02-12-2023

VERRE VRIENDEN

 Waar is het fout gelopen met Eline? Hoogbegaafd, twee klassen overgeslagen, fotografisch geheugen, wie wil dat nou niet? Daar komt nog bij dat ze al op haar zestiende bloedmooi is, en op haar negende 275.000 gulden erft van haar overleden vader. Dankzij de advocaat van haar moeder loopt dat zeven jaar later op tot een miljoen. Een minpunt: die moeder is een kille dame, die van haar dochter alleen maar prestaties wil zien. Rechten moet ze studeren, of economie, en géén kunstgeschiedenis.

En laat dat nu de grootste wens van haar dochter zijn. Toen Olivier, de man die ons zijn verhaal vertelt, vijftien was, mocht Eline, een jaar ouder, logeren in het immense huis van Oliviers ouders. Daar gaf ze, geheel vrijwillig, les over de zeventiende en achttiende - eeuwse Franse schilderkunst aan een een groepje pubers uit de buurt. Voorname families, rijke ouders, een beetje apart, en daar past Olivier goed bij. Hij mag graag in hun enorme tuin rondhangen en in zijn groene pyjama bomen beklimmen. Maar zijn jeugd is, in tegenstelling tot die van Eline, wel gelukkig. 

Er groeit iets moois tussen Eline en Olivier. Als ze met de hele groep een paar dagen in Parijs zijn om schilderijen in het Louvre te bekijken, alles georganiseerd en bekostigd door Eline, kussen ze elkaar zelfs tijdens een spannende nacht. Na een maand moet Eline terug naar huis; veertien jaar later ontmoeten ze elkaar bij toeval weer.

Plotseling ziet hij haar staan in de tram. Als ze uitstapt loopt hij haar achterna en spreekt haar aan. Rode vlekken in haar gezicht, donkere kringen rond haar ogen: waar is dat gave gezichtje gebleven? Als hij zijn naam noemt, reageert ze emotieloos. Ze spreekt onvast, traag. loopt een tikkeltje wankel. Een armoedige indruk maakt ze, en dat geldt ook voor de buurt waarin ze woont en de woning waarin ze leeft. Het ruikt er muf. er staan slechts goedkope meubels. Olivier geeft haar twintig gulden om voedsel te kopen, en maakt een afspraak voor de volgende dag. Dan halen ze herinneringen op aan vroeger, want ze wordt wat toeschietelijker. Maar een museum verveelt haar en een verklaring voor haar deplorabele toestand geeft ze niet. De derde dag komt de politie hem halen. Ze is thuis dood gevonden. 

Olivier gaat op onderzoek uit om nog wat van haar verleden te weten te komen, maar veel levert dat niet op. Misschien is terugdenken aan een tijd belangrijker dan het beleven ervan, vindt hijzelf. De ouderlijke huizen van Eline en Olivier zijn afgebroken, net als het pand waarin Oliviers vader een fotostudio had. Hij moet het vooral doen met herinneringen aan haar in haar witte jurk,  Parijs, oude schilderijen, haar liefkozingen. Misschien heeft een mens maar een handvol gebeurtenissen nodig en een paar aardige mensen, als brandstof voor de rest van zijn leven. 

Ik heb al eens eerder over een roman van Robbert Welagen geschreven  ( Raam, sleutel, schuld, 15 - 11 - 2021) en ook nu beviel me zijn heldere, soms poëtische stijl, en zijn vermogen om iets aan te duiden, zodat de lezer in kan vullen. De waarde van herinneringen, het verstrijken van de tijd en de wisselvalligheid van het lot, daar gaat het in dit interessante boek om. En Eline blijft een raadsel, maar dat geldt voor haast iedereen.

Robbert Welagen, Verre vrienden. Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam, 2009. 220 blz.

16-11-2023

EEN MAN EN ZIJN 4 VROUWEN

 Zoiets overkomt je vooral als je jong bent. Frédéric is achttien jaar als hij een betoverende oudere vrouw, zo rond de veertig, voor het eerst ziet. Ze heeft een prachtige bruine huid, een verleidelijk figuur, een ovaal gezicht met opvallend grote donkere ogen, lange wenkbrauwen en mooi zwart haar. Als een bliksemstraal komt ze bij hem binnen. Mevrouw Arnoux heet ze, getrouwd met een rijke handelaar, die het prima vindt dat Frédéric zich min of meer aan hen opdringt en uiteindelijk een huisvriend wordt. Zo'n  25 jaar zal hij van haar dromen, en ook enkele succesjes mogen beleven.

