regisseur George Roy Hill dat gelezen had, bood hij meteen aan om de film te regisseren. Robert Redford, die voor de rol van Hooker gevraagd werd, weigerde aanvankelijk, kwam daar later op terug, maar geloofde niet dat de film een succes zou worden. Paul Newman wilde meteen. Van hem zeiden critici dat hij alleen dramatische rollen kon spelen, en dit was de kans om te bewijzen dat komische films hem ook lagen. Beiden ontvingen 500.000 dollar voor hun rol, een topgage voor 1974.

Waar gaat The Sting ook alweer  over? Het is september 1936. De jeugdige Hooker (Robert Redford) werkt samen met de veel oudere Luther. Samen bedriegen en beroven ze zó geraffineerd mensen, dat die dat pas merken als de daders gevlucht zijn. Het loopt fout als ze een geldloper van een bende, geleid door de machtige Doyle Lonnegan (Robert Shaw) in de val laten lopen. Kleine crimineeltjes die de grote boss bestelen? Luther wordt het raam uitgeworpen, en vervolgens jaagt iedereen op Hooker. Die krijgt steun van de slimste con man (bedrieger) die er bestaat: Henry Gondorff. Omdat Luther geliefd is in het milieu en  men in de onderwereld genoeg heeft van de tirannieke Lonnegan,  zijn velen bereid hem een loer te draaien. Onder leiding van Gondorff worden alle registers opengetrokken. Lonnegan moet de steek (sting) van een bij voelen, telkens als hij beseft dat hij belazerd is.

Hill wilde de sfeer van de jaren dertig in Chicago oproepen, en een hommage geven aan de Hollywoodse gangsterfilms uit die tijd. Hij filmde in kleurentinten die daarbij passen, gebruikte kaarten met tussentitels, en Edith Head (veel geprezen, vaak gelauwerd) ontwierp stijlvolle, soms uitzinnige, kostuums, japonnen, hoeden. Voor de muziek koos hij de ragtime van Scott Joplin: licht van karakter, tegelijk een eerbetoon aan de gangsterfilms van toen.

The Sting kun je gerust vaker bekijken:  ook al ken je de plot, toch blijft het vermakelijk om te zien hoe ingenieus mensen erin geluisd worden. Dankzij het hoge tempo, de verschillende verhaallijnen en het aanstekelijke spel van de acteurs, blijft de film boeien. Bovendien zit er ook veel herkenbaars in. Het gaat telkens om bedriegers en bedrogenen. Niets is wat het lijkt, iedereen speelt een rol, strooit de ander zand in de ogen om er zelf beter van te worden. Zelfs de kijker wordt op het verkeerde been gezet. En acteurs kom je overal tegen: in het alledaagse leven, in de zakenwereld, in de politiek. Maar echt amusant zijn ze in The Sting.
The Sting. Regisseur: George Roy Hill. Acteurs: Paul Newman, Robert Redford, Robert Shaw. Uitgebracht: 1974.


09-11-2019

HET BESTE VAN POESJKIN

Aleksandr Sergejewitsj Poesjkin (Moskou; 1799 - 1837) kwam uit een oude adellijke familie, die over weinig kapitaal beschikte. Zijn overgrootvader was een adoptiefzoon van tsaar Peter de Grote en afkomstig uit wat wij nu Kameroen noemen. Zijn merkwaardige levensloop heeft Poesjkin later verwerkt in het verhaal De Russische Afrikaan. Maar aanvankelijk schreef hij vooral poëzie, en dat deed hij al toen hij nog op het lyceum in Sint - Petersburg zat. De vertelling in verzen Roeslan en Ljoedmila maakte hem meteen beroemd. De lichte toon, geladen met milde spot, de vloeiende versregels, de muzikaliteit, het zijn de kenmerken, toen al, van zijn meesterschap. Lees maar eens de laatste strofe van Aan Natasja:

Wintertij is aangebroken
Rijm bedekt het naakte land,
En de boerenhutten roken
Nu de kachel er weer brandt.
Tevergeefs zit ik te smachten,
Thuis, alleen met mijn gedachten,
Als een sijsje in zijn kooi -
Ach, wat was Natasja mooi!

