13-07-2021

DE JACOBSLADDER

 Als de jonge Anton de veerboot neemt van Maassluis naar het eiland Rozenburg zal deze tocht hem de rest van zijn leven bijblijven. Hij ziet daar de elfjarige Jan Ruygveen staan, die kort daarna zal verdrinken, en bovendien maakt het natuurschoon op het eiland met zijn dijkmoestuinen, koolzaadvelden, vlinders en sprinkhanen een overweldigende indruk op hem. Echt paradijselijk wordt het als hij de woning van zijn tante bereikt. Daar ziet hij een blauw grasveld met twee enorme platanen, er omheen een meidoornhaag en spelende geitjes. Hij ontmoet er ook zijn even oude achternichtje Klaske, die hij pas jaren later zal terugzien.

De dood van Jan zal tien jaar lang op hem drukken. Al die tijd loopt hij met een schuldcomplex rond, want zijn allereerste reactie was een geweldige opluchting: niet ik, maar hij. Schandelijk, een rechtgeaard christen mag zo niet denken, dan verheug je je ten koste van een ander. Maarten 't Hart, Maassluis en het calvinisme: ze horen nadrukkelijk bij elkaar.

De tragische figuur is hier vader Ruygveen, timmerman van beroep, godsdienstfanaat ten koste van alles en iedereen. Somberder, zwarter, worden ze door God niet gemaakt. Het leven is ellendig, bijna iedereen gaat naar de hel, voor eeuwig uiteraard, kaarten, dansen, vrolijk zijn, je opmaken, alles is verboden. Wat rest is Gods uitverkiezing: miljoenen jaren geleden heeft Hij beslist wie in de hemel mag komen en wie niet. Nee, de mens heeft daar geen invloed op. Of je nu goed of slecht leeft, dat maakt helemaal niets uit. Ruygveen richt zelfs een eigen kerkgenootschap op om zijn overtuiging uit te dragen. Dat was overigens niets bijzonders: in Maassluis bestonden toentertijd zo'n zestien richtingen, van de Remonstranten via de Orthodoxe Calvinisten naar de grote groep van de Nadere Reformatie.   

Adriaan dwaalt over de wereld, op zoek naar houvast, naar de zin van het leven. Hij begrijpt niet waarom hij er is, waarom mensen tot onzinnige daden in staat zijn. Hij rookt niet, drinkt niet, vrijt niet, verveelt zich met mensen, vindt het eigenlijk heerlijk om alleen te zijn. De Bijbel biedt hem geen troost, die staat vol met ongerijmdheden. Gesprekken met zijn nuchtere en geestige grootvader helpen. Die wijst hem op de schoonheid van de natuur, de wisselende jaargetijden, en, bedekt, het aangename gezelschap van een vrouw. Uiteindelijk zal uitgerekend Ruygveen het laatste zetje geven om hem te verzoenen met het bestaan.

Maarten 't Hart is een uitstekend verteller. Personen, situaties, gebeurtenissen, hij rijgt ze met zijn eenvoudige stijl moeiteloos aan elkaar, zorgt voor een verrassende wending of een  vrolijk voorval. En als je de lezer mee laat denken over schuld, boete en de zin van het bestaan, dan geef je je roman ook de nodige diepgang. Ik ben het trouwens eens met Wam de Moor, die in zijn boek Een Hollands mirakel vindt dat het eerste hoofdstuk van De jacobsladder tot het beste behoort wat 't Hart geschreven heeft. 

Maarten 't Hart, De jacobsladder. Eerste druk 1986. De Arbeiderspers, Amsterdam. 206 blz.




