01-09-2024

IK KOM HIER NOG OP TERUG

 Er liggen twee bruggen over het IJ: de Amsterdamsebrug en de Schellingerwouderbrug. Het stalen hekwerk langs de fietspaden van die bruggen dient goed in de verf te zitten. De spijlen, de leuning, de horizontale balken, ze worden constant onderhouden door een man die daar drieënhalve dag per week mee bezig is. Hij heet Rob Hollander, heeft in de jaren tachtig twee jaar filosofie gestudeerd, was werkloos totdat men hem bij de gemeente dit baantje toeschoof. Hij kan ervan leven, doet het al jaren, woont in een flatje dat vol staat met boeken, want hij leest elke dag romans en verhalen. Als het maar verzonnen is.

Rob is een pure individualist, altijd geweest. Tijdens zijn werk wil hij liever niet aangesproken worden, als student had hij ook nauwelijks contacten, hij houdt mensen graag op afstand. Waarom? Is er in zijn leven wat voorgevallen? Vormen mensen een bedreiging? Nou ja, hij wordt er door een enkele journalist nog weleens op aangesproken dat hij als jongen van twaalf met een vriendje in een bos verdwaalde waar een verdachte man woonde. Ongeruste moeders, opgewonden buren, politie erbij... het haalde de plaatselijke krant, maar veel stelde het allemaal niet voor, toch?

Allerlei herinneringen komen naar boven als een voormalige student filosofie zich tot hem wendt. Zijn naam luidt André Icks, woonachtig in Los Angeles, waar hij schatrijk geworden is. Hij beschikt zelfs over, en nu moet u niet schrikken, een tijdmachine. Wist u dat zo'n apparaat er heel eenvoudig uitziet? Een manshoge glanzend witte kast, die wat lijkt op zo'n kunststof toilet dat je op bouwplaatsen ziet. Als Rob erin stapt en de deur dichtslaat, maakt het apparaat een beweginkje en dan bevindt hij zich al in Los Angeles.

Icks doet hem een voorstel. Met behulp van de tijdmachine kan Rob terugreizen naar een persoon, of een plek, om iets recht te zetten. Hij had iets moeten zeggen, doen, maar dat is niet gebeurd. Dat kan nu geregeld worden. Hij krijgt vijf pogingen, omdat, zoals Icks weet, er makkelijk wat fout kan gaan. 

Rob hapt toe. Hij wil naar 13 november 1998. Toen zag hij op de brug over de Amstel mr. G.B.J. Hiltermann, in ochtendjas en op pantoffels. Hiltermann! Vooraanstaand journalist en op de radio de man die de toestand van de wereld toelichtte. Het heeft Rob altijd dwars gezeten dat hij hem niet met zachte hand naar huis heeft geleid. Rob liep gewoon door; nu grijpt hij de kans om een goede daad te verrichten.

Vier keer loopt het fout af. Bij de vijfde keer ontdekt Rob tot zijn ontzetting dat hij wel in Amsterdam is, maar op een verkeerde plek, en ook de datum klopt niet. Het is november 1987. Wat nu?

Dwalend door de stad ontmoet hij zijn oud - studenten filosofie, die allemaal hetzelfde is overkomen. Icks, tijdmachine, laatste poging, en nu staan ze hier. Waarom? Heeft Icks op iets wraak willen nemen? Hebben we ooit iets ergs gedaan? Hoe komen we de tijd door? Wat doen we met ons leven?

Werkelijk fascinerend, deze roman. Je blijft denken, combineren, raden wat komen gaat, en toch word je door de slimme opbouw en goedgekozen details geregeld verrast, al viel het slot me een tikkeltje tegen. Vooral bevalt mij het beeld van die schilder, Rob dus, die in zijn flatje 's avonds leest en leest, alleen maar fictie, en over het talent beschikt om wat hij leest op dat moment voor waar aan te nemen. En een nog belangrijkere eigenschap voor hem: dankzij zijn fantasie kan hij zijn eigen leven verfraaien en zin geven. Want je verleden kun je nu eenmaal niet overdoen, maar wel voor jezelf draaglijk maken.  

Rob van Essen, Ik kom hier nog op terug. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2023. 397 blz. Winnaar van de Libris Literatuur Prijs  2024.


16-08-2024

BERICHTEN VAN HET BLAUWE HUIS

 "Waar is Wanda Meening gebleven?" 