Poesjkin was graag en vaak verliefd, maar hij deed ook aan politiek en durfde voor zijn mening uit te komen. Daarom werd hij in 1820 verbannen naar het zuiden, waar hij tot 1826 moest blijven. Toen mocht hij van tsaar Alexander I, onder strenge voorwaarden, terugkeren naar Sint - Petersburg.

Waar hij zich ook bevond, het schrijven lukte altijd wel. Vooral dichten ging hem gemakkelijk af. Hij publiceerde naast talloze losse gedichten, ook novellen in verzen (zoals De krijgsgevangene in de Kaukasus) en zelfs een complete roman in verzen: Jevgeni Onegin (zie 12-07-2019), waar Tsjajkovski in 1878 een opera van maakte. Dat gebeurde trouwens wel vaker met werk van Poesjkin. Zijn toneelstuk Boris Godoenov is door Moessorgski in 1874 gebruikt voor een opera, terwijl zijn stuk Mozart en Salieri door diverse handen ging. Ga maar na: in 1897 wordt het de stof van alweer een opera, dankzij Rimski - Korsakov; in 1979 gebruikt Peter Shaffer het gegeven voor een toneelstuk, getiteld Amadeus. In 1984 wordt de gelijknamige, uiterst succesvolle film  uitgebracht, gebaseerd op Shaffers stuk, geregisseerd door Milos Forman. Het grote publiek, de vakmensen: allen omarmden en omarmen Poesjkin.

Privé bleef hij uitgebreid liefhebben, ook nadat hij in februari 1831 trouwde met zijn jonge, mooie en lichtzinnige Natalja. Hij gokte, maakte schulden, en schreef tussendoor ook proza. Korte verhalen als Schoppenvrouw (een geestverschijning vertelt Herman welke drie kaarten hij moet gebruiken om een fortuin te winnen) en De stationsopzichter (een vader maakt van dichtbij mee hoe zijn mooie, naïeve dochter verleid wordt door een knappe huzaar). Een echte, korte roman is De kapiteinsdochter, vol met onbeantwoorde, onbereikbare, eeuwige liefdes, belegeringen, moed en lafheid en een gelukkig huwelijk. Zijn proza is wat soberder dan zijn poëzie, glashelder, beeldend, met personages zó levensecht zijn dat je ze op straat zou herkennen. Daarom staat Poesjkin terecht in het rijtje van de grote oude Russen, samen dus met Tsjechov, Tolstoj, Dostojevski.

Hoe liep het eigenlijk met hem af? Waarom is hij zo jong gestorven? Op 27 januari 1837 duelleerde hij met Georges d'Anthès, zijn zwager, die een verhouding zou hebben met Natalja. Georges schiet eerder dan geoorloofd, de schrijver wordt getroffen in zijn buik en sterft op 29 januari 1837 aan zijn verwondingen. Inderdaad, bij een man met zo'n leven past geen gewone dood.
A.S. Poesjkin, Werken. Gekozen en vertaald door Hans Boland. De Russische Bibliotheek, Van Oorschot, Amsterdam, 2018. 899 blz.

26-10-2019

DE KUNST VAN HET SNIJDEN

In het begin van de negentiende eeuw stonden in Engeland artsen uit de hogere klassen bovenaan in de pikorde. Op eerbiedige afstand volgden de chirurgen. Zij werden beschouwd als handwerkslieden, die buiten de universiteit in de praktijk het vak hadden geleerd. Na 1815 kreeg chirurgie wat meer aanzien. Een student moest college volgen, assisteren in het ziekenhuis en tenminste zes jaar in opleiding zijn geweest. En in die tijd gold: een goede chirurg is een snelle chirurg. Een van de beroemdste chirurgen was Robert Liston: in dertig seconden amputeerde hij je been.

Waarom moest dat zo snel? Voor 1842 kon men niet echt goed verdoven. In speelfilms over die tijd zie je dat mensen een fles jenever of whisky overhandigd kregen, maar helpen deed dat nauwelijks. Om de patiënt zo kort mogelijk te laten lijden, was een snelle behandeling gewenst.  In 1842 werd in de V.S. voor het eerst verdoofd met ether, in Europa in 1846. In een operatiezaal die gevuld was met honderden toeschouwers liet Liston als een ware acteur zijn kunsten zien, met in dit geval een jongeman die een bacteriële infectie aan zijn knie had opgelopen, zodat zijn been eraf moest. Onder de talloze belangstellenden bevond zich ook de held van deze biografie: de jonge student Joseph Lister (Upton; 1827 - 1912). Hij zal de beroemdste chirurg van zijn tijd worden, en een oplossing weten te vinden voor twee levensbedreigende medische problemen: waarom ontstaan vooral na een operatie infecties, en hoe lossen we deze kwestie op?