12-07-2021

JAGERSVERHALEN VAN TOERGENJEV

 De eerste Russische schrijver die echt tot de westerse wereld doordrong, is Ivan Toergenjev ( Orjol; 1818 - 1883). Afkomstig uit een familie van grootgrondbezitters was hij in staat om aan universiteiten in Moskou, Petersburg en Berlijn te studeren. Van 1847 tot 1851 verbleef hij in Frankrijk, daarna nog een tijdje in Engeland; de laatste twintig jaar van zijn leven vertoefde hij in Baden - Baden en, vanwege de liefde, in Parijs. Slechts enkele keren bezocht hij toen nog zijn vaderland. Zijn talenkennis benutte hij door werk van Russische auteurs in het Frans en het Duits te vertalen.   Literaire roem heeft hij te danken aan zijn romans, maar zijn succesvolle carrière begon met Notities van een jager (ook wel Jagersverhalen genoemd), die hij tussen 1847 en 1852 publiceerde. In De Russische Bibliotheek van Van Oorschot staan er in deel 2 van de Verzamelde Werken van Toergenjev ruim dertig bij elkaar.  

Vijf daarvan zijn onlangs in een nieuwe vertaling samengebracht. Een niet met name genoemde landheer dwaalt met hond en geweer door de weelderige landschappen van Orjol (zuidelijk; niet zo ver van Wit - Rusland en Oekraïne) en het Zjizdrin - district, op zoek naar korhoenders, watersnippen en patrijzen. De tientallen moerassen en de honderden wersten aan bossen bieden de jager de mogelijkheid om eindeloos te dwalen en mensen te ontmoeten die bereid zijn hun levensverhaal te vertellen, waarbij ze aandachtig worden gadegeslagen door de verteller.

Neem bijvoorbeeld Chor uit Chor en Kalinytsj. Hij is weliswaar een eenvoudige boer, wonend in een primitief dorp, maar wel degelijk een praktisch man met verstand van administratie. Hij kent de realiteit, zodat hij ervoor zorgt op goede voet te staan met zijn heer en andere autoriteiten. Dus heeft hij wat geld weten te sparen en een huis kunnen bouwen. Chor spreekt weinig, doorziet iedereen en let erop dat vrouw, kinderen en hijzelf nimmer in opspraak komen. 

Jermolaj uit Jermolaj en de molenaarsvrouw nodigt de verteller uit voor de voorjaarsjacht. Wat dat is? In de lente, een kwartier voor zonsondergang, gaat u, met geweer maar zonder hond, het bos in. U wacht tot het stikdonker is. Dan hoort u een speciaal soort gesis en gekras, snelle vleugels, en daar komt een vette houtsnip op u afvliegen. Jermolaj lééft van de jacht. Hij is ongeveer 45 jaar, lang en mager, verwarde haren, spottende uitdrukking op zijn gezicht. Hij trekt zich namelijk van niemand wat aan, ook al behoort hij toe aan een landheer. Zijn hond krijgt niet te eten, hij is wreed jegens zijn vrouw, schiet haast altijd raak en haalt de rivierkreeften met zijn grote handen uit het water. Zorgeloos en goedmoedig tegenover de buitenwereld, kan hij met een grimmige woestheid op zijn gezicht  een aangeschoten vogel doodbijten. Met deze zwerver gaat onze verteller op pad. 

Door het succes van de Jagersverhalen, die een realistisch beeld gaven van de Russische boer en de hardvochtigheid van zijn landheer, kreeg Toergenjev terecht de reputatie een empathisch, sociaal voelend man te zijn. Zijn natuurbeschrijvingen zijn sfeervol, zijn stijl is eenvoudig, geladen met lichte ironie; hier en daar maakt  een weemoedige stemming over alles wat voorbijgaat zich van de verteller meester. 

In de kwarteeuw die op deze jagersverhalen volgt, komt Toergenjev echt op gang. Hij zal dan zes sociaal bewogen romans schrijven die hem de reputatie van groot negentiende - eeuws Russisch auteur bezorgen die hij nog steeds heeft. Het adelsnest wordt als zijn beste roman beschouwd. Ik zal eens kijken wat ik voor u doen kan.

Ivan Toergenjev, Vijf jagersverhalen. Uit De Kleine Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Vertaling Froukje Slofstra. Amsterdam, 2021. 84 blz.

 

28-06-2021

NOMADLAND

Hoe eindeloos lang de autowegen in de V.S. zijn, hoe fraai de vergezichten, hoe eenzaam al die uitgestrekte vlaktes een mens maken, dit alles wordt u zeer duidelijk getoond in de film Nomadland. De verwijzing naar `nomaden' is uiteraard geen toeval. Ze komen nadrukkelijk voor in deze productie van actrice Frances McDormand, winnares van vier Oscars dankzij films als Fargo en Three Billboards Outside Ebbing, Misssouri.