Het villadorp waar het Blauwe Huis heeft gestaan, ligt in de groene zone ten oosten van de Randstad. Het beschikt over bochtige lanen en in de zomer zijn dat schaduwrijke tunnels van groen. De villa met de diepblauw geglazuurde pannen, omstreeks 1900 gebouwd, rees toen toverachtig omhoog tussen de dicht gegroepeerde bomen van de uitgestrekte tuin. Eens woonde er de familie Lunius met de dochters Felicia en Nina. Het koetshuis komt in handen van Diederik Meening en zijn vrouw Wanda; een ander deel van het perceel wordt verkocht aan Otto Munt die er een bungalow laat bouwen, terwijl zijn echtgenote Nora aan de slag gaat met een bloementuin. 

Al deze mensen ontmoeten elkaar in mei 1984, als Felicia en Nina voor een paar maanden terugkeren naar het dorp van hun jeugd. Allen zullen gadegeslagen worden, becommentarieerd, beoordeeld door een koor van anonieme stemmen van dorpsbewoners, dat zich na verloop van tijd meermaals afvraagt: "Waarom zien we Wanda Meening niet meer?" Want al spoedig blijkt dat er tussen de bewoners van het Blauwe Huis en omstreken lijntjes lopen. Zo kennen sommigen elkaar al van hun vroegste jeugd.

De zussen, als eigenaressen van het Huis, spelen een sleutelrol. Wie zijn ze eigenlijk? Felicia is de ingetogen, voorname vrouw van een inmiddels overleden diplomaat. Ze heeft met hem over de hele wereld gereisd, maar echt gelukkig was ze nooit. Nina is in alles haar tegenpool. Extravert, avontuurlijk, lid van een Argentijnse zang - en dansgroep, bewonderaarster van de Dwaze Moeders, tegenstander van Videla, gevangen gezeten en gemarteld. Financieel zit ze aan de grond. Het zal u dus niet verbazen dat beide zussen steeds slechter met elkaar overweg kunnen. 

Wanda zoekt naar een doel in haar leven, zou persfotograaf willen worden, en verdiept zich in die opstandige jaren van Nina. Die is daar absoluut niet van gediend. Omdat Wanda uitermate ongelukkig getrouwd is, wil ze scheiden. Ze stapt in een onbekende auto en verdwijnt. De dorpsgemeenschap begrijpt niets, weet niets, roddelt veel. U, als geroutineerd lezer, heeft hele sterke vermoedens.

Het Blauwe Huis is inmiddels afgebroken, alleen de herinneringen blijven, en somberheid is dus troef. Allemaal ongelukkige mensen in deze roman, ondanks de fraaie huizen en de schitterende omgeving. Het is niet alles wat het lijkt, ook hier kan de schone schijn de rauwe werkelijkheid niet verhullen.

Technisch gezien is dit een knap opgebouwde roman met slimme verwijzingen, een dubbel vertelperspectief en raadsels die om een oplossing vragen. Maar het moet me van het hart dat de hoofdpersonen zo weinig ziel vertonen, zo clichématig zijn, slechts zelden empathie oproepen. In de toenmalige kritiek werd geopperd dat Hella Haasse, toen 68 jaar, wellicht moeite begon te krijgen om zich echt in haar figuren in te leven. Laten we toch vooral niet vergeten dat ze ons een hele reeks prachtige boeken geschonken heeft.

Hella S. Haasse, Berichten van het Blauwe Huis. Querido, Amsterdam, eerste druk 1986, tiende druk 1993. 161 blz.


01-08-2024

IN AUGUSTUS ZIEN WE ELKAAR

 Toen de beide zoons van Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez (1927 - 2014) zo'n  tien jaar na zijn dood zijn allerlaatste verhaal opnieuw lazen, waren ze aangenaam verrast. Omdat hij aan Alzheimer leed, was hij niet aan het slot toegekomen, maar met behulp van een bevriende uitgever en diverse naaste medewerkers, die gebruik konden maken van enkele manuscripten, kon deze novelle, geheel in de stijl van de grote meester, gepubliceerd worden. Rodrigo en Gonzalo tonen zich uitermate tevreden. Terecht?