Voor chirurgen was er altijd werk. De industrialisatie zorgde voor ongelukken met tandwielen, kranen en stoommachines. Mannen zagen hun vrouwen als persoonlijk bezit, zodat zij geregeld mishandeld werden. Syfilis en tbc konden niet behandeld worden, en armoede leidde tot scheurbuik, want men at eenzijdig voedsel. En in de ziekenhuizen lette geen mens op hygiëne, want niemand wist hoe besmettelijke ziektes werden overgebracht. Listers vader was altijd in de weer geweest met een microscoop; hijzelf zal er, aanvankelijk tot hoon van velen, optimaal gebruik van maken.

In 1864 wees een collega Lister op een onderzoek van de Franse microbioloog en scheikundige Louis Pasteur. Deze had ontdekt dat gisting geen chemisch, maar een biologisch proces was. Bovendien had hij vastgesteld dat microben, toen ook wel 'ziektekiemen' genoemd, door stofdeeltjes worden verspreid en rotting kunnen veroorzaken. Zouden die microben de oorzaak kunnen zijn van al die ziekenhuisinfecties? Zou het niet handig zijn als artsen hun handen wasten, hun instrumenten voortdurend schoonmaakten en hun kleding, vaak onder het bloed, verversten? Hij stelde dankzij zijn microscoop vast dat deze bacteriën in wonden zaten. Hoe vernietig je ze? Met carbolzuur (fenol) ontdekte hij. In 1867 publiceerde hij zijn onderzoek in het gezaghebbende tijdschrift The Lancet.

Originele geesten met splinternieuwe ideeën, die rotsvaste opvattingen omkegelen, worden verguisd. Zo ook Lister. Maar na jaren van strijd worden zijn inzichten erkend. Hij krijgt de erkenning en de roem die daarbij hoort, al zat hij daar niet op te wachten, want Lister was een bescheiden man. In 1877 benoemt men hem tot hoogleraar klinische heelkunde aan het prestigieuze King's College in Londen. Zijn theorieën en technieken worden overal geaccepteerd en ingevoerd; elke medische student wil bij hem college lopen. Hij wordt geridderd en mag zich baronet (Sir) noemen. In 1897 wordt hij zelfs in de adelstand verheven; hij krijgt de titel Lord Lister of Lyme Regis.
Lindsey Fitzharris, De kunst van het snijden. Vertaling Herman Meester. Het Spectrum, Houten, 2018. 302 blz.


12-10-2019

DE AANSLAG

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog waarschuwden voormalige verzetsstrijders elkaar al. "Vertel bij sollicitaties niet dat je in het verzet gezeten hebt. Je wordt dan namelijk niet aangenomen." Veel Nederlanders zagen hen als waaghalzen, onverantwoordelijke types, die landgenoten opofferden om hun doel te bereiken. Die kon je in je bedrijf niet gebruiken. In De aanslag, Mulisch' beroemdste roman, wordt uiteengezet hoe mensen gebukt kunnen gaan onder schuld en verantwoordelijkheid.

Haarlem, januari 1945, 's avonds rond acht uur. Aan een kade liggen vier villa's naast elkaar: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht, Rustenburg. Plotseling klinken zes scherpe knallen. Twee verzetsmensen doden de gevreesde beul en hoofdinspecteur van politie Fake Ploeg. Zijn lichaam ligt voor Nooitgedacht. De bewoners, de heer Korteweg en zijn dochter Karin, slepen het lijk weg van hun huis en deponeren het voor Buitenrust, waar hoofdpersoon Anton (12 jaar) woont, met zijn ouders en broer Peter (17 jaar). Peter is de enige die de situatie doorheeft: de Duitsers zullen represaillemaatregelen nemen die vooral gericht zijn tegen de bewoners van het huis waar het lijk zich bevindt. Hij snelt naar buiten, pakt het pistool van Ploeg en raakt uit het zicht van Anton die zijn oudere broer staat na te kijken. Hun villa wordt in brand gestoken, zijn ouders en broer gedood; op zijn twaalfde is Anton wees. Een oom en tante ontfermen zich over hem. Jarenlang zal Anton zijn frustraties trachten te verwerken door nergens over te praten en niet op onderzoek uit te gaan, maar het toeval (of het noodlot) wil dat hij in een bestek van zo'n dertig jaar te weten komt wat er zich op die avond nu precies afgespeeld heeft.