Fern zal vooraan in de zestig zijn als ze haar spulletjes pakt, haar huis verlaat en met haar omgebouwde bestelwagen uit Empire, Nevada vertrekt om verre tochten door Amerika te maken. Haar man is onlangs gestorven, kinderen heeft ze niet, ergens woont nog een getrouwde zus. Ze trekt door dunbevolkte staten als Zuid - Dakota en Arizona, en neemt ook het eenvoudigste werk aan: pakketten vullen voor Amazon, frites bakken in enorme fastfoodzaken, schoonmaken van vakantiehuisjes. Slapen en wonen doet ze in haar auto. Onderweg, op parkeerplekken en bij tankstations, komt ze lotgenoten tegen. Na verloop van tijd worden dat bekenden, die haar over hun leven vertellen. Zo is Swankie, 75 jaar en ongeneeslijk ziek, op weg naar Alaska, omdat ze aan die staat zulke goede herinneringen heeft. Men kent elkaar, helpt en steunt. Maar na enkele dagen neemt iedereen weer afscheid van de ander, want de autowegen lonken, de vrijheid lokt, ieder gaat weer lekker zijn eigen gang. Individualisten zijn ze, deze nomaden. Buiten de samenleving staan, geen onnodige sociale verplichtingen aangaan, met weinig geld rondkomen, de eenzaamheid accepteren, zó ziet hun bestaan eruit. 

Fern is ook zo. Er raakt een leuke man op haar verliefd, maar 's morgens stapt ze toch in haar auto en rijdt weg. Haar zus is bereid en in staat om haar in huis op te nemen, maar ze weigert. Ondanks de melancholie af en toe: dit leven bevalt.  

Er spelen slechts twee echte acteurs in deze film: Francis McDormand dus, en David Strathairn, de man die zou willen dat Fern bij hem intrekt. Al die anderen die u op het doek ziet verschijnen (want u moet zeker gaan kijken) zijn echte rondtrekkende Amerikanen, of leden van een plaatselijke bevolking. Zo'n vijf maanden zwierf McDormand, samen met haar Chinese regisseur en de cameramensen, in een slaapauto door zeven staten om met nomads te praten. Hun geschiedenissen, vaak tragisch, doen je inzien dat we eigenlijk allemaal zwervers zijn die in de jaren die ons ter beschikking staan op zoek gaan naar een beetje geluk, wat warmte en  de vrijheid om te gaan waarheen we willen.

Nomadland. Regisseur: Chloé Zhao. Acteurs: Frances McDormand, David Strathairn, Linda May, Bob Wells, Charlene Swankie. Land: Verenigde Staten. Uitgebracht: in 2020.

14-06-2021

DE JAREN VAN ONSCHULD

  Als de jeugdige Newland Archer op het punt staat rond 1870 tot de upperclass van New York toe te treden, is een luxueus maar gecompliceerd bestaan zijn voorland. Hij heeft natuurlijk veel mee: knap, intelligent, lid van een vermogende familie, die bovendien al generaties lang in de metropool leeft en dus veel aanzien geniet. Bovendien zal hij gaan trouwen met May Newland, de mooiste van haar generatie, die wat afkomst, opleiding en intelligentie betreft aan alle maatstaven voldoet. Toch heeft hij zijn bedenkingen, en die hebben allemaal te maken met de sociale conventies van de beau monde van New York.

Al sinds mensenheugenis is de allerbovenste laag van de stad verdeeld in twee groepen: aan de ene kant de families Mingott en Manson met hun aanhang, die eten, kleren en geld belangrijk vinden; aan de andere kant de groep met Archer, Newland en Van der Luyden, die veel cultureler en minder materialistisch is ingesteld. Maar er bestaan regels waar iedereen zich vanzelfsprekend aan houdt, ook Newland, al vindt hij ze vaak benauwend. Zo is het niet gepast te vroeg bij de Opera te zijn; je laat een huis bouwen van bruine zandsteen en niets anders; in de salons is het niet gebruikelijk dat een dame opstaat en wegloopt bij de ene heer om het gezelschap te zoeken van een andere. 