Want F. komt uit de Franse provincie, maar zoals zovelen trekt hij in 1840 naar Parijs om  avonturen te beleven en carrière te maken. Daar ontmoet hij, zoals dat past in een wereldstad, mensen van allerlei slag: courtisanes, onbetrouwbare zakenlui, kroegbazen, jonge socialisten, artiesten. En op politiek terrein gebeurt er van alles in Frankrijk. Sinds de juli - revolutie van 1830 is de burgerkoning Louis - Philippe aan de macht. Hij moet zijn weg zien te vinden tussen  republikeinen en socialisten, koningsgezinden en bonapartisten. In 1848 komt de arbeidersklasse in opstand; die wordt neergeslagen, zodat eind 1848 Louis - Napoléon eerst tot president en in december 1851 tot keizer wordt gekozen. Na deze staatsgreep weet links dat de deplorabele sociale omstandigheden vooralsnog niet zullen verbeteren. 

Waarom moet de lezer dit weten? Welnu, F. heeft hier alles mee te maken. Zijn mislukte leven, zoals hij het zelf noemt, staat symbool voor de geestelijke ondergang van zijn generatie. Omdat hij al jong een geweldige erfenis mag incasseren, heeft hij geld genoeg om  zakelijke belangen te hebben, en vooral om de ware liefde te vinden. Hij faalt echter omdat hij niet kan kiezen tussen de saaie gevestigde orde en de spannende, onbetrouwbare onderkant van de maatschappij. Terwijl hij Sophie Moreau voorzichtig het hof maakt en bijna trouwt met mevrouw Dambreuse, een schatrijke weduwe, heeft hij al die tijd in de voluptueuze Rosanette, een vrouw van vederlichte zeden, een dankbare maîtresse. Ze schenkt hem zelfs nog een kind. En de vierde vrouw? Dat is Louise, zijn buurmeisje uit het dorp, dat jaren hopeloos op hem verliefd is geweest.

Gustave Flaubert (Rouen, 1821 - 1880) wil wat te veel in deze, vaak geroemde, roman. Zijn hoofdpersoon is eigenlijk geen interessante figuur; hij laat hem, ook om hem wat kleur te geven, in diverse milieus verschijnen die uitvoerig beschreven worden. Er volgen dan uitgebreide politieke beschouwingen en discussies. Er is constant gedoe over geld, leningen, schulden, juridische kwesties. Een strenge redacteur van een solide uitgeverij met een rood potlood had goed werk kunnen verrichten.

Eind maart 1867, bij het vallen van de avond, dient een vrouw zich bij Frédéric aan. Het is mevrouw Arnoux. Glimlachend, zwijgend, staren ze elkaar aan. Dan beginnen ze te praten, over vroeger. Voor de gezelligheid ontdoet ze zich na verloop van tijd van haar mantel en hoed. Het licht van de lamp valt over haar dikke, witte haar. Frédéric is verbijsterd, daarna gelaten. Dit is niet meer die goddelijke vrouw van toen. De tijd verglijdt, alles verandert, benut de jaren die je gegeven zijn zo zorgvuldig mogelijk.  Kijk, daar gaat dit boek nu eigenlijk echt over.

Gustave Flaubert, De leerschool der liefde. Vertaling door Hans van Pinxteren, met nawoord, van L'Education sentimentale (1869). Uitgeverij L.J. Veen Klassiek, Amsterdam/Antwerpen, 2022. 478 blz. 

01-11-2023

DE VROUW DIE VAN HAAR BEEN AFWILDE

Ik was zo'n meisje dat altijd holde, klom en sprong. Mijn ouders deden me dus al jong op ballet. Echt veel talent had ik niet; daarom begon ik rond mijn twaalfde met tennis en voetbal. Balspelen, heerlijk! Maar op mijn zestiende kreeg ik telkens weer pijn in mijn rechterknie. Stukjes kraakbeen waren losgeraakt en moesten verwijderd worden. Die knie bleef echter gevoelig en het buigen ging moeizaam. Sporten was mijn lust en mijn leven, ik wilde er niet mee ophouden, tot mijn dertigste voetbalde ik in de zaal. Totdat ik op een ochtend, toen ik mijn boodschappen in de gang neerzette, zomaar door mijn been zakte.