"Schuld", verklaarde Mulisch in één van zijn vele interviews, "noem je dat wat niet goed is, over schuld gaan we praten als er gestraft moet worden. Schuld en verantwoordelijkheid moet je uit elkaar houden." Want voor verantwoordelijkheid geldt dat je rekenschap moet afleggen van je daden; bij schuld is dat niet het geval. De schuldige moet met zichzelf in het reine zien te komen. Wie in deze roman treft dat lot?

Om te beginnen de Duitsers, die onschuldige burgers executeerden. Vervolgens de mensen van het verzet die dat wisten, maar toch iemand als Ploeg doodden, omdat die door te martelen namen en adressen van andere verzetsstrijders te weten wilde komen. De heer Korteweg voelt zich zó schuldig, dat hij met dochter Karin helemaal naar de andere kant van de wereld, Nieuw - Zeeland, verhuist. Karin zelf was het liefste meteen doodgeschoten, vertelt ze veel later.

Moesten de verzetsmensen na de oorlog niet verantwoording afleggen voor hun daden? Verzetsman Cor Takes doet dat tegenover Anton Steenwijk. Het was oorlog, Ploeg had al zoveel slachtoffers gemaakt, door stom toeval lag hij voor jullie huis, wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. De Duitsers dus. Mulisch spreekt geen oordeel uit; de lezer moet zelf maar beslissen.

Ergens heeft Harry Mulisch eens verzucht: "Hoe meer ik van de Tweede Wereldoorlog af weet, hoe minder ik ervan begrijp." Dat geldt ook voor Anton Steenwijk, en uiteindelijk ook voor de lezer. Aan het slot weet Anton alles, zijn frustraties kan hij loslaten, als een, min of meer, bevrijd man loopt hij in de grote antikernwapenbetoging van 1981. Een van de velen nu, opgelucht. Maar van begrijpen is geen sprake. Waartoe mensen in staat zijn, wat hen drijft, waarom ze het kwaad omarmen: het is raadselachtig, niet te bevatten, volstrekt absurd.
Harry Mulisch, De aanslag. Eerste druk 1982,61ste druk oktober, 1917. 256 blz.
Sander Bax, De Mulisch Mythe. Amsterdam, 2015.


28-09-2019

EEN AFREKENING

Zijn huisarts was er gauw klaar mee: "U heeft pfeiffer." Gerrit reageerde ontzet. "Dat krijgen toch alleen jonge mensen?" "Iedereen kan het krijgen. Het is een virusziekte waar we niks voor hebben. We zullen nog een bloedonderzoek laten doen, maar ga er maar vanuit dat ik gelijk heb. Bel uw werkgever maar. Gewoon veel slapen, niet werken en wachten tot het voorbij is."

Inderdaad, van werken kwam niets. Hij was constant moe, slaperig, lusteloos. Zijn keel was opgezwollen en zijn stem schor. In het onderwijs konden ze hem nu echt niet gebruiken. En nu? Hoe kom ik nou mijn dagen door? vroeg Gerrit zich af.

Hij was tot weinig in staat. Ging hij met zijn vrouw de stad in, dan maakte het rumoer van fietsers, toeterende auto's en pratende mensen hem al snel doodmoe. Dus gauw naar huis, op bed liggen, slapen. Thuis was het in ieder geval rustig, maar ook daar waren de mogelijkheden beperkt. Lezen ging niet: alle letters dwarrelden als sneeuwvlokjes voor zijn ogen. Televisiekijken lukte niet, omdat na een paar minuten de beelden begonnen te draaien en te wentelen. Wat overbleef was niet al te opzichtig voor het raam zitten en naar buiten kijken. Ondertussen maalden allerlei gedachten door zijn hoofd. Eén daarvan kwam telkens weer terug: waar blijven ze nou?

Met vier collega's had Gerrit beroepsmatig veel contact. Tot zijn privé - leven liet hij ze niet toe, maar op zijn werk had hij nu eenmaal voortdurend met hen te maken. Nu hij niets te doen had en maar voor zich uit zat te staren, ging hij in zijn gedachten geregeld met ze aan de slag.