En dan verschijnt Ellen Olenska, door haar huwelijk gravin geworden, plotseling in de stad. Ze is een nichtje van May; Newland heeft als kind nog met haar gespeeld. Met haar donkere haar en slanke gestalte is ze een aantrekkelijke verschijning; de mannen zijn meteen hogelijk geïnteresseerd. Dat geldt na enige tijd ook voor Newland, maar wat hem vooral bevalt is haar volstrekte onafhankelijkheid. Ze is bij haar graaf, die in Europa woont, weggelopen, heeft, fluistert men, een jaar met diens secretaris samengewoond, en praat, lacht, dineert en bezoekt (met) iedereen die haar op de een of andere manier bevalt. En dat kan eigenlijk niet; ze moet haar plaats kennen en een getrouwde vrouw hoort bij haar man. Punt uit.

Newland is op een rustige manier verliefd op zijn vrouw. Hij betreurt dat ook zij zich zo vastklampt aan de conventies; hij vindt het jammer dat ze zo weinig fantasie heeft; hij beseft dat je in hun kringen niet rechtstreeks zegt wat je dwarszit, ook niet tegen je man of vrouw. Kortom, ondanks alle bals, diners en theatervoorstellingen nu al van elke dag weten wat er gaat gebeuren, is voor hem een schrikbeeld. Ellen doorbreekt dit allemaal, Ellen zorgt voor spanning en avontuur, Ellen is zijn grote liefde. En nog mooier: ze beantwoordt die. Ze wil voor hem in New York blijven; nou ja, Washington mag ook.

En dit is nog maar het begin! Vervolgens beschrijft auteur Edith Wharton (New York City; 1862 - 1937), die zelf is opgegroeid in de hoogste kringen van haar geboortestad, licht ironisch maar ook weemoedig, hoe Ellen en Newland hun best doen uit het web te raken van de New Yorkse clan. Kun je wel helemaal loskomen van familie, vrienden, kennissen en hun in beton gegoten afspraken? Hoe ver wil je gaan om het opperste geluk te bereiken? Is dat eigenlijk wel mogelijk? Deze en andere vragen worden gesteld in deze meeslepende, tijdloze roman. Dit is een héél mooi boek.

Deze roman werd in 1921 bekroond met de in de Verenigde Staten zeer prestigieuze Pulitzer Prize voor fictie. In 1993 verscheen de film van regisseur Martin Scorsese met Michelle Pfeiffer, Daniel Day - Lewis en Winona Rhyder in de hoofdrollen. Prachtig in beeld gebracht, de bedoelingen van de schrijfster zijn uitstekend weergegeven.

Edith Wharton, De jaren van onschuld. Oorspronkelijke titel: The Age of Innocence (1920). Nederlandse vertaling Christien Jonkheer (1993). Uitgeverij LJ Veen Klassiek.  Amsterdam/ Antwerpen, vijfde druk 2016. 293 blz.




31-05-2021

MIDNIGHT IN PARIS

Nadat Woody Allen een paar succesvolle films in het buitenland had gemaakt, kreeg hij van wereldstad Parijs het verzoek om aldaar een film op te nemen. Men zou hem alle medewerking verlenen. Allen, de man die geniet van de drukte die wereldsteden nu eenmaal te bieden hebben,  hapte meteen toe. Vier maanden  vertoefde hij met vrouw en kinderen in een suite van een voornam hotel in Parijs. 

Hoofdpersoon Gil heeft wel wat van Woody weg. Hij is permanent ongelukkig. Het bevalt hem uitstekend in de stad, maar de omgeving staat hem minder aan: zijn verloofde wil dat hij rijk genoeg is om in in Santa Monica te wonen, zijn schoonvader vindt hem een linkse rakker en Gil zelf wil een serieuze, echt literaire, roman schrijven, want tot dusver was hij slechts een broodschrijver.