Elk jaar gaat Ana Magdalena Bach op 16 augustus met de boot naar een eiland in de Caribische Zee. Op hetzelfde uur, met dezelfde taxi, bij dezelfde bloemenverkoopster in de gloeiende zon met een vers boeket gladiolen, dat ze neerlegt op het graf van haar moeder. De laatste jaren bezocht die geregeld dit onaanzienlijke eiland. Drie dagen voor haar dood had ze verzocht daar begraven te worden. Aan het graf vertelt ze haar moeder wat er het afgelopen jaar gebeurd is.

Ana is 46, 27 jaar gelukkig getrouwd met een succesvolle man; hun  twee kinderen doen het uitstekend. Zelf beschikt ze over prachtige gouden ogen, ze is intelligent en muzikaal. Kortom: het leven heeft haar voortdurend toegelachen. Omdat de eerste boot pas de volgende ochtend vertrekt, moet Ana in een hotel slapen. Deze keer gebeurt er iets bijzonders: een uiterst aantrekkelijke man is dusdanig onweerstaanbaar, dat ze die nacht samen doorbrengen. Nooit eerder was ze vreemdgegaan.

Het smaakt naar meer. Elk jaar als ze in augustus afreist, voelt ze zich vrij en onafhankelijk, gaat op avances in van mooie mannen die ook nog zeer bedreven in het liefdesspel zijn. Maar in haar eigen omgeving is ze braaf; diverse vriendinnen hebben meerdere minnaars, haar man vertrouwt ze ook niet, maar het eiland inspireert haar. Hoezo? Totdat ze bij het graf een prachtig boeket ziet liggen. Van wie? Zeker, we blijven trouw tot de dood ons scheidt, maar die kan ook verbinden...

De kritiek op deze novelle verschilt nogal, maar ik ben best tevreden. Een interessante, onafhankelijke vrouw, mannen die haar aandurven, een leuk plot, een verrassend, licht magisch - realistisch slot: Márquez mag voldaan op zijn zonen neerkijken. 

Gabriel García Márquez, In augustus zien we elkaar. Vertaling Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff Boekerij, Amsterdam, 2024. 128 blz.


16-07-2024

KONING WILLEM I

 Het kind is de vader van de man, luidt het spreekwoord. Voor Willem Frederik, erfprins, later koning Willem I (1772 - 1843) geldt dit nadrukkelijk. Als kind was hij al koppig, dwars en gierig. Vanaf 1795 zal geld een doorslaggevende rol in zijn leven spelen. Niet voor niets werd zijn hofleven door de adel als het saaiste van Europa beschouwd. De jongeman bleek intelligent, hard, gesloten, standsbewust, en dat veranderde nooit meer. Hoe ver komt een adellijk persoon met al deze eigenschappen?

Jeroen Koch behandelt in zijn biografie vijf thema's. 1) Het persoonlijke leven van Willem I. Geboren in het Huis van Oranje, voorbestemd om stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te worden, vlucht de vader van Willem Frederik met zijn gezin in 1795 naar Engeland. Napoleon heerst dan op het continent. W.F. doet dienst in het Pruisische leger, mag in 1802 even regeren over het bisdom Fulda, trekt vervolgens door Europa, op zoek naar status en inkomen. De Slag bij Waterloo (1813) en het Congres van Wenen (1815) zorgen voor een ommekeer. In 1815 mag hij de titel 'soeverein vorst van de Nederlanden' voeren. Dit houdt in: het huidige Nederland, België en Luxemburg vormen één staat, met koning Willem I aan het hoofd. Hij is dan al getrouwd, heeft twee zoons en vier buitenechtelijke kinderen. In 1840 zal hij vrijwillig aftreden, waarna een tweede huwelijk volgt. In 1843 sterft hij in Berlijn aan een beroerte. 

2) De internationale context, d.w.z. de relatie met de andere vorstenhuizen in Europa. Koch benadrukt telkens dat het Huis van Oranje een speelbal was van de grote mogendheden. Frankrijk, Pruisen, Oostenrijk, Engeland en Rusland deelden de lakens uit en de Oranjes hadden slechts te gehoorzamen. Omdat er ten noorden van het Frankrijk na Napoleon een stabiele, volgzame staat moest komen, werden  de Nederlanden gecreëerd. Geholpen door de Engelsen kon Willem Frederik in 1813 op het Scheveningse strand landen. 

3) De ontwikkeling van de monarchie in het Nederlandse staatsbestel na het Congres van Wenen, dat in 1814 een nieuwe, Europese orde schiep. Men maakte handig gebruik van een geliefde mythe: vrijheid, de natie en Oranje zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Willem I verwees in zijn toespraken naar Willem de Zwijger en Maurits; onderwijzers, politici en literatoren haakten aan en het volk geloofde hen.