Uit het onderzoek bleek dat ik de knie van een zeventigjarige had. Een nieuwe knieschijf zou de oplossing moeten zijn. Dat hielp nauwelijks. Door de pijn zat ik vaker in een stoel dan dat ik liep. Mevrouw Lamers, mijn orthopeed, die mij al die jaren zo trouw terzijde had gestaan, wist het ook niet meer. Ik was veertig, wilde een nieuwe knie, maar eigenlijk vonden we allebei dat ik daar nog te jong voor was. Zo'n knie gaat maar vijftien jaar mee. Maar wat dan?

Toch maar die nieuwe knie, en de pijn kwam steeds terug. Af en toe nam ik, soms wel pittige, pijnstillers, maar daar wilde ik niet aan verslaafd raken, dus de nachten dat ik van pijn niet kon slapen, bleven. Er kwamen nieuwe knieën, er werden zelfs voor de stabiliteit  stalen pinnen geplaatst. Toen de pijn aanhield, volgde er weer eens een onderzoek; daaruit bleek dat de pinnen losgeraakt waren. Een nieuwe operatie volgde. Toen ik erna vol verwachting mijn ogen opendeed, zag ik het teleurgestelde gezicht van de chirurg. Spontaan riep ik: "Dat been moet eraf!"

Ze wilden er niet aan. Ik was pas 59, en een echte medische noodzaak was er niet. Maar al die jaren met die vaak heftige pijnen hadden me murw gemaakt, hadden me ook het plezier in het leven volledig vergald. Weg met die poot! Mijn man vond de gedachte alleen al verschrikkelijk; ik bleef onwrikbaar op mijn standpunt staan

Dat moest ook wel, want er komt van alles op je af. Gesprekken met een andere orthopeed, een fysio, psycholoog, maatschappelijk werkster. Iedereen wilde me tegenhouden, testte me om te kijken of ik het wel echt meende. Nou en of! Als die lieve man van me had gedreigd met een scheiding, had ik niet toegegeven. Weg met dat ellendige been.

Toen de amputatie had plaatsgevonden en ik mijn dekens wegsloeg, zag ik die leegte. Ik was meer dan opgelucht, ik was even volmaakt gelukkig. De verpleegsters wisten niet wat ze zagen. Vooraan in de zestig met één been en dan stralen! En dat is nog steeds zo. 's Nachts heb ik nog weleens fantoompijn, maar die kan ik zelf wegmasseren. De pijnen van vroeger zijn verdwenen, het leven lacht me weer toe, want van nature ben ik eigenlijk een blijmoedig mens. Met mijn prothese kan ik prima lopen en zelfs wat dansen, mijn man is natuurlijk nog bij me, kortom: met één been ben ik een stuk gelukkiger dan met twee. Laat de oude dag nu maar komen!



16-10-2023

DE IDIOOT

Als vorst Mýsjkin, ook Lev Nikolájevitsj genoemd, in 1867 de trein neemt naar Petersburg, ziet zijn toekomst er weinig rooskleurig uit. Hij is weliswaar pas 26 jaar, helblond met een wit puntbaardje, maar lijkt, met zijn ingevallen wangen en grote, blauwe, zwaarmoedige ogen die peinzend rondkijken, op iemand die aan epilepsie lijdt. Bezittingen heeft hij nauwelijks. Een schamel bundeltje met versleten kleren, en 25 roebel, dat is het. Vier jaar heeft hij in Zwitserland gewoond, waar hij behandeld werd voor zijn toevallen. Nu keert hij weer terug naar zijn vaderland, in de hoop in Petersburg verre familieleden te ontmoeten die hem verder kunnen helpen.