Op een nacht, als hij alleen rondtrekt, verdwaalt hij. Wanneer  de klok twaalf uur slaat, komt plotseling een auto uit de jaren twintig voorrijden. Mannen roepen hem toe om in te stappen. Ze brengen hem naar een restaurant waar hij auteur Scott Fitzgerald met zijn vrouw Zelda ontmoet, die hem voorstellen aan niemand minder dan Ernest Hemingway. Later die nacht bezoekt hij het huis van Gertrude Stein, die hem dan en de nachten erna in contact brengt met andere artistieke grootheden uit de jaren twintig van de vorige eeuw: Bunuel, Salvador Dali, Degas, Picasso, Cole Porter. Nu voelt hij zich gelukkig, hier voelt hij zich thuis, dit zijn de jaren waarin hij wil leven. Als hij ook nog verliefd wordt op het vriendinnetje van Picasso en die liefde beantwoord ziet, dienen de eerste moeilijkheden zich aan.

Kan het romantischer? Ontevreden zijn met je bestaan, een onbereikbare geliefde, verlangen naar een verleden tijd, oog in oog staan met de artiesten die je bewondert en daarom onaanraakbaar zijn...dit alles zit in deze film en in het leven van de regisseur. Als u de autobiografie van Woody Allen gelezen hebt, dan weet u hoezeer hij mannen als Bunuel, Hemingway en Scott Fitzgerald hoogacht. In ` A propos vertelt hij ook hoe hij, sociaal onhandig als hij is, Carla Bruni, de echtgenote van toenmalig president Sarkozy, wist te bewegen een rolletje te spelen. Hij was toch al zeer tevreden over haar en de cast, maar de kers op de taart is voor hem Léa Seydoux, het  Franse meisje Gabrielle van die muziekwinkel met platen van heel vroeger(!). Zich definitief vestigen in Parijs...Woody heeft er serieus over nagedacht.

De film leverde Allen, die niet alleen regisseerde maar ook het verhaal schreef, een Oscar op voor het meest originele script. Voor het eerst in zijn carrière  maakte hij  een film die meer dan 150 miljoen dollar opbracht. Een artistieke film vol weemoed, heimwee en verlangen, waar alles zich afspeelt in een betoverend gefilmd Parijs ...wat heerlijk dat zoiets ook een financiéél succes kan worden.

Midnight in Paris. Regisseur: Woody Allen. Acteurs: Owen Wilson, Rachel McAdams, Carla Bruni, Léa Seydoux. Land: Verenigde Staten. Uitgebracht: in 2011. 

20-05-2021

WOODY ALLEN OVER ZIJN LEVEN

Woody Allen ( geboren in 1935) groeide op in Brooklyn, New York, in een joods gezin uit de lagere middenklasse. Zijn moeder bracht als boekhouder van een bloemenzaak het geld binnen; vader rommelde wat aan als weinig succesvolle bookmaker. Toen hij vijf was, nam zijn oudere nicht hem al mee naar de bioscoop voor de dubbele voorstelling van twaalf uur op de zaterdag. Eindeloos luisteren naar de radio, constant films bekijken, zelf verhalen bedenken: zó schermde toen al de jonge Woody zich af van de rauwe buitenwereld. De familie omringde hem met alle aandacht en liefde, maar als kind al bleek Woody een zenuwpees, een angsthaas, een pessimistisch jongmens. 

 Toen hij zestien was stuurde hij grappige opmerkingen en moppen naar columnisten van plaatselijke kranten, en vaak namen die ze op in hun stukjes. Op zijn zeventiende werd hij ingehuurd door een kantoor om na school even langs te komen om grappen te bedenken die aan kranten verkocht werden. Hij krijgt daarvoor veertig dollar per week. Zijn moeder verdient hetzelfde, maar die moet wel vijf dagen in de week acht uur werken. 

Op zijn twintigste trouwt hij met Harlene, die dan zeventien is. Neurotisch is hij nog steeds, hij lijdt o.a. aan entreevrees: vaak durft hij niet ergens naar binnen te gaan, Jarenlang zal hij, zonder succes, diverse psychiaters verslijten. Eenentwintig jaar oud schrijft hij teksten voor tv - shows, waarmee hij bakken met geld verdient. Hij gaat scheiden van Harlene en trouwt later met Louise Lasser, maar ook dat huwelijk houdt niet zo lang stand. 