4) De beeldvorming rond koning Willem I. Alle Europese vorsten zagen zichzelf als vaders die hun onderdanen moesten beschermen tegen alle kwaad. Willem I speelde met verve deze rol. Eens in de week hield hij open huis: iedereen mocht langskomen. Hij luisterde minzaam, sprak een bemoedigend woord, schonk soms een bedrag. Zijn vaderlijke optreden had onmiskenbaar een neerbuigende toets.

5) Zijn beleid als vorst. Van de grondwet trok hij zich niets aan, zijn standpunt bleef steeds: alleen de koning besluit. Geen persvrijheid, vrijheid van godsdienst of parlementaire controle op de overheidsfinanciën. Daarom wensten de Belgen zich in 1830 af te scheiden, daarom waren de financiën een puinhoop, daarom hielden ministers het nooit lang bij hem uit. Hij hield van het papierwerk, de dossiers; moesten er echter kordate beslissingen genomen worden, dan aarzelde hij veel te lang. 

Dankbaar gebruikmakend van de koninklijke archieven, gretig puttend uit de talloze brieven die de leden van het Huis van Oranje elkaar schreven, presenteert Koch u een fascinerende biografie. Het leven van onze eerste koning is zó vol aan dramatische gebeurtenissen, dat een biograaf zich in luilekkerland waant. Elke pagina bevat een overvloed aan feiten, namen, gebeurtenissen en verklaringen, zodat u ondergedompeld wordt in de Nederlandse en Europese samenleving van eind achttiende en eerste helft negentiende eeuw. Heerlijk, toch?     

Jeroen Koch, Koning Willem I  1772 - 1843. Boom Amsterdam, 2013. 704 blz.                                                                             

 



01-07-2024

DE MEESTER VAN PETERSBURG

 In oktober 1869 bevindt Fjodor Dostojevski, toen al al een bekend schrijver, zich in Petersburg, om uit te zoeken hoe zijn stiefzoon Pavel om het leven gekomen is. De jongeman (22 jaar) was enige tijd eerder van Dresden, waar zijn stiefouders woonden, naar Petersburg verhuisd. Pavel Isajev is de zoon van Fjodors eerste vrouw. Hij liet voortdurend merken dat hij zich in Dresden slechts als  een weeskind zag en zocht geregeld ruzie met Fjodors tweede vrouw, Anna. Dostojevski voelt zich schuldig; hij heeft het idee dat hij zijn stiefzoon veel te weinig aandacht gegeven heeft.

Fjodor bezoekt diens hospita, die hem toestaat  gebruik te maken van het kamertje van Pavel, waar al zijn spullen nog staan. Hij slaapt in zijn bed en trekt zijn witte pak aan. Het lijkt wel alsof hij probeert Pavel weer terug te roepen in het leven. Ook zijn pogingen om met de hospita, Anna Sergejevna, een seksuele relatie aan te gaan, wijzen in die richting. " Via mij probeer je hem te bereiken", verwijt ze hem. Toch groeit er wat tussen hen.

Fjodor gaat in Petersburg op onderzoek uit. Heeft Pavel zelfmoord gepleegd? Vermoord door de politie? Slachtoffer van een noodlottig ongeval? De schrijver wordt indringend ondervraagd door raadsheer Maksimov, gerechtelijk onderzoeker naar de dood van Pavel. Van hem hoort hij dat zijn stiefzoon verkeerde in de kringen rond Netsjajev: een revolutionair en terrorist. Later zal hij deze gevaarlijke man persoonlijk ontmoeten. Dan beseft hij dat Pavel geen heldhaftige strijder tegen onrecht was, maar slechts een meeloper.

De tijd begint te dringen. Vermoedelijk is Pavel gedood op bevel van zijn grote held Netsjajev. Fjodors paspoort is hem afgenomen door de Peterburgse overheid, maar als zijn talloze schuldeisers in de stad weten dat hij zich daar ophoudt, zullen ze hun geld komen opeisen. Anna Sergejevna blijft hem fascineren, maar in Dresden wachten vrouw en kind. Hij moet weg. Wat heeft hij nog te zoeken in zijn ooit zo vertrouwde Petersburg? En hoe nu verder met zijn leven?