Ze ontvangen hem daar aanvankelijk koeltjes. Het scheelt dat hij zich 'vorst' mag noemen, want dat houdt in dat hij tot de hoogste en oudste adel van Rusland behoort. Omdat hij zo'n mooi handschrift heeft, kan hij wel ergens op een kantoor geplaatst worden. Hij maakt kennis met voorname families en ontdekt dat achter hun hoffelijke manieren, vriendschappelijke begroetingen en fraaie rijtuigen een wereld schuilgaat die vol is van carrièredwang, standsbewustzijn, onfrisse intriges en geldhonger. Als dan ook bekend wordt dat vorst Mýsjkin een enorm vermogen geërfd heeft, wordt hij door iedereen uitgenodigd.

En zo leert hij de twee jonge dames kennen die zijn leven zullen bepalen. Voor een bedeesde man als hij, die bovendien goudeerlijk, spontaan, wijs en wat naïef is, betekenen beiden zowel de hemel als de hel op aarde. Neem nu Nastasja Filippovna: verwoestend mooi, met geheimzinnige, fascinerende ogen, jarenlang de minnares van een vermogend man, labiel, jaloers, uitermate grillig. Ze aarzelt tussen hem en Rogosjin, een ruige rijkaard, in alles de tegenpool van de vorst. En dan Aglaja Jepantsjin, de jongste van de drie schoonheden thuis. Zij moet beslist een heel goede partij vinden , maar arrogant, verwend, spotziek en net zo grillig als haar concurrente als zij is, brengt ze de vorst geregeld tot wanhoop. Deze goedmoedige, verstandige man zit tussen twee bloedmooie vrouwen in, die hem afwisselend verafgoden en verguizen. Voor hem is de liefde voor Nastasje er een van medelijden: hij wil haar redden. Aglaja is de sensuele liefde. Met steeds op de achtergrond zijn mededinger, maar ook kameraad Rogosjin, beleeft de vorst, en met hem de lezer, woelige tijden.

Een roman van Dostojevski biedt natuurlijk nog veel meer. U leest over de toenmalige toestand in Rusland, het katholicisme, de donkere kanten van het Russische christendom, armoede. En de meeste personen reageren heftig, met armengezwaai, luide stemmen,  onbedaarlijke lachaanvallen en emotionele discussies. Maar vergeet zijn humor niet: met Fjodor kun je lachen.

Voor 'eind goed al goed' moet u in Hollywood zijn. Fjodor heeft iets heel anders bedacht, dat niettemin ook spectaculair is. Want, om maar eens te eindigen met een citaat uit deze roman van de grote meester: " We moeten niet uit het oog verliezen dat de menselijke drijfveren meestal onvergelijkelijk veel ingewikkelder en minder voorspelbaar zijn dan we gewoonlijk denken." Dat vond Freud ook !
Fjodor Dostojevski, De idioot. Vertaling, nawoord en aantekeningen Arthur Langeveld. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2015. 681 blz.


01-10-2023

McSORLEY'S WONDERBAARLIJKE SALOON

Commodore Dutch is een brutaal klein mannetje dat de afgelopen veertig jaar zijn brood heeft verdiend met het geven van een jaarlijks bal ten bate van hemzelf. Je kunt hem dus een bedelaar noemen, een zwerver, geen echte oplichter, want dat bal vindt heus wel plaats, en iedereen mag komen. In 1941 is hij 62 jaar; vrijwel zijn hele leven heeft hij doorgebracht op de Bowery en aanverwante straten in New York. Met zijn eigen ogen zag hij hoe de Bowery (van het Nederlandse "bouwerij", het oude woord voor "boerderij") vanaf 1894 in verval raakte. Eens vol met theaters, maar daarna vulden kroegen, danshallen, gokhallen en bordelen steeds meer deze 1,6 km lange straat. Hier ontmoette in de jaren dertig van de vorige eeuw journalist Joseph Mitchell (1908 - 1996) mensen die hem interesseerden en bereid waren hem hun verhaal te vertellen. Soms kwam hij bij ze thuis; vaak pleegde hij research om na te gaan of het wel allemaal klopte. Zijn uitvoerige stukken verschenen in The New Yorker.

Professor Zeemeeuw is zo iemand. Hij heet eigenlijk Joe Gould, zwerft zo'n 25 jaar langs allerlei kroegen en cafetaria's van Greenwich Village, en noemt zichzelf de laatste bohemien. Hij kleedt zich in afdankertjes, slaapt in portieken en parken. Naar eigen zeggen schrijft hij aan een Mondelinge Geschiedenis die al elf keer dikker is dan de bijbel, vol met belevenissen van hemzelf en anderen.