Dan doet hij zijn intrede in de filmwereld. Woody schrijft het script voor What's New Pussycat, waarvan de titelsong een grote hit wordt voor Tom Jones. Hij treedt op in shows van Johnny Carson en Ed Sullivan, krijgt veel aandacht in de pers, nachtclubeigenaars willen hem als stand - up comedian. In 1966 presenteert hij zijn eerste, tamelijk succesvolle, toneelstuk op Broadway. Dat zal vanaf nu zijn leven worden: toneel en films, waar hij vaak zelf in acteert, die hij  regisseert en waarvoor hij de scripts levert. Kunst biedt schoonheid en maakt het leven draaglijk. Humor is daarvoor absoluut een vereiste. 

Hij ziet zichzelf niet als een groot filmkunstenaar. Ingmar Bergman, Antonioni, Fellini, Roman Polanski, dat zijn de grote jongens. Het zevende zegel! A Streetcar Named Desire, gebaseerd op het toneelstuk van Tennessee Williams! Die laatste is trouwens zijn favoriet als het om toneel gaat. Woody kent zijn meesters, maar is niet jaloers, hij bewondert slechts.  Eigenlijk houdt hij meer van schrijven dan van filmen, want een regisseur heeft constant veel aan zijn hoofd en dat werk is ook fysiek zwaar.  Bullets over Broadway, Manhattan Murder Mystery en Husbands and Wives ziet hij als zijn beste films.

Vaak heeft Allen het in zijn autobiografie (hij is daar 84 jaar) over goede maaltijden, de grote sterren die hij mocht luxe huizen, mondaine hotels, mooie vrouwen. Hij koketteert ermee dat hij, eenvoudige jongen uit Brooklyn, dat toch maar allemaal bereikt heeft. Dat is dan de burgerman in hem. Al die sociale contacten zoekt hij ook op omdat hij zich niet graag alleen in de openbaarheid waagt. Altijd moet er iemand mee.  

Toen in 1992 zijn relatie met Mia Ferrow uiteenspatte, stond zijn hele leven totaal op zijn kop. Wat hem vooral buitengewoon pijn deed waren de vrienden die hem toen, zoals hij dat noemt, in de steek lieten. Er waren er ook die hem openlijk steunden: Alec Baldwin, Javier Bardem, Scarlett Johansson, Catherine Deneuve. Zeer uitgebreid gaat hij op deze onsmakelijke zaak in. Begrijpelijk, want zijn reputatie lijdt een enorme schade, in de V.S. wil niemand hem financieren, Amerikaanse acteurs en actrices weigeren rollen. 

Waar gaat het in het kort over? Mia Ferrow beschuldigt hem ervan dat hij zijn adoptiefdochter Dylan vanaf haar achtste misbruikt heeft. Tevens neemt ze het hem kwalijk erotische foto's gemaakt te hebben van een andere adoptiefdochter, namelijk Yoon - Si. Met haar is hij overigens al 25 jaar samen. Wat vóór hem spreekt: er hebben twee, van elkaar onafhankelijke, diepgaande onderzoeken plaatsgevonden en in beide gevallen besloten de rechters dat er geen rechtszaak zou plaatsvinden wegens gebrek aan bewijs. 

Laten we vooral naar zijn films gaan kijken. De meest recente is A Rainy Day in New York uit 2019: opnieuw onderhoudend, geestig, een beetje tragisch, met iets om over na te denken. Als u zijn boek leest, zult u hem(mijn hemel, wat is die man onhandig!) en de filmwereld beter leren kennen en waarschijnlijk zin hebben om weer eens een meesterwerkje van hem te bekijken. Doen!

Woody Allen,`A propos. Oorspronkelijke titel: Apropos of Nothing (2020). Nederlandse vertaling Ton Heuvelmans, Gabriëlla van Karsbergen, Emilin Lap, Mario Molegraaf, Roelien Plaatsman, Theo Schoemaker. Prometheus Amsterdam, 2020. 351 blz. 