Hij moet  blijven doen waar hij goed in is, realiseert hij zich. Schrijven, publiceren, ten koste van heel veel. Verraad plegen aan jezelf en anderen, je ziel opofferen: het zijn heel grote woorden, maar het schrijverschap zoals hij dat ziet, is dat allemaal waard. Tenminste, dat lees ik in die laatste bladzijden.

Auteur J.M. Coetzee (Kaapstad, 1940) studeerde Engels en literatuur en was vanaf 1971 hoogleraar aan diverse universiteiten. Het werk van de meester van Petersburg, F.M. Dostojevski, zal hij ongetwijfeld bestudeerd en bewonderd hebben. Ik vermoed dat zo de basis is gelegd voor deze roman, waarin de auteur op de schrijver Dostojevski wil lijken. Ook deze hoofdpersoon dwaalt door Petersburg, heeft een intellectueel debat met een politiefunctionaris; net zoals in Misdaad en straf, en in Boze geesten struikel je over de reactionairen en nihilisten. Pavel en Netsjajev hebben echt bestaan, terwijl het laatste hoofdstuk in De meester van Petersburg de naam draagt van de grootste booswicht die Fjodor ooit bedacht heeft, namelijk Stavrogin.

Een eerbetoon aan de grote Rus? Ingrediënten uit leven en werk gebruiken om een Dostojevskiaanse roman te componeren? Geen idee, maar het zou zo maar kunnen. Alleen dat slot, beste lezer, dat is toch aan de duistere kant.

J.M. Coetzee, De meester van Petersburg. Vertaling Frans van der Wiel. Oorspronkelijke druk 1994. Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2006. 252 blz.

16-06-2024

MORISAKI'S BOEKWINKEL

 In een wijk van Tokio treft u enkele straten aan waar zich vrijwel uitsluitend kleine tweedehandsboekwinkels bevinden. Vaak zijn ze gespecialiseerd; sommige doen in academische werken, in andere kun je alleen toneelscenario's krijgen. Morisaki's boekwinkel, gedreven door oom Satoru, biedt de bezoeker Japanse schrijvers van de vroege twintigste eeuw aan. Hij schat dat in zijn winkel ongeveer 6000 boeken opgeslagen zijn.

Van wie is Satoru de oom? Van Takako, een jonge vrouw van 25, die ons haar levensverhaal vertelt. Na een ongelukkige liefde vlucht ze naar de Japanse metropool, waarin je, afkomstig uit de provincie, zo makkelijk verdrinkt. Haar oom biedt haar kost en inwoning aan in zijn winkeltje. Een klein houten gebouw van ongeveer dertig jaar, met één verdieping en tjokvol boeken achter een glazen winkeldeur. Zij zal anderhalf jaar in een leeg kamertje boven de winkel doorbrengen, waar het altijd klam is en muf ruikt. En toch: een belangrijke, onvergetelijke plek, net zoals dat intieme koffietentje, even verderop.

Want de winkel is een plek vol warmte, ideaal om tot rust te komen. Haar oom is als een vader voor haar en met de schaarse vaste klanten kan ze het opperbest vinden. Het belangrijkste: hier leert ze het genot van boeken lezen kennen. Urenlang kan ze zich bezighouden met al die personen in die talloze Japanse romans. Morisaki's boekwinkel is een schuilplaats voor haar, een plek om de boze wereld van zich af te houden. Maar ze begrijpt heel goed dat ze eens de sprong moet wagen. Iemand moet haar een zetje geven. En dat zal van Momoko komen, de vrouw van Satoru, die na jaren plotseling weer terugkeert.

Jong, onervaren en naïef als Takako is, vergist ze zich geregeld in mensen. Haar stille liefde hééft al iemand, oom Satoru is géén bullebak, tante Momoko is niét oppervlakkig, en tja, Wada, wil hij wat van haar of niet? Inderdaad, het is niet wat het lijkt, mensen dragen vaak een masker, zijn toch dikwijls geheimzinnig. Ik vlei me met de gedachte dat Tatako door veel te lezen heel wat mensenkennis heeft opgedaan.

Een charmante vertelling, deze roman, geschreven in een eenvoudige, trefzekere stijl. Alweer een Japanse schrijver die me bevalt!

Satoshi Yagisawa, Morisaki's boekwinkel. Oorspronkelijke druk 2010. Uit het Japans vertaald door Jacques Westerhoven. Meulenhoff, Amsterdam, 2023. 204 blz. 