Dutch en Gould zijn innemende klaplopers, maar Lady Olga heeft altijd zelf voor haar inkomen weten te zorgen. Ze beschikt dan ook over een uitzonderlijk talent. Traden in vroegere tijden in amusementshallen of circussen vrouwen met baard op die òf geen vrouw waren òf een aangeplakte baard droegen, Lady Olga is een echte vrouw met een echte baard, die graag jurken draagt, en bij officiële gelegenheden gebruik maakt van lippenstift en rouge. Maar haar baard is ruim dertig centimeter lang, en bakkebaarden en een hangsnor heeft ze ook. De door Mitchell geraadpleegde artsen spreken van een verregaande verstoring van haar hormoonhuishouding. Met veel gevoel tekent Mitchell haar portret: een verstandige vrouw met beroepstrots, mensenkennis, soms opstandig over haar vreemde lot, dan weer bereid het hoofd te heffen en vastbesloten van dit leven iets waardigs te maken.

Omdat Mitchell graag van alles uitpluist, léér je ook van hem. Zijn langste stuk (53 blz.) wijdt hij aan de zigeuners in de V.S.: hun families, hun werkzaamheden, hun zwerftochten, terwijl hij in een apart artikel nog eens de zigeunervrouwen onder de loep neemt en vooral hun geraffineerde oplichterstrucs rond het waarzeggen uit de doeken doet. Hij vertelt welke indianen absoluut geen hoogtevrees kennen, waarom dat is en welke ijzingwekkende toeren ze bij allerlei staalconstructies moeten uithalen. Dure restaurants in New York serveren bijzondere venusschelpen, en hoe je die vangt, welk materiaal je daarvoor moet hebben, hoe het leven als schelpvisser is: Mitchell heeft met iedereen gepraat en legt het je uit.

Intrigerende mensen, merkwaardige levensgeschiedenissen, bijzondere informatie, Mitchell biedt het u allemaal aan. Dat hijzelf dertig jaar lang een writer's block heeft gehad, is weer een ander verhaal dat dan maar door één van zijn opvolgers verteld moet worden.
Joseph Mitchell, McSorley's wonderbaarlijke saloon. Vertaald en van aantekeningen voorzien door Jan Arentsman. Uitgegeven in 2016 door Van Oorschot, Amsterdam. 473 blz.

EEN PIANIST UIT POLEN

 U moet de charmes van Beatriz niet onderschatten. Hoewel ze tegen de vijftig loopt, getrouwd is en twee kleinkinderen heeft, weet ze haar jeugdige trainer in de sportschool dusdanig te verleiden dat hij haar in een hoek drijft. Ze biedt hem, beheerst als altijd, haar hals aan. Slank is ze, en lang. Ze loopt, zonder met haar heupen te wiegen, statig om u heen, zodat ze met haar donkere haar en ogen, hoge jukbeenderen en volle mond, wel degelijk de aandacht trekt. Is ze sexy? Verleidelijk? Nee. Maar toch voelt Witold, de oude Poolse pianist, zich tot haar aangetrokken.

Hoe ze elkaar kennen? In Barcelona is Beatriz lid van een comité dat voor een culturele kring maandelijks recitals organiseert. De 72 - jarige Pool, lang, stevig, met artistieke lokken, staat te boek als een vermaard vertolker van Chopin. Ze ontvangt hem, leidt hem rond, woont uiteraard zijn optreden bij, nodigt hem uit voor een etentje. Ze komt zelf uit een cultureel georiënteerde familie, verkeert in gegoede kringen, kan prettig met iedereen omgaan. Charmante vrouw, ik vertelde dat al. Zijn spel valt haar wat tegen, maar dat zeg je natuurlijk niet. Witold speelt sober, strak, laat de vurige Chopin achterwege. 