Zo dacht hij 's morgens, zo rond elf uur, als hij net was opgestaan, vaak aan Kees. Terwijl hij de buurvrouwen met hun boodschappen zag slepen, zag hij hem voor zich: tamelijk lang, mager, harde stem. Zijn gevoelens wist hij meesterlijk te verbergen, en daarom had hij Gerrit een paar jaar geleden niet in het ziekenhuis opgezocht, toen hij er tien dagen verbleef. Hij was wel de leider van hun groep. Zou hij een bezoekje overwegen? Gerrit kon het zich nauwelijks voorstellen.

Dan had je Marriet, een hulpeloos mensje met een grote mond. De lichte minachting die Gerrit voor haar voelde zal ze weleens gemerkt hebben, maar aan de andere kant: toen zij eens overspannen thuis zat, had Gerrit haar belangstellend opgebeld. Dus nu een telefoontje van háár?

In de loop van de middag kwamen kinderen naar huis, fietsers en brommers reden langs en door die bedrijvigheid voelde hij zich minder eenzaam. Hij riep Nico op, de man die hem geregeld prees, maar toch ook onbarmhartig hard kon zijn. Hij praatte graag over zichzelf, waarbij hij telkens benadrukte over hoeveel talenten hij wel niet beschikte. Een kaartje met Beterschap ! ? Gerrit sloot het niet helemaal uit.

De avonden waren het ergst. Buiten was er niets te zien, vrouw en kinderen hadden hun werkzaamheden en hij had dus niets om handen. Alleen naar muziek luisteren bleef over. Als laatste van de Vier dook dan Johan op. Hij woonde bij hem in de buurt: elke dag reed of fietste Johan twee keer langs zijn huis. Hij mocht graag in het bijzijn van verschrikte vrouwen schuine moppen vertellen. Maar zou hij toch niet één keer op het idee komen om eens af of uit te stappen, en aan te bellen?

Drie maanden lang zat Gerrit te hopen op een telefoontje, een kaartje of een bezoekje van zijn naaste collega's en al die tijd hoorde hij helemaal niets. Gerrit besloot om het heft in eigen hand te nemen. Als de berg niet tot Mohamed wil komen, moet Mohamed naar de berg gaan, dacht hij. Op de dag dat er uitgebreid vergaderd werd en boeken gekeurd, fietste hij vroeg in de ochtend naar school.

Bij zijn onverwachte terugkeer werd hij hartverwarmend begroet. De directeur sprak een sympathiek welkomstwoordje, diverse collega's vroegen naar zijn gezondheid en drukten hem bemoedigend de hand. Opgewekt ging Gerrit op zoek naar de Vier. Waar was Kees? Aha, die zat daar verderop achter een bureautje. Gerrit liep ernaartoe en kuchte. Toen Kees opkeek en Gerrit zag, trok het bloed uit zijn gezicht weg. Versteend keek hij hem aan. Omdat een voorbijlopende vrouwelijke collega opmerkte dat het toch wel erg leuk van Gerrit was dat hij kwam kijken, knikte Kees kort en maakte vervolgens dat hij weg kwam. Dat was één. Ergens in de verte zag en hoorde hij Marriet en Johan bewegen, maar ze kwamen niet zijn kant uit. Dat waren dus twee en drie.
 Ach, daar komt Nico aan. Klein, breed, kalend staat hij voor Gerrit. Hij ziet een kwaadaardige schittering in diens ogen. Vervolgens spreekt hij de zin uit die Gerrit nog jaren zal achtervolgen. "Als je gekomen bent om boeken te keuren, dan had je beter thuis kunnen blijven. Dat kunnen we zelf ook wel."

 Nooit heeft Gerrit zich zó eenzaam gevoeld als toen. Het was of de grond onder hem werd weggeslagen. En hij begreep. Op deze plek was voor hem geen plaats meer.