01-06-2024

VAN EEN OUDE DWAAS

 Als je zevenenzeventig bent, diverse lichamelijke ongemakken hebt en toch geregeld overmand wordt door seksuele lusten, dan kun je niet spreken van een zorgeloze oude dag. Gelukkig houdt Utsugi Tokusuke (eerst achternaam, dan voornaam: we bevinden ons in Japan) een dagboek bij. Daarin noteert hij zijn klachten en zorgen, en vertelt hij over zijn obsessies, want hij is meedogenloos eerlijk over zichzelf.

Financiële problemen bestaan er niet voor hem. Hij beschikt over onroerend goed en aandelen, heeft een eigen chauffeur, terwijl er 24 uur per dag een zuster voor hem klaar  staat. Die is ook wel nodig, want hij heeft pijnlijke armen, handen en schouders, en is slecht ter been. Zijn bloeddruk is vaak veel te hoog, terwijl zijn nachtrust vaak onderbroken wordt, omdat hij moet plassen. En ja, hij is impotent, maar dat neemt niet weg dat zijn seksuele aandriften blijven.

Tokusuke is stapelgek op zijn schoondochter Satsuoko. Ze is niet van voorname afkomst, was eens balletdanseres, en weet heel goed hoe ze hem moet bespelen. Hij mag haar in haar hals zoenen en aan haar tenen sabbelen, maar daar moet wel wat tegenover staan. Een prachtige tas bijvoorbeeld, of, vooral, een katoog: dat is een kostbare, opvallend grote ring. Ze laat hem toe als ze onder de douche staat, maar veel is er dan niet van haar te zien. Een vakvrouw: zo kweek je een obsessie.

 Zelfs als hij pijn lijdt, heeft hij seksuele driften. Misschien juist omdat hij pijn heeft. Inderdaad, je kunt dat masochisme noemen. Zo is hij vooral geboeid door vrouwen met een slecht karakter. Soms ontmoet hij dames van wie hij de wreedheid van hun gezicht kan aflezen. Die bevallen hem het meest. Niemand in zijn omgeving heeft ook maar een idee van wat in hem woelt, behalve Satsuoko, die het een en ander vermoedt.

Toch maakt hij zich geen enkele illusie; hij weet dat hij een lelijke, verwelkte, oude man is. Hij heeft geen enkele tand of kies meer, zelfs nauwelijks nog tandvlees.  Als hij zijn lippen plat dicht doet, hangt zijn neus tot op zijn kin. Het voordeel van dit alles is dat hij een mooie vrouw kan benaderen zonder achterdocht te wekken. Zo kan hij haar in contact brengen met een knappe man; het hele huis raakt vervolgens in verwarring en dáárvan geniet hij dan.

Een gecompliceerd man dus, met duistere kanten. Maar ook intelligent: hij houdt iedereen goed in de gaten, doorgrondt vrouw en kinderen, weet waarom ze iets van hem willen. Seks en lekker eten vullen zijn dagen, nachten en gedachten. Hij schrijft wel dat hij na zijn vijftigste niet meer bang was voor de dood, maar dat geloof ik niet. Er is  constant medisch personeel in de buurt dat op hem let. Bloeddruk, hartslag, stoelgang worden telkens gemeten, en op basis daarvan krijgt hij allerlei medicijnen toegediend. De dood moet ver weg blijven. Van die paar vreugdes die er nog over zijn, wil hij met volle teugen genieten. Hij is een dwaas, dat weet hij, maar dat accepteert hij van zichzelf. Nu nog even genieten.

Over Junichiro Tanazaki (Tokio, 1886 - 1965) heb ik op 6 maart 2021 geschreven toen ik in het stukje De vier zusters Makioka zijn roman Stille sneeuwval besprak. In Japan nog altijd een gerenommeerd auteur; in Europa, ook in ons land, wordt zijn werk geregeld herdrukt. In 1988 verscheen de film naar dit boek; regisseur was Lili Rademakers (inderdaad, de vrouw van Fons), scenarist Hugo Claus.

Junichiro Tanizaki, Dagboek van een oude dwaas. Oorspronkelijke druk 1965. Vertaling uit het Japans M. en L. Coutinho. Eerste druk 1968, derde druk 1987. Meulenhoff, Amsterdam. 184 blz.