09-05-2021

DE TRANEN DER ACACIA'S

Wat schreef Hermans toen literair! Gedetailleerde beschrijvingen, langere zinnen, steeds op jacht naar originele beeldspraak...in de tijd dat hij bezig was met De tranen der acacia's (16 mei 1946 - 4 januari 1948) hield hij zich bepaald niet aan de opvatting die hij later huldigde: kort, sober, geen enkel overbodig woord. De jongeman van 25 die pas één, onopgemerkte, roman had gepubliceerd, wilde het toch wel even laten zien. Zijn thematiek bleef hetzelfde. Er is nauwelijks een auteur aan te wijzen die zijn hele carrière lang zó trouw zijn opvattingen belijdt.

In de barre maanden maart 1944 tot en met de bevrijding in 1945 dwaalt de jonge Arthur Muttah door een onherbergzaam, vervuild, verarmd, uitgeplunderd Amsterdam, waar iedereen wanhopig voedsel, hout en sigaretten probeert te bemachtigen. (Even een terzijde: ik ken geen roman waarin de hoofdpersonen zó obsessief met nicotine bezig zijn. Hermans was zelf een kettingroker). Hij heeft zijn moeder nooit gekend, zijn vader woont in het onbereikbare Brussel. Met zijn grootmoeder, een waarzegster, en zijn halfzuster Carola bewoont hij twee etages in een Amsterdamse torenflat. Hij haat ze allebei, en laat dat verbaal en soms zelfs fysiek nadrukkelijk merken. Want Arthur is geen prettige man; hij buit mensen uit, laat ze vervolgens in de steek, beledigt vooral de kwetsbaren, en wat erger is: hij geniet daarvan. 

Maar het leven in oorlogstijd is dan ook heftig. Overal dreigt gevaar, zijn er verraders, provocateurs, mensen met schuilnamen, doen onheilspellende geruchten en angstaanjagende fantasieën de ronde. Dus: chaos, waar je ook kijkt. Arthur ziet dit alles, neemt nergens aan deel, is en blijft een buitenstaander. Zijn enige vriend, en vaderfiguur, Oskar, liegt hem voor en vindt hem niet zo belangrijk. Carola heeft een Duitse deserteur als minnaar, maar hoe dat precies zit, krijgt hij niet te horen. Als hij na de bevrijding zijn vader opzoekt in Brussel, mag hij daar een tijdje blijven wonen, maar hij wordt ook hier buitengesloten. Zijn halfzusters laten hem links liggen, zijn vader vertelt hem niets over zijn eigen moeder. Hij maakt geen vrienden, doolt door de stad, lijkt wel een gedoemde. Wat hem overkomt, geldt eigenlijk voor ons allemaal, wil W.F. Hermans eigenlijk zeggen. Je weet niet wie je vriend en wie je vijand is, waardoor je onder een voortdurende bedreiging leeft. Dat maakt het menselijk bestaan onzeker. Je bent niet in staat jezelf te begrijpen, laat staan dat je een ander kunt doorgronden. Dus: het leven is chaotisch, onbegrijpelijk, absurd.

Hoe is nu de titel te verklaren? Arthur bloedt aan het slot dood. De acacia is weliswaar het symbool van de onsterfelijkheid, maar hij geeft de eeuwig wederkerende vernietiging weer, namelijk moorden en dan doodgaan, en daar heeft Arthur in zijn korte leven nadrukkelijk mee te maken gehad. Daarom zijn de tranen van acacia's van bloed, en dus kleverig.

Wat viel mij nu na herlezing vooral op in deze roman, die nu ruim zestig jaar oud is? Er gebeurt eigenlijk niet zo veel in, echte handelingen zijn schaars. Veel, zeer rake, beschrijvingen van een troosteloos Amsterdam, in mindere mate van Brussel; heel veel overpeinzingen van Arthur, voor wie het erg belangrijk is hoe mensen over hem denken, en zich daar telkens in vergist. Dit is in feite een psychologische roman, die overtuigt door de kracht waarmee de auteur zijn pessimistische levensvisie weet over te brengen. 
W. F. Hermans, De tranen der acacia's. Eerste druk 1949. Herziene uitgave 1971. 381 blz. G.A. van Oorschot, Amsterdam.