En dan komen de verrassingen. Terwijl hij over de hele wereld optreedt, stuurt hij haar mails, doet hij haar voorstellen. Of ze met hem meegaat naar Brazilië, of ze komt luisteren naar een optreden in Girona. Het zet haar aan het denken. Wat wil hij? Wat moet ze met die oude man, die heel goed weet dat ze getrouwd is. Is ze verliefd? Helemaal niet, maar ze kan hem toch niet uit haar hoofd zetten. Iedere vrouw zou toch ook gevleid zijn? Het komt tot gesprekken,  uitnodigingen, een logeerpartij. Hij spreekt moeizaam Engels, maar wat hij wil, is duidelijk: háár. Zij geeft hem rust, met haar wil hij samen leven, haar wil hij altijd om zich heen hebben. 

Maar voor Beatriz is Witold een oude man met hele grote handen en een bonkig lichaam, die een lelijk (te wit, te groot) kunstgebit draagt. Ze heeft medelijden met hem: een succesvolle, maar eenzame, oude musicus, reizend van het ene werelddeel naar het andere, hotel in, vliegtuig uit. Nee, het kan nooit iets worden, maar als hij sterft laat hij toch nog iets voor haar achter. Gedichten!

De Pool is geen psychologische roman in de gebruikelijke betekenis van het woord. Het boek bestaat uit zes hoofdstukken zonder titel, waarvan de onderdelen alle genummerd zijn. Zo kent hoofdstuk EEN 28 gedeeltes, en TWEE 41. Het lijkt alsof je een rapport leest van een psycholoog die een vrouw onderzocht heeft, want alle gebeurtenissen zien we door de ogen van Beatriz, afgewisseld met commentaar van de verteller. Auteur Coetzee heeft zo voorkomen dat deze droevige, romantische geschiedenis sentimenteel zou worden. Er wordt gedacht, vermoed, gegniffeld, en u als lezer doet mee. 

Er worden namelijk ook filosofische vragen opgeworpen, die ertoe leiden dat onze Nederlandse filosoof Paul van Tongeren uitriep dat deze roman zo rijk aan inhoud is. Hoe ver reikt de macht van taal? Wat is liefde? Doet leeftijd ertoe? Voor mij gaat deze zeer leesbare roman vooral over vergankelijkheid. Eens gaat in een mensenleven alles voorbij: roem, jeugd, verliefdheid, geluk. Dan kunnen we slechts weemoedig terugblikken. Legt u zich daar maar vast bij neer. 

J.M. Coetzee, De Pool. Oorspronkelijke titel: The Pole (2022). Vertaling Peter Bergsma. Uitgeverij Cossee, Amsterdam. 2023. 

16-09-2023

LEZEN IS VOEDSEL VOOR DE ZIEL

 Toen Desiderius Erasmus op 28 oktober in, vermoedelijk, 1469 geboren werd in Rotterdam, diende zich meteen al een probleem aan waar hij jarenlang mee geworsteld heeft. Zijn vader was namelijk priester en omdat priesters zich verplichtten tot een ongehuwde levensstaat golden kinderen van priestervaders al bij geboorte verdoemd tot de hel. Dus het zou Desiderius nooit toegestaan worden om een priesterwijding te ontvangen of een kerkelijk ambt te bekleden. Die priesterwijding kwam er toch, en dankzij paus Leo X  lukte het ook met die kerkelijke ambten, maar daar lagen vele jaren van moeizame onderhandelingen tussen.

Op zijn vierde werd hij al naar de kleine school gestuurd. Hij kreeg les in lezen, schrijven, bidden en zingen. Voor spelling en grammatica in de moedertaal bestonden geen regels. Voor Latijn, dat hij later op de grote school zou krijgen, wel. Erasmus zal daarom in zijn verdere leven volkstalen verachten en alleen Latijn gebruiken. Daarin werd hij vanaf zijn achtste getraind, want toen bezocht hij de Latijnse school, die wij nu het gymnasium noemen, in Deventer. Klassiek Latijn werd daar zijn tweede taal, zowel mondeling als schriftelijk.

Op zijn veertiende werd hij wees. Hij vertrok uit Deventer en trok naar Den Bosch, waar hij  in een broederklooster als betalende kostganger werd opgenomen. Geld voor een universitaire studie was er niet; daarom trad hij in bij het augustijnerklooster Stein, in de buurt van Gouda.