14-09-2019

OVER LEIBNIZ EN HET OPTIMISME

De Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646 - 1716) was een optimistische denker. God staat buiten en boven de wereld. Hij is alwetend en door en door goed. Daarom heeft Hij een wereld geschapen die onder alle mogelijke werelden de beste is. Was een nog betere mogelijk geweest, dan had God die heus wel gekozen. Maar, kun je dan tegenwerpen, hoe komt het kwaad, het lijden, het leed dan in de wereld? De mens is onvolmaakt, hij heeft zijn fouten; hij kan niet aan God gelijk zijn. Daarom zal hij falen, zondigen, een ander ongelukkig maken. Dat we wel degelijk in "de beste van alle mogelijke werelden" leven, daar was Leibniz vast van overtuigd.

Voltaire (pseudoniem van Francois - Marie Arouet; 1694 - 1778) zag dit totaal anders. Deze Franse filosoof, literator en aartsspotter, die op het persoonlijke vlak al heel wat naars had meegemaakt, was, net als zovelen, geschokt door de aardbeving in Lissabon in 1755, die 30.000 mensen het leven kostte. Toen in 1756 op verschillende plekken in Europa de Zevenjarige Oorlog losbarstte, was er voor Voltaire alle reden om er een pessimistische levensvisie op na te houden. Hoezo 'de beste aller werelden' ? En hij publiceerde in 1759 de satirische avonturenroman Candide ou l'optimisme.

Een brave, zachtmoedige jongeman, die daarom Candide heet, wordt op het kasteel van een baron opgevoed, waar hij als huisonderwijzer Pangloss treft. De man is onder alle omstandigheden een overtuigd aanhanger van Leibniz. Altijd zal hij proberen de theorie van 'de beste aller werelden' te verdedigen. Dat is niet eenvoudig, omdat hij en Candide, soms samen, vaak ook apart, door de wereld trekken en de verschrikkelijkste avonturen meemaken. Oorlogen, natuurrampen, martelingen, executies. Of ze zich nu bevinden in Bulgarije, Venetië, Spanje, Argentinië of Suriname: machtsmisbruik, oplichting, diefstal, je komt het allemaal tegen. En telkens weer is er Pangloss die uitroept dat dit toch echt de beste wereld is die er mogelijk moet zijn. "Hoe zouden die andere werelden er dan uit hebben gezien?" vraagt een opstandig type zich weleens af. Uiteindelijk zitten Candide en enkele trouwe lotgenoten bij elkaar op een boerenhoeve en kijken op hun leven terug. Ze zijn het erover eens dat arbeid ze van de drie grootste plagen afhoudt, namelijk verveling, verdorvenheid en armoede. Als Pangloss weer eens over Leibniz begint, reageert de sceptisch geworden Candide slechts met: "Laten we onze tuin bewerken." Die is niet te groot, dus overzichtelijk, dat kan een mens nog wel aan.

De verzamelde werken van Voltaire zijn in 99 delen verschenen, maar ik heb het idee dat de Candide één van de weinige teksten is die de tand des tijds nadrukkelijk hebben doorstaan. Het is een vermakelijk en wijs boekje, waarin Voltaire Leibniz en eigenlijk ook al die andere rationalistische filosofen met hun abstracte systemen erop wijst dat er een tegenstelling bestaat tussen hun bedenksels en de barre werkelijkheid. Hij karakteriseerde optimisme als volgt: "Zo heet de waanzin, vol te houden dat alles goed gaat, als alles verkeerd gaat." Wanneer Candide op het aardse paradijs El Dorado vertoeft, ontstaat de volgende discussie met een autochtoon. Candide vraagt: "Hebt gij dan geen monniken die onderrricht geven, die redetwisten, heersen, kuipen en diegenen doen verbranden, die die het niet met hen eens zijn?" Hij krijgt als antwoord: "Dan moesten wij wel gek zijn. Wij zijn het hier allen met elkander eens en wij begrijpen niet wat u bedoelt met uw monniken." Niet alleen filosofie, ook religie en politiek krijgen van Voltaire behoorlijke tikken.

Voltaire hoorde bij de Verlichting en met hem waren er meer die argwanende geluiden lieten horen in de richting van dogmatische denkers als Leibniz, Descartes en Spinoza. En dat is prima zo. In de filosofie ben je nooit klaar met denken, en de stilte van je studeerkamer af en toe inruilen voor  straatrumoer kan nooit kwaad.
Voltaire, Candide of het optimisme. Vertaling Hans van Pinxteren. Amsterdam, 2017. 139 blz.
Jabik Veenbaas, De Verlichting als kraamkamer. Amsterdam, 2013. 288 blz.