Dat gebeurde rond 1487. Enthousiast was hij niet, maar hij ontdekte wel dat hij als monnik, wanneer hij het slim aanpakte, zijn roeping kon volgen: leven als schrijver. Want dat betekende ook veel lezen, manuscripten doornemen en de bronnen van de bijbel blootleggen. Dat is geen eenvoudig bestaan. Veel geld houd je daar niet aan over, reizen is noodzakelijk, je moet steeds maar weer bedelbrieven schrijven en netwerken om bij de belangrijke mannen in het gevlij  te komen.

Begin 1500 begon Erasmus zich intensief bezig te houden met het werk van Hieronymus (die overleed in 420).  Deze kerkvader vertaalde de bijbel uit de oorspronkelijke oerteksten (Grieks, Hebreeuws) in het Latijn. Zijn vertaling, ook wel vulgaat genoemd, werd vanaf de zevende eeuw gekopieerd, verminkt, veranderd, en dus bedorven. Dat gebeurde ook met zijn brieven, waarin hij moeilijke passages toelichtte. Vanaf eind 1500 zal Erasmus er zijn levenswerk van maken om deze toelichtingen van alle smetten te zuiveren, zodat hij de tien eeuwen oude vulgaatbijbel in zijn oorspronkelijke staat kon herstellen. Door zijn hertalingen kwam hij vaak tot nieuwe woordkeuzes en heldere zinnen, maar die vervingen dus oude, vertrouwde teksten. Tot aan zijn dood zullen vooral de scholastieke theologen hem belasteren, belagen en haten. 

Erasmus publiceerde geregeld. Het humanisme greep terug op de klassieke oudheid; hij begreep dat er behoefte was aan kernachtige uitspraken en spreekwoorden van de oude meesters, dus bladerde hij de klassieken door, op zoek naar voorbeelden van vlot en verzorgd Latijn, te gebruiken door eenieder die zich daarin wilde bekwamen. Het boek heette Adagia (1500) en zal jarenlang aangevuld en herdrukt worden. Dat geldt ook voor zijn satire Lof der zotheid (1511). Maar het absolute hoogtepunt van al zijn schriftelijke inspanningen is toch wel het Nieuwe Testament in de Griekse oertekst, als vervanging van  alle dubieuze vulgaatedities. Het Novum Instrumentum verscheen in 1516, bood de oorspronkelijke tekst plus een glasheldere uitleg van Erasmus, die wilde laten zien dat iedereen zelfstandig de bijbel kon lezen. Daar had je helemaal geen theologen voor nodig. Op zijn uitgave zullen de Engels King Jamesbijbel (1611) en de Nederlandse Statenbijbel (1637) gebaseerd worden.

In 1517 dook Luther op. Erasmus was inmiddels een man met veel aanzien, de meest gelezen auteur in Europa. Beiden zagen weliswaar de grove fouten van de leiders van de Katholieke Kerk, maar daar hield ook elke overeenkomst op. Luther bleek een een nieuwe scholastieke theoloog, dus een man die zich met allerlei regeltjes en voorschriften bezig hield, zoals zovelen alleen de vulgaat wilde bestuderen en vond dat hij altijd gelijk had. Erasmus weigerde hem te steunen, Een geliefde uitspraak van Erasmus was: " Wie goed leeft, zal goed sterven". Maar Luther zag niets in goede daden; alleen de genade van God telt, daar kan de mens niets aan veranderen.

Erasmus wilde een grondige bestudering van de bijbelse oertekst en hoopte op een intelligente discussie. Iedereen heeft weleens gelijk, helemaal niets is altijd waar, ieder mens maakt weleens fouten, ook de bijbel klopt niet altijd. Inderdaad, hij was een tolerant man.  Maar er waren tijden dat zo'n houding niet geaccepteerd werd.

 Bij zijn dood in Bazel in 1536 was hij lichamelijk helemaal op; zijn reputatie als schrijver en bijbelgeleerde bleef inmiddels boven elke twijfel verheven. In zijn testament had hij geregeld dat zijn volledige werken altijd uitgegeven konden worden. En omdat hij een bemiddeld man was geworden, kon hij menigeen na zijn dood nog een financiële verrassing bereiden.  

Sandra Langereis, Erasmus dwarsdenker. Een biografie. De Bezige Bij. Amsterdam, 2021. Twaalfde druk 2023. 784 blz.